Compliciteit en simplexiteit

In de blog: Tijd en zijn reacties: 15 pdf print

Eens wat anders. Een kortverhaal vol filosofische bespiegelingen. En een uitdaging! Wie kan er -met pakweg een foutenmarge van twee jaar- schatten hoe oud de protaganist was toen hij zijn trauma opliep?

‘Welkom bij het einde,’ hoorde hij. Wikes slikte met een droge keel. De stem kwam van nergens en tegelijk van overal. Ingebeelde geluidstrillingen trokken door zijn naakte lichaam telkens wanneer de zachte stem weerklonk. De tussenpozen baadden in de meest intense stilte. Maar de stilte was niet vredig, wel dreigend. ‘Welkom bij het einde,’ opnieuw. Het grauwe, lege vertrek bleek hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Op geen enkele wijze kon Wikes de kamer verlaten. De koude, metalen wanden waren besmeurd met opgedroogde bloedvlekken. Wikes had ooit enkele vergeefse pogingen ondernomen om te ontsnappen, maar het metaal begaf het niet. Hij had ook niet het minste idee hoe lang hij zich al in de betrekkelijk kleine kubus bevond. Wanneer hij de diagonaal bewandelde, kon hij slechts een tweetal grote passen nemen. Springen was uit den boze want het plafond bevond zich ongeveer vijfentwintig centimeter boven zijn hoofd. Een van de meest opmerkelijke observaties die Wikes had gemaakt, was de afwezigheid van een lichtbron. Door het metaal kon onmogelijk licht naar binnen dringen. Er was ook nergens een opening of spleet te vinden. En toch moest het licht van ergens komen, net als de stem. ‘Welkom bij het einde,’ klonk het.

De eerste keer dat hij in de kubus ontwaakte, was wellicht het meest bevreemdende moment uit het leven van Albert Wikes. Met de knieën tegen zijn behaarde borstkas opgetrokken, zat hij in een hoek tegen het kille metaal. Hij opende zijn ogen, richtte zijn hoofd al geeuwend op. Voor hem openbaarde zich de kubus, waar hij tot nu toe resideerde. Sindsdien was geen enkel ogenblik nog te onderscheiden van een ander. Tijd leek niet meer van toepassing. Albert vermoedde wel dat hij af en toe sliep, maar kon het op geen enkele manier bewijzen. Zolang hij zich bewust was van de omgeving, klonk elke uitspraak over het niet bewust zijn van de kubus absurd. Als hij er eventueel ooit eens niet bewust van was of sliep, verdween alle perceptie en daarmee om het even welke vorm van bewijskracht. Als Wikes de ogen sloot, was hij zich maar al te goed bewust van de beperktheid van de ruimte en de troosteloze aanblik van de grijze wanden. Albert begon zich stilaan af te vragen of een mens een abstract begrip zoals oneindigheid werkelijk kon ervaren. Want het was schier onmogelijk om uit te maken of er ooit een einde aan de ongewone toestand zou komen. Wat hem betrof, bevond hij zich al een onmeetbare eeuwigheid in de kubus. De stem verwelkomde Albert keer op keer, alsof hij ooit eens op een plek was ontboden waar het einde zich zou voltrekken. Maar dat einde kwam nooit. Er veranderde niets. Wikes vroeg zich af waarom hij nooit honger kreeg en bijgevolg ook geen boodschap, kleine of grote, hoefde te plegen. Blijkbaar was er dus iets grondig gewijzigd aan de biologische opbouw van zijn lichaam. Waar haalde hij de energie vandaan? Welke energetische moleculen pompte het bloed door zijn hersenen? ‘Welkom bij het einde,’ uiteraard.

