Compliciteit en simplexiteit

In de blog: Tijd en zijn

Eens wat anders. Een kortverhaal vol filosofische bespiegelingen. En een uitdaging! Wie kan er -met pakweg een foutenmarge van twee jaar- schatten hoe oud de protaganist was toen hij zijn trauma opliep?

‘Welkom bij het einde,’ hoorde hij. Wikes slikte met een droge keel. De stem kwam van nergens en tegelijk van overal. Ingebeelde geluidstrillingen trokken door zijn naakte lichaam telkens wanneer de zachte stem weerklonk. De tussenpozen baadden in de meest intense stilte. Maar de stilte was niet vredig, wel dreigend. ‘Welkom bij het einde,’ opnieuw. Het grauwe, lege vertrek bleek hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Op geen enkele wijze kon Wikes de kamer verlaten. De koude, metalen wanden waren besmeurd met opgedroogde bloedvlekken. Wikes had ooit enkele vergeefse pogingen ondernomen om te ontsnappen, maar het metaal begaf het niet. Hij had ook niet het minste idee hoe lang hij zich al in de betrekkelijk kleine kubus bevond. Wanneer hij de diagonaal bewandelde, kon hij slechts een tweetal grote passen nemen. Springen was uit den boze want het plafond bevond zich ongeveer vijfentwintig centimeter boven zijn hoofd. Een van de meest opmerkelijke observaties die Wikes had gemaakt, was de afwezigheid van een lichtbron. Door het metaal kon onmogelijk licht naar binnen dringen. Er was ook nergens een opening of spleet te vinden. En toch moest het licht van ergens komen, net als de stem. ‘Welkom bij het einde,’ klonk het.

De eerste keer dat hij in de kubus ontwaakte, was wellicht het meest bevreemdende moment uit het leven van Albert Wikes. Met de knieën tegen zijn behaarde borstkas opgetrokken, zat hij in een hoek tegen het kille metaal. Hij opende zijn ogen, richtte zijn hoofd al geeuwend op. Voor hem openbaarde zich de kubus, waar hij tot nu toe resideerde. Sindsdien was geen enkel ogenblik nog te onderscheiden van een ander. Tijd leek niet meer van toepassing. Albert vermoedde wel dat hij af en toe sliep, maar kon het op geen enkele manier bewijzen. Zolang hij zich bewust was van de omgeving, klonk elke uitspraak over het niet bewust zijn van de kubus absurd. Als hij er eventueel ooit eens niet bewust van was of sliep, verdween alle perceptie en daarmee om het even welke vorm van bewijskracht. Als Wikes de ogen sloot, was hij zich maar al te goed bewust van de beperktheid van de ruimte en de troosteloze aanblik van de grijze wanden. Albert begon zich stilaan af te vragen of een mens een abstract begrip zoals oneindigheid werkelijk kon ervaren. Want het was schier onmogelijk om uit te maken of er ooit een einde aan de ongewone toestand zou komen. Wat hem betrof, bevond hij zich al een onmeetbare eeuwigheid in de kubus. De stem verwelkomde Albert keer op keer, alsof hij ooit eens op een plek was ontboden waar het einde zich zou voltrekken. Maar dat einde kwam nooit. Er veranderde niets. Wikes vroeg zich af waarom hij nooit honger kreeg en bijgevolg ook geen boodschap, kleine of grote, hoefde te plegen. Blijkbaar was er dus iets grondig gewijzigd aan de biologische opbouw van zijn lichaam. Waar haalde hij de energie vandaan? Welke energetische moleculen pompte het bloed door zijn hersenen? ‘Welkom bij het einde,’ uiteraard.

