Een postmoderne aanzet tot linguïstische anarchie - Deel II

In de blog: Tijd en zijn

Een postmoderne aanzet tot linguïstische anarchie - Deel II

Hoe minder de lezer vertrouwd is met de grammatica, hoe dieper hij dient te delven in betrekkingssamenhang wil hij of zij tot een verstaan komen van de fout. De grammaticale kennis van de lezer bepaalt de omgang. De ideale corrector zal zoals aangehaald over de combinatie heen kijken en zich focussen op ‘wordt’, uit gewoonte. Zonder het te beseffen maakt hij een oneigenlijke correctie, omdat de kern van de fout zich ophoudt in het falende verwijzen van ‘ik’ naar de werkwoordsvorm. Iemand die minder vertrouwd is met de grammatica en het corrigeren, kan tevens opschrikken omwille van ‘ik wordt’. Als hij gevraagd wordt naar het waarom van de voorgestelde correctie, komt de combinatie aan het licht. De redenering is: in combinatie met ‘ik’ moet ‘wordt’ ‘word’ zijn. Verder gaat de grammaticale kennis van die lezer niet. Ofwel is hij de onderliggende relatie reeds lang vergeten, ofwel handelt hij louter vanuit een herkenningsgevoel. Iemand die in het stadium van het leren zit, moet dieper graven om de fout te ontdekken. Bij de confrontatie treedt de relatie in het licht. ‘ik’ duidt de eerste persoon enkelvoud aan. Het werkwoord dient zich aan te passen aan de persoon, en de regel schrijft voor dat hier de stam moet komen te staan. Hoe minder vertrouwd alledaags de ervaring van de tekst is, des te dichter komt men bij de fundamentele (grammaticale) relaties. Iemand die de taal niet eigen is, maar wel vertrouwd is met het schrift, kan geen grammaticale noch spellingsfouten ontdekken.

De ervaring is nog fundamenteler omdat geheel voorbijgegaan wordt aan de inhoudelijke betekenis. De tekst is niet terhand voor de anderstalige. Hij wordt een voorhanden tuig(geheel), waarvan de elementen elke inhoudelijke samenhang ontberen. ‘ik wordt’ is door de ogen van een anderstalige een betekenisloze lettergroep, iets wat het nooit kan zijn voor een Nederlandstalige die de geschreven taal machtig is. De eerste staat hierdoor korter bij het zijn van ‘ik wordt’ dan de tweede die verblind is door de betekenis die hij er zelf heeft aan geschonken. Toch blijven de letters nog steeds herkenbaar, zodat het duidelijk blijft dat het om een al dan niet zinnige tekst gaat. Maakt de anderstalige gebruik van een ander schrift, verdwijnt ook de betekenis van de tot louter symbolen verworden letters. Het symbolische karakter blijft behouden omdat bepaalde elementen in het tuiggeheel een herkenbare beduidendheid hebben. De symbolen staan bijvoorbeeld in een boek. Het boek is als dusdanig gekend door het Dasein. Mocht hetzelfde symbool opduiken in een toevallige wolkenformatie zou het door de anderstalige niet herkend worden als symbool omdat het tuiggeheel geen indicatie meer bezit dat de hemeltekening in een ander schrift dan het zijne als letter fungeert. Ook wanneer ‘ik’ als enig tuig op een blad papier is gezet, hoeft het niet meteen duidelijk te zijn dat het gaat om een letter, letters, laat staan een woord in andere taal. Wat wordt waargenomen is een tekening, bestaande uit een punt met een verticaal lijntje onder naast een wat langer verticaal lijntje waaruit twee kortere lijntjes ontspringen die een hoek met elkaar vormen. Hoe onvertrouwder het waarnemende Dasein is met het tuiggeheel, hoe minder ‘ik’ als tekening zal overkomen, des te meer als een voorhanden tuig.

De toenemende onvertrouwdheid houdt een toename in van de onbepaaldheid van de plek binnen een onbepaalde streek binnen een ongeconcipieerd tuiggeheel. De limietwaarde is een louter zelfreferentieel voorhanden tuig. Dat is evenwel letterlijk een contradictio in terminis. Het voorhanden zijn van een tuig wil zeggen dat het tuig in de omgang aanwezig is c.q. in de nabijheid vertoeft. Zo valt de betrekking tussen het tuig en het Dasein niet weg, waardoor de zelfreferentialiteit teniet gaat. De limietwaarde is geen tuig meer, maar wat overblijft nadat de verblindende beduidendheid van de betrekkingssamenhang is opgeheven: het in de onverborgenheid getreden naakte zijn. Het zijn is op dat moment vrijgemaakt van het tuig, waardoor het als dusdanig niet kan worden aangetroffen in de omzichtige omgang. Het zijn van het tuig is immers zelf geen zijnde. De deconstructie van om het even welk tuig leidt op analoge wijze tot het vrijgemaakte zijn. Hoe abstract het Dasein ook denken kan, steeds blijft het oneindig ver verwijderd van de laatste stap in het vrijmaken: het opheffen van de samenhang tussen zijn en tuig. In de daarbij toenemende onvertrouwdheid met het tuig verliest het Dasein steeds meer houvast om in het verstaande ontsluiten tot een articuleerbaar begrip als zin van het zijn te komen. Het conceptuele denken in termen van een limietwaarde brengt daarentegen wel klaarheid in het verstaan van het zijn van het Dasein. De limiet kan namelijk door het Dasein worden geconcipieerd als de mogelijkheid tot het in de omzichtige omgang aanwezig zijn van het voorhanden tuig. Zo is de mogelijkheid een voor het Dasein ontologisch constitutief structuurmoment dat de weg effent voor het voorhanden tuig. Zij refereert namelijk niet aan het zijn van het tuig, maar wel aan de limietwaarde als de conceptuele idee van de voorwaarde tot het omzichtig in-de-wereld-zijn. De mogelijkheid is een omwille waarvan en bijgevolg een existentiaal als uitgelicht element van het bezorgen, de ontologische term ter aanduiding van het zijn van het mogelijk in-de-wereld-zijn.

Tags
geen tags