Hij had ooit eens geprobeerd ongeveer te bepalen hoeveel seconden er tussen twee aankondigingen zaten. Maar telkens moest hij het opgeven. Vijfenvijftigduizend-driehonderzesentachtig was het hoogste aantal dat hij had geteld. De aankondigingen lieten zich niet analyseren. Soms leken ze elkaar in zeer korte intervallen op te volgen, maar telkens als hij dat probeerde te verifiëren, schakelden ze over op een andere frequentie. Buiten het feit, waarvan hij nagenoeg zeker meende te zijn, dat hij Albert Wikes heette, herinnerde hij zich niets meer van de wereld voor de kubus. Misschien bestond die wereld ook niet, behoorde ze tot de buitensporige fantasie van Wikes. Uiteraard was er weeral geen enkele manier om aan te tonen dat die wel zou bestaan of zou bestaan hebben. Een eeuwigheid geleden klopte Albert enkele malen tegen het metaal. De kubus was perfect geïsoleerd want het geluid klonk mat, absoluut niet hol. Misschien was er daarbuiten helemaal niets, waardoor het zelfs absurd werd om het begrip buiten te gebruiken. De kubus met Wikes erin kon het enige object zijn dat bestond en voor zover het Albert aanging, was dat ook zo. Wie bewees het tegendeel? Hij was er van overtuigd dat hij de oneindigheid ervaarde. Zo kon hij immers verklaren dat het onmogelijk was om het tijdsinterval tussen twee aankondigingen te bepalen. Hij stelde zich voor dat hij gevangen zat in een moment. En aangezien een moment niet onderworpen was aan de wetten van de verandering ofwel de tijd, was het ogenblik an sich haast per definitie oneindig. Een zin uitspreken, vereiste natuurlijk wel tijd. Daarom vermoedde Wikes dat de aankondiging uit zijn herinneringen weerklonk. Het was trouwens al onmogelijk gebleken om een fysische geluidsbron te lokaliseren. Iets had hem ooit welkom geheten bij het einde en daarna was alle beweging gestopt. In een bepaalde zin bevond Wikes zich wellicht toch in het einde want alle verandering was schijnbaar onherroepelijk stilgevallen. Albert kon rondlopen en bewegen, denken en voelen, maar zelfs dat bleek geen tijd te uit te lokken. Hij handelde zonder dat de tijd voortschreed, enkel en alleen maar omdat niemand kon bevestigen dat er überhaupt iets wijzigde. Telkens als hij naar de andere uithoek van de kubus wandelde, was er niemand om te verifiëren dat Wikes inderdaad van hoek had gewisseld. Om te beginnen waren alle hoeken identiek in Wikes’ perceptie. Verder kon hij elke beweging abstraheren en opnieuw afdoen als een herinnering net als de gedachten die hij construeerde en de bedenkingen die hij eventueel maakte. Op die manier kon alles wat zich in de beperkte ruimte mogelijks kon voordoen, gebeuren zonder dat het zich wezenlijk voltrok. Het licht had geen bron nodig. Het moment dat om een of andere onmogelijk te achterhalen reden was komen vast te zitten, had gewoon ooit in het licht gebaad. En blijkbaar had Wikes op dat ogenblik net een grote en een kleine boodschap achter de rug. Hij voelde zich fit en gezond, zelfs voldaan. ‘Welkom bij het einde,’ van overal.

