Of/Of

In de blog: Tijd en zijn

De illusoire aard van ruimte en tijd.

§1. Ont-breken van symmetrie en dynamisch spiegelen

Als we doorgaan op de idee van unificatie komen we tot de bewering dat alles uiteindelijk af te leiden is –door middel van symmetriebreking– uit een opperste symmetrie. Je kunt ook de omgekeerde weg bewandelen, en stellen dat je om het even welke twee "begrippen” kunt unificeren door het ont-breken van de symmetrie. Om die symmetrie tussen de begrippen ten slotte naar voor te brengen, introduceer ik een instrument: het speculum oftewel de spiegel. In de spiegel zit de idee van unificatie per definitie vervat omdat het gespiegelde en zijn spiegelbeeld op elkaar zijn afgebeeld door middel van wat ik isomorfie noem.

De uiteindelijke premisse is dat om het even welke twee “begrippen” op die manier volledig op elkaar kunnen worden afgebeeld door ze op een weliswaar dynamische manier te spiegelen. De spiegelstructuur is door deze constructie zelf spiegelongevoelig of statisch. Het “niets” ten slotte wordt te allen tijde opgevat als een potentialiteit (een mogelijk zijn) –en is in die zin dus niet "niets" in de gangbare opvatting– en stelt als dusdanig een van de twee extreme posities voor die ten opzichte van de spiegel kunnen worden ingenomen (in dit geval loodrecht of orthogonaal); de andere extreme positie is de evenwijdige positie. Beide posities zijn echter speciale limietgevallen. In die limiet zit tevens de isomorfie vervat tussen het “niets” en de “spiegel” die zich, zoals verwacht, vertaalt in het feit dat de spiegel zichzelf niet kan spiegelen. Zowel het “niets” als de “spiegel” leggen de singulariteit uit.

§2. Identity shift

Je kunt stellen dat er twee manieren zijn om met tijd en ruimte om te gaan. Je kunt beide beschouwen als absoluut, met andere woorden als een achtergrond waartegen (of waarin) alles zich afspeelt. Dan kun je inderdaad niet rond de bewering dat tijd en ruimte telkens de principiële voorwaarden zijn van welke stelling dan ook. Nu kun je tijd en ruimte evengoed beschouwen als relatief, in die zin dat je ervan uitgaat dat er geen vooropgestelde achtergrond van tijd en ruimte bestaat.

In die veronderstelling, dien je natuurlijk nog steeds een verklaring te vinden voor het bestaan van tijd en ruimte. De verklaring die ik aanreik heeft vandoen met wat ik “identity shift” noem: identity shift leidt tot beweging. Die "beweging" is dus geen beweging in de tijd en door de ruimte. In tegendeel, het is dankzij deze speciale beweging dat tijd en ruimte kunnen (of zelfs moeten) bestaan. Het is ook niet zo dat deze beweging leidt tot één “interpretatie” van tijd en ruimte; ze zet de deur open voor letterlijk ontelbare invullingen, die evenwel alle volledig consistent zijn met elkaar. Wat is nu die vreemde beweging? De idee is dat in de waarneming van de werkelijkheid het voorbegrip van die werkelijkheid nooit volledig is uitgedrukt. De uitdrukking op zich is onvolledig omdat ze een context vereist die afbreuk doet aan haar voorbegrip. Het relatieve verschil nu tussen uitdrukking en voorbegrip (afasie genoemd) beschrijft de beweging die de aanleiding is tot het ontstaan van de begrippen tijd en ruimte. Ik argumenteer bovendien dat er steeds een minimumverschil dient te bestaan tussen uitdrukking en voorbegrip. Dat minimumverschil wordt aangeduid met de term conceptueel Differenz.

§3. De “of”-associatie

Vragen naar het ontstaan van de "beweging" is gezien het opzet van de constructie een holle vraag omdat ze impliceert dat er tijd (en ruimte) nodig is om de beweging in gang te zetten. En nu ging ik er net van uit dat de beweging ten grondslag ligt aan tijd en ruimte, en niet omgekeerd. Ik begrijp echter heel goed waarom de vraag naar het ontstaan van de beweging zich stelt: omdat we eenvoudigweg op geen enkele manier tijd en ruimte volledig kunnen wegdenken; alles wat we denken en doen is namelijk geformuleerd in tijd en ruimte. Om de beweging min of meer te vatten, moet je dus proberen tijd en ruimte voldoende te abstraheren. Een manier om dat te doen is vertrekken vanuit een analogie.

