Een postmoderne aanzet tot linguïstische anarchie - Deel I

In de blog: Tijd en zijn

De prelude is een zeer abstracte aanzet tot een aantal praktisch uitgewerkte voorbeelden. Inhoudelijk wil ik duidelijk maken dat het zijn pas open bloeit wanneer de werkelijkheid de door ons opgelegde ordening doorbreekt. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij het ontdekken van een fout tegen de taalregels in een tekst. Die confrontatie, hier beschreven als een opschrikken, laat de lezer het geschrevene ervaren als een zo-heid die voor een kortstondig moment bestaat buiten alle ordening om. Men kan zelfs van een epifanie spreken, een tel van verlichting. De aard van ons menszijn noopt ons vervolgens tot de invraagstelling van het zojuist waargenomene: de rationele queeste naar het zijn neemt een aanvang.

In de deficiënte modi van zijn werpt de zijnsvraag zich op. In een manuscript komt dat tot uiting waar de verwachte terhandheid van een constituent afwijkt van wat als taalkundig correct wordt aangenomen. Dat wil niet meteen zeggen dat het constituent verglijdt in louter voorhandenheid. Hoewel de betekenis volkomen duidelijk blijft, stelt de oplettende lezer een deficiëntie vast, een inbreuk op de taalregels. De vaststelling schudt wakker en roept een invraagstelling op. De vraag betreft het zijn van het constituent en geëxtrapoleerd, van de tekst, het boek,... de wereld. In de confrontatie met de deficiënte modus treedt een storing op in de omzichtige omgang waarbij de beduidendheid van de betrekkingssamenhang van het vertrouwde terhanden tuig (constituent) –dat past binnen een tuiggeheel (woordgroep, zin, tekst,…), en er zijn beloop heeft–, in het gedrang komt.

De lezer zit niet langer in het verhaal maar wordt op een al dan niet intentionele Brechtiaanse wijze even gedwongen de tekst als louter tekst te beschouwen, wat de aanzet vormt tot het in de onverborgenheid laten treden van het zijn, waarbij correctheid slechts als een van vele mogelijke zijnsmodi kan worden gezien. Het zijn kan uiteraard nooit concreet worden aangetroffen in de zin van het hier-en-nu-aanschouwen-van-het-loutere-zijn. Het loutere zijn kan met andere woorden niet los aangetroffen worden van het tuig (wat op analoge wijze tevens geldt voor de deficiënte modus van het niet-zijn), hoewel het op zich een thema zijn kan. Toch komt het Dasein in de ont-verrende beweging die het maakt in de confrontatie met het ‘falende’ constituent korter bij het besef van het eigen verstaan van het zijn, dat in de vertrouwde alledaagsheid zonder meer over het hoofd wordt gezien.

De grondgesteldheid van het Dasein is het in-de-wereld-zijn. De vraag naar het zijn stelt zich dus in het in-zijn, en kan niet worden geformuleerd vanuit een hypothetische van-zijn-vrijgemaakte instantie. Het Dasein kan niet buiten zijn om, om te komen tot de vraag naar zijn. Daarom kan zijn niet gevat worden in een definitie (zijn is zelfreferentieel). De vraag naar het zijn is belangrijker dan het antwoord. Het belang speelt zich af in het be-vragen, in hoe het zijn uit de verborgenheid oprijst en in welke zin het klaarheid schenkt aan het zijnsverstaan. In de deficiënte modi van terhandheid werpt zich dus de vraag op. Zij wordt pas dan gesteld wanneer de vertrouwde alledaagsheid van het in-de-wereld-zijn verstoord wordt. De schoonheid zit niet in de taalkundige correctheid maar in het opwerpen van wat doorgaans als incorrect wordt beschouwd. Die stellingname ligt aan de basis van de uit een ‘incorrecties’ bevattend werk sprekende esthetica.