Natuurlijk kwelde de vraag hem waarom de tijd bleef haperen. En als het zo was dat het mechanisme inderdaad klem zat, door wie en wanneer zou het dan verlost worden? Die beschouwing veronderstelde echter dat er iets bestond buiten de kubus en daar kon Wikes helemaal geen bewijs voor leveren. Albert had de hele situatie teruggevoerd op een onwrikbare noodzakelijkheid, namelijk het bestaan van een object. Het bleek echter onmogelijk om dat object te kennen of te analyseren. Hij kon de kubus natuurlijk wel beschrijven, maar in hoeverre had hij het dan over fundamentele eigenschappen? Het object had wellicht maar één abstracte eigenschap en dat was eenvoudigweg bestaan. De waarneming die Wikes ervaarde, was slechts een vereiste om dat bestaan te kunnen bevestigen. De begrippen existentie en waarneming bleken dus innig met elkaar verbonden. Ze vormden elkaars brandstof. Waarom, vroeg hij zich af, zie ik de dingen zoals ik ze zie? Waarom zijn ze zoals ze zijn? Hij begon te lachen om de absurdheid van die vraag. Omdat hij de dingen nu eenmaal zo zag, uiteraard. Als hij ze anders zou waarnemen, had hij zich even goed dezelfde vraag kunnen stellen. Natuurlijk zag Wikes de kubus zoals hij hem zag. De idee dat hij ooit de kubus zou kunnen zien zoals hij hem niet zag, was even verwerpelijk als het eeuwige enigma indien niet, waarom wel. Maar het betekende niet dat Wikes de enige onvervalste waarheid aanschouwde. De kubus was Alberts ongelukkige interpretatie van het ware object dat als het begrip bestaan kon worden opgevat. ‘Welkom bij het einde,’ zwevend.

Wikes, gevangen in het oneindige moment, bleef zich welkom heten bij het einde. De buitenkant, redeneerde hij, neem ik niet waar. Als hij trouw bleef aan zijn veronderstellingen kon het object zich onmogelijk aan de buitenkant manifesteren bij gebrek aan een buitenkant. De oorsprong van Albert Wikes en alles wat hem ooit voorafging, bestond niet meer. De kubus was enkel opgebouwd uit een binnenwand. Albert wreef door zijn baardstoppels en haalde diep adem, slechts herinneringen. Als hij er kon in slagen om op een of andere manier de begeerde buitenkant waar te nemen, zou Wikes verlost zijn van de enge kubus. De tijd zat klem, had Albert opgesloten in het eeuwige ogenblik met als gevolg dat elke gedachte, elke beweging slechts een tijdloze herinnering was. Die conclusie had Wikes eerder al getrokken. Moedeloos moest hij toegeven dat hij in een vicieuze cirkel terecht was gekomen. Hij kon op geen enkele manier iets bedenken dat hij nog niet eerder had bedacht. Toen drong het tot hem door dat hij een cruciale fout had gemaakt. Wikes had aangenomen dat de buitenkant niet meer bestond. Dat klopte met betrekking tot de vorm, maar niet met betrekking tot de inhoud. Alles wat ooit was, moest nog steeds bestaan in de perceptie van Albert Wikes, zij het onder een andere vorm. De buitenkant was uiteraard nooit iets op zich geweest, maar eveneens een interpretatie van het ware object. Er bestond slechts één ding. Neen, zelfs geen ding, maar een eigenschap betrokken op zichzelf, existentie. Zo kwam het dat in om het even welke wijze van waarnemen het geheel besloten lag in het kleinste partikel. Albert staarde naar een wand van de kubus. De kleur van het metaal kon het best omschreven worden als dofgrijs. In gedachten construeerde hij de diagonalen van het beschouwde vlak, die in zijn observatie een loodrechte hoek met elkaar vormden. Vervolgens bekeek hij zijn blanke handen en stelde zich de hoek gevormd door twee ruimtediagonalen voor. Die laatste diagonalen lagen uiteraard in een denkbeeldige rechthoek waardoor ze elkaar niet loodrecht sneden. Aangezien het geheel nu onvermijdelijk besloten lag in ieder waargenomen ding, moesten kunstmatige eigenschappen zoals kleur, loodrechtheid, rechthoek en vierkant verenigbaar zijn of minstens verwisselbaar. Een rechthoek bezat dus eveneens de eigenschap vierkant te zijn en had een stel loodrechte diagonalen. Wikes’ blanke huid had onvermijdelijk dezelfde kleur als de wanden. Ieder ding, begiftigd met elke eigenschap. De verklaring klonk eenvoudig en paradoxaal, maar op een vreemdsoortige wijze uiterst noodzakelijk. Eén object, één eigenschap. Doch, hoe abstract de constructie van Wikes’ kubus ook was, niet het minste element van het concrete zou er ooit kunnen door omzeild worden.