Hij had ooit eens geprobeerd ongeveer te bepalen hoeveel seconden er tussen twee aankondigingen zaten. Maar telkens moest hij het opgeven. Vijfenvijftigduizend-driehonderzesentachtig was het hoogste aantal dat hij had geteld. De aankondigingen lieten zich niet analyseren. Soms leken ze elkaar in zeer korte intervallen op te volgen, maar telkens als hij dat probeerde te verifiëren, schakelden ze over op een andere frequentie. Buiten het feit, waarvan hij nagenoeg zeker meende te zijn, dat hij Albert Wikes heette, herinnerde hij zich niets meer van de wereld voor de kubus. Misschien bestond die wereld ook niet, behoorde ze tot de buitensporige fantasie van Wikes. Uiteraard was er weeral geen enkele manier om aan te tonen dat die wel zou bestaan of zou bestaan hebben. Een eeuwigheid geleden klopte Albert enkele malen tegen het metaal. De kubus was perfect geïsoleerd want het geluid klonk mat, absoluut niet hol. Misschien was er daarbuiten helemaal niets, waardoor het zelfs absurd werd om het begrip buiten te gebruiken. De kubus met Wikes erin kon het enige object zijn dat bestond en voor zover het Albert aanging, was dat ook zo. Wie bewees het tegendeel? Hij was er van overtuigd dat hij de oneindigheid ervaarde. Zo kon hij immers verklaren dat het onmogelijk was om het tijdsinterval tussen twee aankondigingen te bepalen. Hij stelde zich voor dat hij gevangen zat in een moment. En aangezien een moment niet onderworpen was aan de wetten van de verandering ofwel de tijd, was het ogenblik an sich haast per definitie oneindig. Een zin uitspreken, vereiste natuurlijk wel tijd. Daarom vermoedde Wikes dat de aankondiging uit zijn herinneringen weerklonk. Het was trouwens al onmogelijk gebleken om een fysische geluidsbron te lokaliseren. Iets had hem ooit welkom geheten bij het einde en daarna was alle beweging gestopt. In een bepaalde zin bevond Wikes zich wellicht toch in het einde want alle verandering was schijnbaar onherroepelijk stilgevallen. Albert kon rondlopen en bewegen, denken en voelen, maar zelfs dat bleek geen tijd te uit te lokken. Hij handelde zonder dat de tijd voortschreed, enkel en alleen maar omdat niemand kon bevestigen dat er überhaupt iets wijzigde. Telkens als hij naar de andere uithoek van de kubus wandelde, was er niemand om te verifiëren dat Wikes inderdaad van hoek had gewisseld. Om te beginnen waren alle hoeken identiek in Wikes’ perceptie. Verder kon hij elke beweging abstraheren en opnieuw afdoen als een herinnering net als de gedachten die hij construeerde en de bedenkingen die hij eventueel maakte. Op die manier kon alles wat zich in de beperkte ruimte mogelijks kon voordoen, gebeuren zonder dat het zich wezenlijk voltrok. Het licht had geen bron nodig. Het moment dat om een of andere onmogelijk te achterhalen reden was komen vast te zitten, had gewoon ooit in het licht gebaad. En blijkbaar had Wikes op dat ogenblik net een grote en een kleine boodschap achter de rug. Hij voelde zich fit en gezond, zelfs voldaan. ‘Welkom bij het einde,’ van overal.

Natuurlijk kwelde de vraag hem waarom de tijd bleef haperen. En als het zo was dat het mechanisme inderdaad klem zat, door wie en wanneer zou het dan verlost worden? Die beschouwing veronderstelde echter dat er iets bestond buiten de kubus en daar kon Wikes helemaal geen bewijs voor leveren. Albert had de hele situatie teruggevoerd op een onwrikbare noodzakelijkheid, namelijk het bestaan van een object. Het bleek echter onmogelijk om dat object te kennen of te analyseren. Hij kon de kubus natuurlijk wel beschrijven, maar in hoeverre had hij het dan over fundamentele eigenschappen? Het object had wellicht maar één abstracte eigenschap en dat was eenvoudigweg bestaan. De waarneming die Wikes ervaarde, was slechts een vereiste om dat bestaan te kunnen bevestigen. De begrippen existentie en waarneming bleken dus innig met elkaar verbonden. Ze vormden elkaars brandstof. Waarom, vroeg hij zich af, zie ik de dingen zoals ik ze zie? Waarom zijn ze zoals ze zijn? Hij begon te lachen om de absurdheid van die vraag. Omdat hij de dingen nu eenmaal zo zag, uiteraard. Als hij ze anders zou waarnemen, had hij zich even goed dezelfde vraag kunnen stellen. Natuurlijk zag Wikes de kubus zoals hij hem zag. De idee dat hij ooit de kubus zou kunnen zien zoals hij hem niet zag, was even verwerpelijk als het eeuwige enigma indien niet, waarom wel. Maar het betekende niet dat Wikes de enige onvervalste waarheid aanschouwde. De kubus was Alberts ongelukkige interpretatie van het ware object dat als het begrip bestaan kon worden opgevat. ‘Welkom bij het einde,’ zwevend.