Stel je een getekende kubus voor (met twaalf volle ribben). Nu kun je die kubus op twee mogelijke manieren zien, door het voorste en achterste vlak van rol te laten wisselen. Er zit bovendien geen hiërarchie in, omdat niet gespecificeerd is welk van de twee vlakken het eigenlijke voorvlak is. Laten we zeggen dat de kubus twee evenwaardige identiteiten in zich draagt. De getekende kubus verandert niet, en toch kunnen we hem, ondanks een goed voorbegrip, niet in één oogopslag zien als "zus en zo", doch telkens als "zus of zo" (in de uitdrukking gaat dus telkens een deel van het voorbegrip verloren).

Het is die “of” die we met tijd en ruimte associëren: met ruimte omdat elk van beide identiteiten een andere oriëntatie bezit (die hen ruimtelijk onderscheidt), met tijd omdat we beide identiteiten niet tegelijk kunnen zien (wat hen in de tijd onderscheidt). Nu kan je natuurlijk nog steeds opwerpen dat het juist tijd en ruimte zijn die als absolute voorwaarden dienen voor het identificeren van beide identiteiten van de kubus. Je kan vanuit dat standpunt ook aanvoeren dat de identiteiten niet noodzakelijk hiërarchisch evenwaardig zijn omdat de waarnemer eigenlijk bepaalt welke van de twee hij of zij wil zien en voor hoe lang; de waarnemer kan met andere woorden langer naar de ene identiteit kijken dan naar de andere en zo het “evenwicht” verstoren. Met andere woorden, je kan het zwaartepunt van het verhaal verleggen van de kubus naar de waarnemer en zo een andere pointe of interpretatie verkrijgen. Maar wacht eens even, nu lijkt ons idee om het “zwaartepunt te verleggen” wel heel sterk op het verwisselen van voor- en achtervlak bij onze oorspronkelijke kubus: beide interpretaties van het verhaal (het zwaartepunt bij de kubus of het zwaartepunt bij de waarnemer) zijn opnieuw hiërarchisch equivalent en leveren opnieuw een “of” op die met tijd en ruimte (of algemener een metriek) kan worden geassocieerd.

Deze redenering zouden we -in theorie- tot in het oneindige kunnen verder zetten, vooropgesteld dat we mordicus willen blijven zoeken naar een veronderstelde reden voor een plots opduikende hiërarchie die de ene identiteit boven de andere stelt. In dat geval kan je dus gerust uitgaan van het idee van een absolute tijd en ruimte als voorwaarde (Eerste model). De redenering hoeft evenwel niet tot in het oneindige verder gezet te worden, mits we er in ons model van uitgaan dat er geen reden is om de ene identiteit boven de andere te stellen (wat ons wordt ingegeven door de eerste paar stappen die hierboven zijn uitgeschreven). In dat geval kun je tijd en ruimte niet langer beschouwen als de voorwaarden voor onze redenering, maar enkel als een “of”-associatie (Tweede model).

Ja maar, wacht eens heel even, zijn de twee zonet beschreven modellen niet hiërarchisch equivalent, wat bovendien een nogal vreemde paradox met zich zou meebrengen: de stelling dat “tijd en ruimte zijn voorwaarden” over heel de lijn evenwaardig is met “tijd en ruimte zijn geen voorwaarden”? Nu doet deze paradox zich enkel en alleen voor omdat we niet in staat zijn tijd en ruimte volledig weg te denken (nogmaals: in de ui-drukking gaat een deel van het voorbegrip verloren).

We hebben onze keuze voor het ene of het andere model namelijk in beide gevallen gemotiveerd met een "reden", ook in het niet-hiërarchische geval! De ingeving dat er "geen reden" is om de ene identiteit boven de andere te stellen, is namelijk zelf een reden! De paradox kan maar worden vermeden door de waarnemer zelf te laten opgaan in een niet-hiërarchisch “construct” van volledig evenwaardige identiteiten (noot: dit is dé kernidee, laat dit dus heel goed bezinken).

Het is die laatste motivatie, het wegwerken van de paradox, die me ertoe heeft aangezet (uiteraard met het volle besef dat ik zelf niet onder het juk van tijd en ruim-te uit raak) te opteren voor een model waarin tijd en ruimte beschouwd worden als “bijproducten” van een volkomen niet-hiërarchisch geheel. De beweging die nu niet langer “ontstaat”, maar "is", ontmaskeren we als de “of”-associatie (ook wel het conceptueel Differenz), die ten grondslag ligt aan de perceptie van tijdruimtelijkheid.

Tags
geen tags