‘Welkom bij het einde,’ van nergens.

Het einde van alles.


Tags
geen tags

Reacties (15)

   

De dans van de doos wordt nu een kubus. En het uitblijven van reacties verhaal je op "chronisch tijdgebrek".

Maar het laat onverlet mijn oordeel over dit "kunstwerk". Het was warempel prachtig om te lezen. Is het geïnspireerd door Kafka?

   

Steven, ik ben dag in dag uit met schrijven bezig, naast mijn reguliere job en mijn gezin. Geloof, ik zou me graag mengen in de discussies die er ontstaan naar aanleiding van wat ik hier post. Heel graag, zelfs. Maar wil ik dat op een doordachte en zinvolle manier kunnen doen, dan heb ik daar de tijd voor nodig die me helaas momenteel ontbreekt. Ik ben blij dat de discussies zich ontspinnen, en waar mogelijk wil ik zeker tussenkomen. Het is alleen niet evident. Ik loop met het idee rond om een blogpost te schrijven waarin ik een aantal van de discussiepunten van commentaar kan voorzien. En dat commentaar zit al zo goed als volledig in mijn hoofd, maar ik heb werkelijk geen idee waar ik de uren moet gaan zoeken om alles fysiek te formuleren. En, eerlijk gezegd, dat frustreert me. Trouwens, de meeste van de teksten die ik hier post werden al lang geleden geschreven. Momenteel ben ik de laatste hand aan het leggen op een anthologie van meer dan duizend bladzijden. Ik hoef er geen tekening bij te maken, wat een werk en research daarin kruipt.

Kafka zal zeker wel een invloed geweest zijn. Ik lees 'm graag. "Het slot" is echt een pracht van een boek! Er staat trouwens ook nog een half boekenrek te wachten om gelezen te worden...

   

Als dit verhaal bedoeld is diepzinnige vragen uit te lokken dan vraag ik mij af hoe dit verhaal tot stand is gekomen. Het doet mij denken aan die sterke verhalen die besluiten met "daarna heeft niemand meer iets van mij gehoord." Misschien moet dat dan maar zo blijven, tenzij de verteller nog met een wat sterker verhaal komt, want het onderhavige kan mij niet echt boeien.

   

Het verhaal roept bij mij wel wat associaties op uit mijn kindertijd.
Het doet me denken aan de diepe wat beangstigende ervaring die ik kreeg toen ik op een warme zomernacht buiten op mijn rug op ene houtmijt lag te staren naar de sterren. Opeens besefte ik hoe alleen het voelde in die oneindigheid boven mij. Het was ook beangstigend te weten dat ik op een bolletje verbleef waar je enkel in rondjes kan lopen en waar je niet af kon, wat een beperking, wat een opgeslotenheid! Het is een wat gelijkaardige beleving als die keer dat ik plots pijnlijk besefte dat mijn zicht slechts beperkt is tot datgene dat voor mij ligt. Het grootste deel bevindt zich naast en achter mij, en dat kan ik niet zien. Het gaf me ineens een gevoel alsof ik heel mijn leven door een kijkertje moet kijken, als met oogkleppen. Het was even een heel beangstigend gevoel niet te kunnen weten wat er verder nog achter mij aanwezig is. Ik besefte toen sterk de beperktheid van de waarneming, de beperktheid dus van het vaststellen van de wereld rondom mij. Het leerde me in elk geval relativeren, ik neem slechts een heel beperkt stukje van de werkelijkheid waar en bovendien nog eens beperkt tot maar een zestal zintuiglijke mogelijke prikkels uit de kosmos (lichtgolven, geluidsgolven, smaakstoffen, geuren, tastprikkels, evenwichtstoestanden en lichamelijke gesteldheid). Je beseft dat je beleving van het bestaan bepaald wordt door de waarneming, je zintuigen, dat je eigenlijk pas bestaat via je zintuigen, via je perceptie. Je beseft dat het 'beeld', het idee dat je je vormt over de werkelijkheid waar je een deel van bent, slechts een subjectieve perceptie is. Je weet niet wat objectief precies is.
Je wordt mild want je beseft ook dat ieder mens zijn eigen typisch persoonlijke perceptie heeft en bijhorend wereldbeeld heeft gevormd en dat men daar niet verantwoordelijk voor is. Je wordt op een eigen wijze bepaald door die 'kooi' waarin je als het ware opgesloten zit.
Het is een soort 'toneel van alleen maar verbeelding' waarin je acteert zoals de overleden Nederlandse kleinkunstzanger Dimitri van Toren het zingt.
Je tekst bracht mij ook weer even dichter bij onze 'condition humaine'.