Wikes, gevangen in het oneindige moment, bleef zich welkom heten bij het einde. De buitenkant, redeneerde hij, neem ik niet waar. Als hij trouw bleef aan zijn veronderstellingen kon het object zich onmogelijk aan de buitenkant manifesteren bij gebrek aan een buitenkant. De oorsprong van Albert Wikes en alles wat hem ooit voorafging, bestond niet meer. De kubus was enkel opgebouwd uit een binnenwand. Albert wreef door zijn baardstoppels en haalde diep adem, slechts herinneringen. Als hij er kon in slagen om op een of andere manier de begeerde buitenkant waar te nemen, zou Wikes verlost zijn van de enge kubus. De tijd zat klem, had Albert opgesloten in het eeuwige ogenblik met als gevolg dat elke gedachte, elke beweging slechts een tijdloze herinnering was. Die conclusie had Wikes eerder al getrokken. Moedeloos moest hij toegeven dat hij in een vicieuze cirkel terecht was gekomen. Hij kon op geen enkele manier iets bedenken dat hij nog niet eerder had bedacht. Toen drong het tot hem door dat hij een cruciale fout had gemaakt. Wikes had aangenomen dat de buitenkant niet meer bestond. Dat klopte met betrekking tot de vorm, maar niet met betrekking tot de inhoud. Alles wat ooit was, moest nog steeds bestaan in de perceptie van Albert Wikes, zij het onder een andere vorm. De buitenkant was uiteraard nooit iets op zich geweest, maar eveneens een interpretatie van het ware object. Er bestond slechts één ding. Neen, zelfs geen ding, maar een eigenschap betrokken op zichzelf, existentie. Zo kwam het dat in om het even welke wijze van waarnemen het geheel besloten lag in het kleinste partikel. Albert staarde naar een wand van de kubus. De kleur van het metaal kon het best omschreven worden als dofgrijs. In gedachten construeerde hij de diagonalen van het beschouwde vlak, die in zijn observatie een loodrechte hoek met elkaar vormden. Vervolgens bekeek hij zijn blanke handen en stelde zich de hoek gevormd door twee ruimtediagonalen voor. Die laatste diagonalen lagen uiteraard in een denkbeeldige rechthoek waardoor ze elkaar niet loodrecht sneden. Aangezien het geheel nu onvermijdelijk besloten lag in ieder waargenomen ding, moesten kunstmatige eigenschappen zoals kleur, loodrechtheid, rechthoek en vierkant verenigbaar zijn of minstens verwisselbaar. Een rechthoek bezat dus eveneens de eigenschap vierkant te zijn en had een stel loodrechte diagonalen. Wikes’ blanke huid had onvermijdelijk dezelfde kleur als de wanden. Ieder ding, begiftigd met elke eigenschap. De verklaring klonk eenvoudig en paradoxaal, maar op een vreemdsoortige wijze uiterst noodzakelijk. Eén object, één eigenschap. Doch, hoe abstract de constructie van Wikes’ kubus ook was, niet het minste element van het concrete zou er ooit kunnen door omzeild worden.

‘Welkom bij het einde,’ van nergens.

Het einde van alles.

Tags
geen tags