Het ‘falende’ constituent behoeft geen correctie, en belichaamt tevens een zijnsmodus op zich. Daarom moet het als dusdanig opgenomen worden in de omzichtige omgang, en geduid binnen een ruimer tuiggeheel dat de vraag naar het zijn niet in de schaduw van de alledaagsheid dwingt: zich begeven in de hermeneutische cirkel vraagt een voortdurende herinterpretatie Het esthetische motief zit niet in het corrigeren dan wel in het confronteren en het uitnodigen tot de vraag. Het verschil in ervaring van de constituenten ‘ik word’ en ‘ik wordt’ is een voorbeeld van correctheid en incorrectheid. Een kritische lezer die wordt geconfronteerd met ‘ik wordt’ ziet een fout. Nog voor hij die bedenking maakt echter, is hij door het constituent attent gemaakt op de aanwezigheid van het constituent; hij is opgeschrokken van de tekst. De deficiëntie in de terhandheid plaatst het tuig –in dit geval de woordgroep– in evidentie, en heel even wordt het ervaren als een louter voorhanden iets. De ware deficiëntie is te herleiden tot een storing in de betrekkingssamenhang van het tuiggeheel.

‘ik’ heeft, afgezien van de inhoudelijke betekenis, een louter grammaticale verwijzingsfunctie in het tuiggeheel ‘ik + werkwoord’. Het verwijst als teken namelijk naar de vorm van het werkwoord in de constructie, in dit geval: ik + stam. De onverwachte aanwezigheid van de eind-t zorgt voor een relationeel conflict. Gezien ‘ik’ de richting van de relatie bepaalt, doch faalt binnen een vooraf bepaalde grammatica, is het juist de terhandheid van ‘ik’ die in het gedrang komt, en niet zozeer die van ‘wordt’. In de alledaagse omgang echter wordt ‘wordt’ als het deficiënte element opgevat, hoewel het echter enkel formeel fout is in relatie tot ‘ik’. Het eigenlijke corrigeren betreft dus niet het herstellen van de terhandheid van ‘wordt’, maar van de relatie tussen ‘ik’ en de werkwoordsvorm. De voorhandenheid van ‘wordt’ werpt zich heel even op in de onmiddellijke confrontatie met het constituent, maar verdwijnt snel weer naar de achtergrond omwille van de vertrouwde omgang met de onthandheid, met name het corrigeren. In die vertrouwde omgang is het allereerst tegemoet tredende de ervaring van een storing, het opschrikken, en vervolgens de detectie van een fout. Daarbij ligt de focus louter op het storende element ‘wordt’ en niet op de onderliggende deficiëntie van de betrekkingssamenhang, wegens de alledaagsheid van het ‘falende’ constituent. Zo treedt verwarring op tussen de werkelijke deficiëntie en de waarneembare storing die, als het ware be-smet, zelf de rol van het deficiënte element krijgt toebedeeld.

De confrontatie met ‘wordt’ op zich echter leidt niet tot het corrigeren, gezien het een grammaticaal en in de alledaagse vertrouwdheid correcte vorm van het werkwoord ‘worden’ is. Bij het alledaagse corrigeren is het de aanwezigheid van ‘ik’ die niettemin van belang is, echter niet in relatie tot dan wel in combinatie met. Enkel wanneer de vraag naar het waarom van de correctie expliciet wordt gesteld, komt de relatie aan het licht. De combinatie van ‘ik’ en ‘wordt’ hoeft evenwel bij het lezen van een tekst niet als dusdanig in het oog te springen. De lezer schrikt op bij het zien van ‘wordt’ omdat ‘ik’ er aan voorafgaat, maar dat wil niet meteen zeggen dat de combinatie op de voorgrond treedt, hoewel ze de aanleiding tot het detecteren van de fout vormt. Zo kan omwille van de vertrouwde omzichtige omgang (met het corrigeren) zelfs volledig voorbij worden gegaan aan de combinatie, en komt de focus geheel en al op ‘wordt’ te liggen. Daarbij wordt ‘wordt’ geïsoleerd en, beschouwd als een deficiënt tuig op zich, weer terhand gemaakt. Zowel de combinatie als de relatie blijven dan verborgen bij het corrigeren, wegens de alledaagsheid van de fout en haar correctie. En slechts even treedt ‘wordt’ als constituent uit de terhandheid in de voorhandenheid.

Tags
geen tags