   

Ik zie de worsteling, zo vroeg al ingezet, met ambitie. De realiteitszin over pretenties verborgen achter woorden alsof men geconfronteerd werd met een abstract.
Het is de gesublimeerde marteling met de ego die erkenning wil en wel NU!
Er zit pijn in dit verhaal, geen verwondering, schrijven is een manier om jezelf aan te kijken onder verzachtende omstandigheden.

   

Dag Leon, ik weet niet zeker of je reactie op mijn reactie gericht?
Ik weet niet wat je hier bedoelt met het woord 'ambitie'. Dat heeft bij mij zo'n negatieve bijklank, zo van (wat overdreven) gedreven zijn om een positie, een job, een status in het leven te willen bereiken. Dat herken ik alvast niet bij mezelf. Ik ambieer maar weinig in mijn leven, ik leef eerder van dag tot dag. Ik merk ook niets van een marteling met mijn ego dat om een erkenning roept. Neen, ik ben vooral in verwondering en fascinatie voor het zijn, voor het er zijn, de existentie, voor het bestaan en voor de waarneembare wereld die zich aan mij ontvouwt. Dat is een groot mysterievol iets dat niet te vatten is en dat je eerder je kleinheid, nietigheid laat beseffen en daar vrede mee doet nemen.
Een zekere 'pijn' zit er wel wat in die kosmische zijnservaring, in die zin dat het bij een mysterie moet blijven, dat je de antwoorden niet krijgt, dat je in onwetendheid moet blijven en de zin of bedoeling van het grote geheel waar je deel van bent niet weet.

Mijn schrijven is slechts de weergave van mijn gedachten. Mijn gedachten zijn dan wel vaak bezig met het beschouwen van de wereld en het schouwen in mezelf. Of het denken of schrijven verzachting geeft, niet direct, het helpt soms een beetje de dingen te ordenen, te overzien voor zover dat kan.

   

Ach nee Livinus, ik beschreef de tekst van A Reiniers, die jij zo heel anders opvat. Kwestie van met welke bril op je leest...

   

Door de insprong van je reactie gaf je de indruk dat jouw reactie er een was op de mijne. Maar goed. Het is wellicht niet dat ik het verhaal van Areniers zo heel anders opvat dan jij, dat kan jij niet weten want ik gaf je enkel een associatie die ik erbij maak, mijn herinnering aan een soort zich opgesloten voelen op een aardbol en in een universum. Ik kan in jouw interpretatie van het verhaal ook inkomen, inderdaad, wanneer ik even jouw bril probeer op te zetten. Wat de schrijver precies heeft bedoeld en gevoeld, dat zullen jij en ook ik nooit echt kunnen weten, want daar gaat het denk ik ook om, namelijk dat we door onze perceptie worden bepaald, dat ons wereldbeeld daarvan afhangt. (Daarom kunnen we een ander ook nooit verwijten dat hij een ander wereldbeeld heeft verworven, men kiest immers niet voor het wereldbeeld dat zich in jezelf gevormd heeft hé). De man in de metalen kubus heeft ZIJN wereldbeeld gevormd en ZIJN ideeën over een mogelijke wereld buiten die wereld, buiten die kubus. Die hebben zich in hem gevormd op basis van zijn waarneming van de fysische toestand waarin hij aanwezig is gekomen.

   

Ik lees het verhaal als een metafoor voor een soort toestand van een hiernamaals. De 'Welkom bij het einde' is dan een soort transcendente, goddelijke stem. De toestand van de man in de kubus is eerder een geestelijke toestand zo goed als los van de percepties. Een nieuwe zijnstoestand waarin het vorige zijn niet meer gekend is (vergeten is).
Of het ons later, of ooit, bvb bij onze dood, zo zal vergaan...dat is nog maar de vraag. In zo'n kubus lijkt het me alvast niet fijn vertoeven. :-)

   

De titel van je blog begon langzaam door te dringen naarmate het verhaal vorderde.
In eerste aanleg voelde het ook mij beklemmend maar het koele denken straalde de rust uit van een denken dat emoties overstijgt, ja zelfs het stoicijnse denken overstijgt.
De mens heeft steeds meer ruimte nodig, woonden we vroeger in grotten, sliepen we in alcoven, nu hebben we steeds meer ruimte nodig. De maat is minimaal een eengezinswoning, wat reisjes naar het buitenland en de wereld op de mat.
Zo begreep ik dat 'welkom bij het einde' duidde op een weg terug.

De evolutie van het denken blijkt hier niet te rusten op een toename van de kennis over relevante factoren,
zoals bv. de buitenkant van de kubus onbekend blijft, maar haar kracht ligt waarschijnlijk meer in minder inzicht in de loop van verschijnselen en in het idee dat tijd en plaats aan relevantie inboeten. Iets dat we terugvinden in de wis-,natuur- en scheikunde, de alfaatjes onder de wetenschappen. Alleen-zijn in een kubus, daar lijken gedachten te neigen naar formuleringen van uniformiteitsgedachten maar dan in een psychologische variant.

   

Komt bij het scheiden van woorden toch nog een tweede variant bovendrijven.
Indachtig de tweede wet van de thermodynamica moet ik tot een voorlopige tweede slotsom komen.
Er is in de kubus bij uitstek sprake van een gesloten systeem waarbij de heer Wikes onafwendbaar op weg zou moeten zijn naar absolute chaos, de warmtedood van Alfred Wikes. Zo blijkt mijn overtuiging dat natuurwetten translatie-invariant zijn maar weer eens gestaafd te worden, in ieder geval voor zover het geval Wikes, die toch te allen tijde zijn eigen laatste toetsteen zal blijken, waarmee de natuurkunde toch minder diep geworteld ligt dat er geen uitzonderingen overwogen kunnen worden.

   

ik vervloek extraverten , verdomme waarom moet ik altijd zoveel lezen op dit forum ? fcking 2 zinnen was voldoende, dit forum is recreatief.

   

Hallo areniers,

"Compliciteit en simplexiteit"

Je neemt "complexiteit" en "simpliciteit" als tegenpolen (iets kan eenvoudig of samengesteld zijn). Dan verwissel je "ex" met "ic".
Simpliciteit wordt dan "simplexiteit". Kan bijvoorbeeld dienen om aan te duiden dat er iets ingewikkelds kan schuilen in iets wat op het eerste zicht eenvoudig is. Grappige vondst.

Maar wat met "compliciteit"? Dat wordt feitelijk "medeplichtigheid". Hoe past dat in je verhaal?

   

Siger,

Ik heb zelf altijd verondersteld dat de 'medeplichtigheid' te maken had met 's mans trauma dat onbesproken blijft. Want uiteraard is het verhaal naast een vermomde filosofische bedenking tevens een soort allegorie voor iemand die in zichzelf opgesloten zit ten gevolge van een traumatische gebeurtenis. Het oorspronkelijke einde van het werkje maakte dat ook expliciet duidelijk. Voor de volledigheid:

"Albert Wikes kwam overeind en begon uitzinnig van razernij op de deur van de isoleercel te bonken tot bloedens toe. Zilte tranen liepen door zijn baardstoppels. Even was hij weer bij bewustzijn. Opnieuw moest hij toegeven dat het tegendeel van de conclusie, die hij voor de zoveelste maal had getrokken, onbewijsbaar bleek. De impact van die angstaanjagende gedachte, had hem krankzinnig gemaakt. Enkele verplegers kalmeerden Wikes, verzorgden zijn wonden. Een uur later zat Albert met opgetrokken knieën in een hoek van het grauwe vertrek.

‘Welkom bij het einde,’ van nergens.
Het einde van alles."

   

“Medeplichtigheid' vormt zich door ‘de plicht’ als gevolg van het trauma, waardoor zich een ‘mede’ schept. Het ‘in zichzelf opgesloten zitten ten gevolge van een traumatische gebeurtenis’ krijgt een uitweg in de openheid die de gebeurtenis teweeg brengt. Er opent zich een ‘verplichting’ tot handelen vanuit het traumatische. Omdat automatische coördinaten wegvallen komt de mens zodoende bij ‘zichzelf’. Vergelijkbaar met Kierkegaards ‘angst’. Wat je doet is onvoorspelbaar want je vertrouwde coördinaten zijn weggevallen, maar je leert hierdoor je ethiek kennen. Of, het is een weg om je ethische houding te kunnen doorgronden.
Alberts handelen stokt, hij ziet geen opening en is “met opgetrokken knieën in een hoek van het grauwe vertrek” gaan zitten. Apathisch, afwachtend. De gebeurtenis verblindt alleen.

De uitnodiging waarmee de tekst begint “‘Welkom bij het einde,’ hoorde hij. Wikes slikte met een droge keel. De stem kwam van nergens en tegelijk van overal” klinkt hem dreigend juist omdat zijn vertrouwde coördinaten weg zijn. Maar de stem of het appél dringt aan, komende “van nergens en tegelijk van overal”. Verlamd “kwelde de vraag hem waarom de tijd bleef haperen”.

“De stem (van de mogelijke opening) verwelkomde Albert keer op keer, alsof hij ooit eens op een plek was ontboden waar het einde zich zou voltrekken. Maar dat einde kwam nooit. Het einde als overgang naar de ‘plicht’ blijft geblokkeerd. Er veranderde niets.” Voor hem was “alle verandering schijnbaar onherroepelijk stilgevallen”. “De tijd zat klem.”

"Albert Wikes kwam overeind en begon uitzinnig van razernij op de deur van de isoleercel te bonken tot bloedens toe. (…) Opnieuw moest hij toegeven dat het tegendeel van de conclusie, die hij voor de zoveelste maal had getrokken, onbewijsbaar bleek. De impact van die angstaanjagende gedachte, had hem krankzinnig gemaakt.”

Het tegendeel bleek onbewijsbaar! Tegendeel van wat? Van de conclusie. Het tegendeel van zijn conclusie, zijn these, bleek onbewijsbaar. Bleek onbewijsbaar, niet ‘is’ onbewijsbaar! Het liep uit op… het draaide uit op… onbewijsbaar. Het bleek een verstarde dialectiek, geen dynamische en de impact van die verstarring maakte hem krankzinnig.

‘The most sublime hysteric’ is tevens de titel van een prachtboek. Zoek het eens op!

‘Welkom bij het einde,’ van nergens. Het einde van alles."
Voor Wilkes dan toch, voor anderen hoeft dat niet.

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie