Of/Of

In de blog: Tijd en zijn reacties: 18 pdf print

De illusoire aard van ruimte en tijd.

§1. Ont-breken van symmetrie en dynamisch spiegelen

Als we doorgaan op de idee van unificatie komen we tot de bewering dat alles uiteindelijk af te leiden is –door middel van symmetriebreking– uit een opperste symmetrie. Je kunt ook de omgekeerde weg bewandelen, en stellen dat je om het even welke twee "begrippen” kunt unificeren door het ont-breken van de symmetrie. Om die symmetrie tussen de begrippen ten slotte naar voor te brengen, introduceer ik een instrument: het speculum oftewel de spiegel. In de spiegel zit de idee van unificatie per definitie vervat omdat het gespiegelde en zijn spiegelbeeld op elkaar zijn afgebeeld door middel van wat ik isomorfie noem.

De uiteindelijke premisse is dat om het even welke twee “begrippen” op die manier volledig op elkaar kunnen worden afgebeeld door ze op een weliswaar dynamische manier te spiegelen. De spiegelstructuur is door deze constructie zelf spiegelongevoelig of statisch. Het “niets” ten slotte wordt te allen tijde opgevat als een potentialiteit (een mogelijk zijn) –en is in die zin dus niet "niets" in de gangbare opvatting– en stelt als dusdanig een van de twee extreme posities voor die ten opzichte van de spiegel kunnen worden ingenomen (in dit geval loodrecht of orthogonaal); de andere extreme positie is de evenwijdige positie. Beide posities zijn echter speciale limietgevallen. In die limiet zit tevens de isomorfie vervat tussen het “niets” en de “spiegel” die zich, zoals verwacht, vertaalt in het feit dat de spiegel zichzelf niet kan spiegelen. Zowel het “niets” als de “spiegel” leggen de singulariteit uit.

§2. Identity shift

Je kunt stellen dat er twee manieren zijn om met tijd en ruimte om te gaan. Je kunt beide beschouwen als absoluut, met andere woorden als een achtergrond waartegen (of waarin) alles zich afspeelt. Dan kun je inderdaad niet rond de bewering dat tijd en ruimte telkens de principiële voorwaarden zijn van welke stelling dan ook. Nu kun je tijd en ruimte evengoed beschouwen als relatief, in die zin dat je ervan uitgaat dat er geen vooropgestelde achtergrond van tijd en ruimte bestaat.

In die veronderstelling, dien je natuurlijk nog steeds een verklaring te vinden voor het bestaan van tijd en ruimte. De verklaring die ik aanreik heeft vandoen met wat ik “identity shift” noem: identity shift leidt tot beweging. Die "beweging" is dus geen beweging in de tijd en door de ruimte. In tegendeel, het is dankzij deze speciale beweging dat tijd en ruimte kunnen (of zelfs moeten) bestaan. Het is ook niet zo dat deze beweging leidt tot één “interpretatie” van tijd en ruimte; ze zet de deur open voor letterlijk ontelbare invullingen, die evenwel alle volledig consistent zijn met elkaar. Wat is nu die vreemde beweging? De idee is dat in de waarneming van de werkelijkheid het voorbegrip van die werkelijkheid nooit volledig is uitgedrukt. De uitdrukking op zich is onvolledig omdat ze een context vereist die afbreuk doet aan haar voorbegrip. Het relatieve verschil nu tussen uitdrukking en voorbegrip (afasie genoemd) beschrijft de beweging die de aanleiding is tot het ontstaan van de begrippen tijd en ruimte. Ik argumenteer bovendien dat er steeds een minimumverschil dient te bestaan tussen uitdrukking en voorbegrip. Dat minimumverschil wordt aangeduid met de term conceptueel Differenz.

§3. De “of”-associatie

Vragen naar het ontstaan van de "beweging" is gezien het opzet van de constructie een holle vraag omdat ze impliceert dat er tijd (en ruimte) nodig is om de beweging in gang te zetten. En nu ging ik er net van uit dat de beweging ten grondslag ligt aan tijd en ruimte, en niet omgekeerd. Ik begrijp echter heel goed waarom de vraag naar het ontstaan van de beweging zich stelt: omdat we eenvoudigweg op geen enkele manier tijd en ruimte volledig kunnen wegdenken; alles wat we denken en doen is namelijk geformuleerd in tijd en ruimte. Om de beweging min of meer te vatten, moet je dus proberen tijd en ruimte voldoende te abstraheren. Een manier om dat te doen is vertrekken vanuit een analogie.

Stel je een getekende kubus voor (met twaalf volle ribben). Nu kun je die kubus op twee mogelijke manieren zien, door het voorste en achterste vlak van rol te laten wisselen. Er zit bovendien geen hiërarchie in, omdat niet gespecificeerd is welk van de twee vlakken het eigenlijke voorvlak is. Laten we zeggen dat de kubus twee evenwaardige identiteiten in zich draagt. De getekende kubus verandert niet, en toch kunnen we hem, ondanks een goed voorbegrip, niet in één oogopslag zien als "zus en zo", doch telkens als "zus of zo" (in de uitdrukking gaat dus telkens een deel van het voorbegrip verloren).

Het is die “of” die we met tijd en ruimte associëren: met ruimte omdat elk van beide identiteiten een andere oriëntatie bezit (die hen ruimtelijk onderscheidt), met tijd omdat we beide identiteiten niet tegelijk kunnen zien (wat hen in de tijd onderscheidt). Nu kan je natuurlijk nog steeds opwerpen dat het juist tijd en ruimte zijn die als absolute voorwaarden dienen voor het identificeren van beide identiteiten van de kubus. Je kan vanuit dat standpunt ook aanvoeren dat de identiteiten niet noodzakelijk hiërarchisch evenwaardig zijn omdat de waarnemer eigenlijk bepaalt welke van de twee hij of zij wil zien en voor hoe lang; de waarnemer kan met andere woorden langer naar de ene identiteit kijken dan naar de andere en zo het “evenwicht” verstoren. Met andere woorden, je kan het zwaartepunt van het verhaal verleggen van de kubus naar de waarnemer en zo een andere pointe of interpretatie verkrijgen. Maar wacht eens even, nu lijkt ons idee om het “zwaartepunt te verleggen” wel heel sterk op het verwisselen van voor- en achtervlak bij onze oorspronkelijke kubus: beide interpretaties van het verhaal (het zwaartepunt bij de kubus of het zwaartepunt bij de waarnemer) zijn opnieuw hiërarchisch equivalent en leveren opnieuw een “of” op die met tijd en ruimte (of algemener een metriek) kan worden geassocieerd.

Deze redenering zouden we -in theorie- tot in het oneindige kunnen verder zetten, vooropgesteld dat we mordicus willen blijven zoeken naar een veronderstelde reden voor een plots opduikende hiërarchie die de ene identiteit boven de andere stelt. In dat geval kan je dus gerust uitgaan van het idee van een absolute tijd en ruimte als voorwaarde (Eerste model). De redenering hoeft evenwel niet tot in het oneindige verder gezet te worden, mits we er in ons model van uitgaan dat er geen reden is om de ene identiteit boven de andere te stellen (wat ons wordt ingegeven door de eerste paar stappen die hierboven zijn uitgeschreven). In dat geval kun je tijd en ruimte niet langer beschouwen als de voorwaarden voor onze redenering, maar enkel als een “of”-associatie (Tweede model).

Ja maar, wacht eens heel even, zijn de twee zonet beschreven modellen niet hiërarchisch equivalent, wat bovendien een nogal vreemde paradox met zich zou meebrengen: de stelling dat “tijd en ruimte zijn voorwaarden” over heel de lijn evenwaardig is met “tijd en ruimte zijn geen voorwaarden”? Nu doet deze paradox zich enkel en alleen voor omdat we niet in staat zijn tijd en ruimte volledig weg te denken (nogmaals: in de ui-drukking gaat een deel van het voorbegrip verloren).

We hebben onze keuze voor het ene of het andere model namelijk in beide gevallen gemotiveerd met een "reden", ook in het niet-hiërarchische geval! De ingeving dat er "geen reden" is om de ene identiteit boven de andere te stellen, is namelijk zelf een reden! De paradox kan maar worden vermeden door de waarnemer zelf te laten opgaan in een niet-hiërarchisch “construct” van volledig evenwaardige identiteiten (noot: dit is dé kernidee, laat dit dus heel goed bezinken).

Het is die laatste motivatie, het wegwerken van de paradox, die me ertoe heeft aangezet (uiteraard met het volle besef dat ik zelf niet onder het juk van tijd en ruim-te uit raak) te opteren voor een model waarin tijd en ruimte beschouwd worden als “bijproducten” van een volkomen niet-hiërarchisch geheel. De beweging die nu niet langer “ontstaat”, maar "is", ontmaskeren we als de “of”-associatie (ook wel het conceptueel Differenz), die ten grondslag ligt aan de perceptie van tijdruimtelijkheid.


Tags
geen tags

Reacties (18)

   

“De illusoire aard van ruimte en tijd.”

Mooie tekst Armeniers!

Laat me telkens je tekst willekeurig ingekort citeren met rechte haakjes zodat je weet waarop ik even inga. Het citeren legt evenwel geen nadruk op iets speciaals.

[§1. Ont-breken van symmetrie en dynamisch spiegelen
Als we (…) wat ik isomorfie noem.]
Blijf je dan binnen dualiteit?
[De uiteindelijke premisse (…) leggen de singulariteit uit.]
Legt jouw singulariteit zich uit binnen een gesloten duale ruimte – spiegel en spiegelbeeld? We blijven toch binnen ‘denken’ met je uitleg, geen kosmologie hoop ik?
[§2. Identity shift
Je kunt stellen (…) en ruimte bestaat.]
Ging je nu wel over naar kosmologie? Zo ja, wat brengt dat bij, of wat zet het scherper?
[In die veronderstelling (…) die "beweging" is (…) of zelfs moeten) bestaan.]
Je denkt zoals sommige Franse differentiedenkers. Bij Gilles Deleuze heet dit het Immanentievlak.
[Het is ook niet (…) ie vreemde beweging?]
Bij Gilles Deleuze heet dit het consistentieveld.
[De idee is dat in de waarneming van de werkelijkheid het voorbegrip van die werkelijkheid nooit volledig is uitgedrukt. De uitdrukking op zich is onvolledig omdat ze een context vereist die afbreuk doet aan haar voorbegrip.]
Hegel zal zeggen dat pas IN de uitdrukking iets als ‘voorbegrip' ontstaat, niet andersom! Niet eerst een voorbegrip en vervolgens de uitdrukking. Het ‘voorbegrip van die werkelijkheid’ wordt geïnstalleerd of geponeerd. Voor Hegel doet de ‘uitdrukking’ geen afbreuk aan haar ‘voorbegrip’ omdat deze pas met de uitdrukking ontstaat. (Hegel evenwel zoals gelezen door Zizek.)
[§3. De “of”-associatie
Vragen naar het ontstaan van de "beweging" (…) en niet omgekeerd.]
Inderdaad, differentie als krachtbron.
[Ik begrijp echter heel goed (…) dus telkens een deel van het voorbegrip verloren.]
Armeniers, mij lijkt het dat het boeiendste denken niet uitgaat van verlies maar van ontstaan. Het gaat er niet om een verloren ‘weten’ terug te ontdekken of opnieuw erbij aan te sluiten. (Dit laatste kenmerkt spiritualiteit, New Age en het Oosterse denken en dat scheidt het van filosofie, niet?)
[Het is die “of” die (…) of interpretatie verkrijgen.]
Dit gebeurt volgens Deleuze in het organisatievlak.
[Maar wacht eens even (…) die de ene identiteit boven de andere stelt.]
De keuze! Die evenwel geen reden boven een andere geeft om de ene identiteit boven de andere te stellen.
[In dat geval kan je dus gerust (…) (noot: dit is dé kernidee, laat dit dus heel goed bezinken).]
Inderdaad.
[Het is die laatste motivatie (…) die ten grondslag ligt aan de perceptie van tijdruimtelijkheid.]
Ik volg je. Geraak je nu ‘uit de paradox’ of blijf je de paradox aanvaardend doordenken? Het laatste is volgens mij het belangrijkste.

Mooie gedachtegang. Vergeet niet dat andere filosofen ook op dat spoor zitten.

   

Ursula,

"[§1. Ont-breken van symmetrie en dynamisch spiegelen
Als we (…) wat ik isomorfie noem.]

Blijf je dan binnen dualiteit?"

Dit is iets dat me telkens weer opvalt, hoe de meesten die iets van me lezen die dualiteit ter sprake brengen. Hoogstens is er een schijnbare dualiteit, dat wel. Om het even heel scherp te stellen: alle dualiteit is in wezen interpretatief/contextueel en nodigt uit tot het herver-enig-en door middel van (onophoudelijke) her-interpretatie (mogelijks zelfs op te vatten als de drijfveer van ons bestaan, denk hierbij ook aan Schopenhauers “wil”.). De benodigde her-interpretatie kan ook worden gelezen als het ophelderen van een conflict door middel van de gepaste “betrekkelijke vertaling”.

"[De uiteindelijke premisse (…) leggen de singulariteit uit.]
Legt jouw singulariteit zich uit binnen een gesloten duale ruimte – spiegel en spiegelbeeld? We blijven toch binnen ‘denken’ met je uitleg, geen kosmologie hoop ik?"

Lees dit citaat opnieuw met wat ik zonet schreef in gedachten en het wordt klaar. De singulariteit kun je hier in deze specifieke context enerzijds zien als Heideggers “Sein”, maar ook –en later niet onbelangrijk- als Spinoza’s notie van “Substantie”. Bovendien hoeft de redenering inderdaad niet beperkt te blijven tot “denken” an sich, maar mag ze –mijns inziens- worden doorgetrokken naar de kosmologie. Daarover handelt ook een groot deel van mijn werk (al wordt het daar een pak wiskundiger, dat kun je je voorstellen). Daarom vind ik het ook leuk dat je met de term “duale ruimte” komt aanzetten. Binnen de wiskunde is dit een term voor een bepaald mathematisch construct, dat ik bovendien heel wat verderop in de theorie ook aanwend.

"[§2. Identity shift
Je kunt stellen (…) en ruimte bestaat.]
Ging je nu wel over naar kosmologie? Zo ja, wat brengt dat bij, of wat zet het scherper?"

Ja, dit is –voor wie min of meer vertrouwd is met die materie- een openlijke verwijzing naar het ondertussen nog steeds aanslepende conflict tussen de kwantummechanica (achtergrond) en de relativiteitstheorie (geen achtergrond), in recentere tijden gepromoveerd tot de immens boeiende patstelling tussen enerzijds de snaartheorie en loop quantum gravity anderzijds. Wat brengt dit bij? Wat stelt dit scherper? Hiermee wordt gesuggereerd dat ook de universele geldigheidsgedachte die nog steeds prevaleert in de wis- en natuurkunde eveneens het onderwerp van een genuanceerde deconstructie kan zijn, waaruit een onafwendbare contextualiteit zou kunnen blijken die eventueel middels een meta-mathematische vertaling, het aangehaalde conflict weet op te lossen.

"[In die veronderstelling (…) die "beweging" is (…) of zelfs moeten) bestaan.]
Je denkt zoals sommige Franse differentiedenkers. Bij Gilles Deleuze heet dit het Immanentievlak.
[Het is ook niet (…) ie vreemde beweging?]
Bij Gilles Deleuze heet dit het consistentieveld."

Ik vermoed inderdaad dat Deleuze bij momenten aan dezelfde vraagstukken sleutelt als ik. De uitwerking verschilt evenwel. Waar Deleuze –onmiskenbaar een linkse denker- eerder een sociaal-maatschappelijk discours onderbouwt, werk ik toe naar een mathematisch-filosofisch construct. Het ene sluit het andere uiteraard niet uit, maar de accenten liggen elders.

"[De idee is dat in de waarneming van de werkelijkheid het voorbegrip van die werkelijkheid nooit volledig is uitgedrukt. De uitdrukking op zich is onvolledig omdat ze een context vereist die afbreuk doet aan haar voorbegrip.]
Hegel zal zeggen dat pas IN de uitdrukking iets als ‘voorbegrip' ontstaat, niet andersom! Niet eerst een voorbegrip en vervolgens de uitdrukking. Het ‘voorbegrip van die werkelijkheid’ wordt geïnstalleerd of geponeerd. Voor Hegel doet de ‘uitdrukking’ geen afbreuk aan haar ‘voorbegrip’ omdat deze pas met de uitdrukking ontstaat. (Hegel evenwel zoals gelezen door Zizek.)"

Wat ik stel, leeft niet noodzakelijk in onmin met wat Hegel poneert. Wanneer ik het heb over het begrip “uitdrukking” dan valt de notie van een “voorbegrip” daar eveneens –per definitie- onder. Ja, de “uitdrukking” van de “notie” van het voorbegrip vindt inderdaad plaats op het moment van de expressie an sich. Omdat we te maken hebben met een op (her)interpretatie gebaseerde gedachtegang, dringt zich namelijk een iteratieve structuur op, waarbij de “uitkomst” (of uitdrukking) de initiële variabele (of voorbegrip) herneemt (herinterpretatie). Schematisch: “v = u”, waarbij “u = f(v)” (f opereert op het voorbegrip om te komen tot een (nieuwe) uitdrukking, vb. “f(v) = v+1”). In dit verhaal is “v=u” eveneens een uitdrukking op zich, geheel in overeenstemming met wat Hegel zegt. Er zijn geen “eerst”en en “vervolgens” en die de theorie binnensluipen om er een hiërarchisch karakter aan te geven. Ze werpen zich evenwel wel op als “modale” termen, waarmee men zeer behoedzaam dient om te springen.

"[§3. De “of”-associatie
Vragen naar het ontstaan van de "beweging" (…) en niet omgekeerd.]
Inderdaad, differentie als krachtbron.
[Ik begrijp echter heel goed (…) dus telkens een deel van het voorbegrip verloren.]
Armeniers, mij lijkt het dat het boeiendste denken niet uitgaat van verlies maar van ontstaan. Het gaat er niet om een verloren ‘weten’ terug te ontdekken of opnieuw erbij aan te sluiten. (Dit laatste kenmerkt spiritualiteit, New Age en het Oosterse denken en dat scheidt het van filosofie, niet?)"

Het opnieuw ontdekken van wat is verloren gegaan, stoelt helemaal niet op een negatieve gedachte. Je kunt het ook zien als het opnieuw ontwaren van het bos door de bomen of het vinden van die ene prachtige eik in een uithoek van het dichtbegroeide woud. Alles is en blijft op elk moment aanwezig, maar wordt geobfusceerd door modale aannames. Herinterpretatie met “differentie als krachtbron” komt op een bepaalde manier overeen met het licht aansteken zodat de oplossing (van wat dan ook) klaar wordt. Dat is een opbouwende gedachte, gestoeld op verwondering.

"[Het is die “of” die (…) of interpretatie verkrijgen.]
Dit gebeurt volgens Deleuze in het organisatievlak.
[Maar wacht eens even (…) die de ene identiteit boven de andere stelt.]
De keuze! Die evenwel geen reden boven een andere geeft om de ene identiteit boven de andere te stellen.
[In dat geval kan je dus gerust (…) (noot: dit is dé kernidee, laat dit dus heel goed bezinken).]
Inderdaad.
[Het is die laatste motivatie (…) die ten grondslag ligt aan de perceptie van tijdruimtelijkheid.]
Ik volg je. Geraak je nu ‘uit de paradox’ of blijf je de paradox aanvaardend doordenken? Het laatste is volgens mij het belangrijkste."

Het houdt nooit op wanneer de hermeneutische cirkel een spiraal blijkt.

   

Hartelijk dank voor het uitvoerige antwoord.

Jij omvat alles een beetje breder want die verwijzing naar kosmologie vermijd ik, dat wordt me te speculatief. Ik blijf liever, maar jij ook zie ik, binnen de contouren van filosofie.

Ik zie dat je wiskundige formuleringen gebruikt. Heb je Badiou opgezocht die het 'zijn' als multipliciteiten of het 'zijnde van het zijn' wiskundig onderbouwt in Logics of Worlds? Laat maar eens weten.
Groeten.

   

Ursula,

Ik heb Badiou eens opgezocht en diagonaal wat over hem gelezen. Veel dieper ben ik er nog niet op ingegaan. Wel is het zo dat ik zelf sinds jaar en dag alfa met beta tracht te verzoenen en me onderweg ook meermaals heb bediend van wiskundig formalisme.

   

Als ik het goed begrijp is de beweging het deeltje (dat zich in ruimte-tijd manifesteert) en is er niet een deeltje dat beweegt. Hoe zou je dan "energie" zien? Als potentiële beweging?

   

Energie zou je kunnen opvatten als een zekere actualisering van de "beweging-als-potentialiteit". Energie "is" geen potentiële beweging, maar de "beweging-als-potentialiteit" kan "bestaan" als energie. Voor wie hier een _causa finalis_ of doeloorzaak in wil zien, past uitgerekend de term energie mooi binnen een Aristotelische entelechie.

Dezelfde redenering geldt voor het deeltje. Er "is" geen bewegend deeltje, maar een beweging (of conceptueel Differenz) dat de deur openzet voor wat we percipiëren als een "tijdruimtelijk deeltje".

   

Dat zet dan toch de deur open naar zijn als perceptie, of niet?
Hoe kan de inhoud: beweging-als-potentie gedacht worden een vorm te hebben?

   

Of is de vorm/inhoud indeling een dualiteit?

   

Zowel "inhoud" als "vorm" zijn modale termen (zij leggen het "zijn" als het ware -attribueel- uit binnen een bestaande context) en zijn als dusdanig niet van toepassing op het "zijn" zelf. Met andere woorden de "beweging-als-potentialiteit" kan je niet zien als de "inhoud van het zijn", maar als de motivator (bij gebrek aan een betere term) om tot de begrippen "inhoud" en "vorm" te komen.

Bovendien sluipt er ook hier geen dualiteit binnen: de schijnbare tweedeling "vorm/inhoud" kan worden opgeheven door de act van interpretatie die al naargelang een voorhanden context bepalend is voor het al dan niet spreken van vorm dan wel inhoud. Beide begrippen zijn bij voorbaat diffuus en allesbehalve vastomlijnd. Persoonlijk zie ik wat we gangbaar verstaan onder "inhoud" louter als de manifestatie van een hier niet nader bepaalde "vorm".

"Zijn als perceptie". Ja, daar kan ik me in vinden. Berkeley’s devies "Esse est percipi" wil ik wel opvatten als: het zijn (der dingen) *bestaat* alleen in hun waargenomen worden.

   

[In die veronderstelling, dien je natuurlijk nog steeds een verklaring te vinden voor het bestaan van tijd en ruimte. De verklaring die ik aanreik heeft vandoen met wat ik “identity shift” noem: identity shift leidt tot beweging. Die "beweging" is dus geen beweging in de tijd en door de ruimte. In tegendeel, het is dankzij deze speciale beweging dat tijd en ruimte kunnen (of zelfs moeten) bestaan. Het is ook niet zo dat deze beweging leidt tot één “interpretatie” van tijd en ruimte; ze zet de deur open voor letterlijk ontelbare invullingen, die evenwel alle volledig consistent zijn met elkaar. Wat is nu die vreemde beweging? De idee is dat in de waarneming van de werkelijkheid het voorbegrip van die werkelijkheid nooit volledig is uitgedrukt. De uitdrukking op zich is onvolledig omdat ze een context vereist die afbreuk doet aan haar voorbegrip. Het relatieve verschil nu tussen uitdrukking en voorbegrip (afasie genoemd) beschrijft de beweging die de aanleiding is tot het ontstaan van de begrippen tijd en ruimte. Ik argumenteer bovendien dat er steeds een minimumverschil dient te bestaan tussen uitdrukking en voorbegrip. Dat minimumverschil wordt aangeduid met de term conceptueel Differenz.]

Areniers,
Laat me Spinoza en differentie eens samenbrengen. Kan jij deze gedachtegang volgen en inpassen in jouw visie?

Jouw “identity shift” leidt tot beweging. Die "beweging" is dus geen beweging in de tijd en door de ruimte maar het is dankzij deze speciale beweging dat tijd en ruimte kunnen bestaan.”

Kijk hoe Spinoza die “beweging” in het ervaren en denken laat ontstaan.
Zie Ethica 2, 29 - Opmerking:
“Ik zeg uitdrukkelijk dat de Geest noch van zichzelf, noch van zijn lichaam, noch van externe lichamen een adequate kennis heeft, maar slechts een confuse, telkens wanneer het een zaak vanuit de algemene orde van de natuur kent, i.e. telkens wanneer het van buiten uit, namelijk vanuit het toevallig voorvallen van zaken gedetermineerd wordt om een of ander te beschouwen”
Dit ‘een of ander te beschouwen’ is volledig gevat binnen het particuliere, om het met Deleuze te omschrijven. Of, Spinozistisch, het extrinsieke denken als overeenkomst tussen idee en ‘object in de wereld’ als niet-adequate kennis in wat Spinoza het ‘eerste weten’ noemt. (Het ‘van buiten uit’ = zintuiglijkheid of affectiones.)

Nu gebeurt in deze passage de overgang naar het ‘tweede weten’ via het ‘innerlijke’.

“en niet telkens wanneer het van binnenuit, namelijk dat het veel zaken tegelijkertijd in overweging neemt, gedetermineerd wordt om hun overeenkomsten, verschillen en weerstanden te begrijpen. Telkens wanneer het zich immers op deze of een andere manier innerlijk er toe wordt gedreven, beschouwt het een zaak helder en distinctief, zoals ik hieronder zal aantonen.”
Het ‘veel zaken tegelijk’ in ‘overweging’ nemen gebeurt op deels pre-bewuste innerlijke wijze. Het ‘overwegen’ is een gebeuren in bewegen dat daarin een voor en achter, een boven en onder initieert. (Areniers, dit is jouw tijd en ruimte.) Deze initiatie via ‘overeenkomsten en verschillen’ (differentie!!) brengt nog eens via ‘weerstanden begrijpen’ een kennis van ‘jezelf’. Dit alles creëert iemands subjectpositie als een ‘Reëel adequaat zelf’ waarrond een ‘Imaginair niet adequaat je-zelf’ draait. Het ‘Reële zelf’ beschouwt een zaak helder en distinctief!

Bij Spinoza leidt deze hele beweging, niet in eerste opzet, tot een kennis of interpretatie van tijd en ruimte maar Intuïtieve kennis van je subjectverhouding met ‘de dingen’. Dit is wat Spinoza het ‘derde weten’ noemt.

[Wat is nu die vreemde beweging? De idee is dat in de waarneming van de werkelijkheid het voorbegrip van die werkelijkheid nooit volledig is uitgedrukt.]
Dit ‘voorbegrip’ kan bij Spinoza gelezen worden als ‘substantie’ én als iemands subjectpositie in de Geest. Beter nog, Geest bij Spinoza is gelijk aan ‘subjectpositie’. Daarom is Spinoza zo geliefd bij menig Frans differentiedenker! (Het is een prachtig levendig houden van een ‘oude filosoof’!)

[De uitdrukking op zich is onvolledig omdat ze een context vereist die afbreuk doet aan haar voorbegrip. Het relatieve verschil nu tussen uitdrukking en voorbegrip (afasie genoemd) beschrijft de beweging die de aanleiding is tot het ontstaan van de begrippen tijd en ruimte.]
De ‘uitdrukking’ is niet-adequaat (onvolledig) omdat zij in het Imaginiare (de afbreukmakende context) afbreuk doet een het voorbegrip (het adequate!).

Areniers, jij gebruikt het woord ‘afasie’ en dat betekent taalstoornis. Zie jij het ‘relatieve verschil’ als taalstoornis?

(Het woord ‘Imaginair’ doorheen mijn tekst moet letterlijk in de Lacaniaanse context begrepen worden.)

Wat denk je, herken je hierin jouw denken?

   

Enkele aanvullingen:
["Zijn als perceptie". Ja, daar kan ik me in vinden. Berkeley’s devies "Esse est percipi" wil ik wel opvatten als: het zijn (der dingen) *bestaat* alleen in hun waargenomen worden.]

Dan toch alleen “in hun waargenomen worden” binnen en door begrippen, in het filosofisch denken. Filosofisch denken is dan ‘de idee van de idee’, en niet ‘de idee van de visualiteit’ van zintuiglijke waarneming.
Het eerste heeft een intrinsieke coherentie in de idee zelf, het tweede een extrinsieke coherentie in overeenkomst tussen uitspraak en ‘ding’. In verband met het laatste denk ik dat neurobiologie filosofie niets bijbrengt omdat zij de positie van het subject niet kan duiden. Het filosofisch subject en haar subject-positie heeft een logische functie, geen biologische! Hersenen daarentegen hebben een fysische functie.

Over afasie. “Het relatieve verschil nu tussen uitdrukking en voorbegrip (afasie genoemd).”
Zie jij dit als de breuk tussen taal en werkelijkheid zoals Nietzsche dat uitwerkt in zijn jeugdtekst ‘Over waarheid en leugen in buiten moralische zin’?

[De singulariteit kun je hier in deze specifieke context enerzijds zien als Heideggers “Sein”, maar ook –en later niet onbelangrijk- als Spinoza’s notie van “Substantie”.]
Badiou verbindt Spinoza’s substantie met wat er doorbreekt in een Event. Een Event is de glans die een singulariteit laat verschijnen in, wat hij omschrijft als, ‘de verschijning van de verschijning’. Een zijnde van het zijn wordt singulariteit! En het trouw zijn aan het spoor van die ‘Glans’ creëert het subject, of in Badiou’s woorden, een subjectlichaam.

   

Ursula,

Zo, eindelijk een antwoord.

“Zie Ethica 2,29 – Opmerking:
“Ik zeg uitdrukkelijk dat de Geest noch van zichzelf, noch van zijn lichaam, noch van externe lichamen een adequate kennis heeft, maar slechts een confuse, telkens wanneer het een zaak vanuit de algemene orde van de natuur kent, i.e. telkens wanneer het van buiten uit, namelijk vanuit het toevallig voorvallen van zaken gedetermineerd wordt om een of ander te beschouwen””

Hier zou je inderdaad een parallel kunnen zien met de notie van “het voorbegrip dat verloren gaat in de uitdrukking” en daardoor “confuus” wordt.

(...)

“Dit alles creëert iemands subjectpositie als een ‘Reëel adequaat zelf’ waarrond een ‘Imaginair niet adequaat je-zelf’ draait. Het ‘Reële zelf’ beschouwt een zaak helder en distinctief!
Bij Spinoza leidt deze hele beweging, niet in eerste opzet, tot een kennis of interpretatie van tijd en ruimte maar Intuïtieve kennis van je subjectverhouding met ‘de dingen’. Dit is wat Spinoza het ‘derde weten’ noemt.”

Die “subjectverhouding met de dingen” komt eveneens terug in mijn werk, maar dan contextueel. Hiermee bedoel ik dat het uiteindelijk een context is die bepalend is voor het zich manifesteren van het “zijn” als een “subject” of “object”. Het ene kan overgaan in het andere (een dynamiek in gang gezet door de “beweging”). Een “subject” als waarnemende entiteit kan met de term “ik” worden aangeduid, waarmee naar het consistent “beleefde” element wordt verwezen van wat in se een “gedecentraliseerd subject” is. Dit zou je met wat goede wil kunnen linken aan het “reële en imaginaire zelf”, hoewel er wellicht een boel nuanceringen en voorwaarden komen bij kijken.

“[Wat is nu die vreemde beweging? De idee is dat in de waarneming van de werkelijkheid het voorbegrip van die werkelijkheid nooit volledig is uitgedrukt.]”
Dit ‘voorbegrip’ kan bij Spinoza gelezen worden als ‘substantie’ én als iemands subjectpositie in de Geest. Beter nog, Geest bij Spinoza is gelijk aan ‘subjectpositie’. Daarom is Spinoza zo geliefd bij menig Frans differentiedenker! (Het is een prachtig levendig houden van een ‘oude filosoof’!)”

(...)

Het verband met Spinoza’s “substantie” kan je zeker leggen. Een tekstje dat hier wat dieper op ingaat volgt overigens nog. Het woord afasie gebruik ik letterlijk in de betekenis van “uit fase zijn”: het uit fase zijn van voorbegrip en uitdrukking. Dat afasie tevens een taalstoornis is, is natuurlijk mooi meegenomen. Om het even welke talige uitdrukking houdt een beperking in of nog, taal kan niet alles uitdrukken (en zo raken we ook weer aan Lacan). Taal –in zeer brede zin– kan volgens mij echter wel dienen als een mediator die de geest openstelt voor dat wat niet kan worden uitgedrukt.

“Enkele aanvullingen:
["Zijn als perceptie". Ja, daar kan ik me in vinden. Berkeley’s devies "Esse est percipi" wil ik wel opvatten als: het zijn (der dingen) *bestaat* alleen in hun waargenomen worden.]
Dan toch alleen “in hun waargenomen worden” binnen en door begrippen, in het filosofisch denken. Filosofisch denken is dan ‘de idee van de idee’, en niet ‘de idee van de visualiteit’ van zintuiglijke waarneming.”

(...)

Ik zie het “esse est percipi” als een soort van “noodzaak”, een perpetuum mobile dat als een volstrekt efficiënte motor het bestaan actualiseert. Dat is een filosofische beschouwing, die wellicht zijn analogie vindt in de fysische functie van het waarnemen, maar er verder allerminst iets pertinents weet over te vertellen.

(...)

“Badiou verbindt Spinoza’s substantie met wat er doorbreekt in een Event. Een Event is de glans die een singulariteit laat verschijnen in, wat hij omschrijft als, ‘de verschijning van de verschijning’. Een zijnde van het zijn wordt singulariteit! En het trouw zijn aan het spoor van die ‘Glans’ creëert het subject, of in Badiou’s woorden, een subjectlichaam.”

Het ontstaan van “subjecten” (als “interpretaties die spiegelpaden volgen” – hier volstrekt cryptisch en uit context) wordt ook verderop in mijn teksten behandeld. De term “event” bezig ik ook, maar of die een gelijkaardige lading dekt als in Badiou’s werk, kan ik niet meteen zeggen.

   

Ik wil benadrukken dat het zijn in waarneming een verhaal is, en dat het verhaal voorafgaat als vorm (zonder inhoud) aan dat zijn of bestaan. We kunnen van de inhoud niets zeggen, hoogstens dat er verrassend veel zelfde verhalen zijn, maar dat kan ook zijn omdat er zo weinig fantasie is.

   

Je drukt het vast en zeker een pak poëtischer uit dan ik, maar ik kan me wel vinden in je redenering. Fantasie is iets dat alsmaar dunner gezaaid blijkt. Als je al een "evolutie" kunt ontwaren in het huidige internetlandschap bijvoorbeeld, lijkt het me eerder een dwingende uitnodiging tot een onderwerping aan conformiteit dan een rebelse zweepslag die creatieve breinen aanspoort tot het exploreren van hun fantasie. Vanuit een pragmatisch standpunt is conformiteit uiteraard makkelijker te controleren dan grenzeloze fantasie.

   

Ik denk dat de behoefte aan ervaringen zich onttrekt aan controle, want er is dan ook behoefte aan de ervaring om zonder controle te leven en zo...met de ervaringen komen de verhalen. Of dit leven nu virtueel is of niet, de verhalen vals of echt, de ervaringen zijn altijd echt.

   

areniers,

Wellicht off topic, maar misschien toch interessant: Why Our Universe is Comprehensible
Einstein wrote memorably that `The eternally incomprehensible thing about the world is its comprehensibility.' This paper argues that the universe must be comprehensible at some level for information gathering and utilizing subsystems such as human observers to evolve and function.
https://arxiv.org/abs/1612.01952

Overigens voor iedereen:
https://pbs.twimg.com/media/CzD8GpbWgAA1x3G.jpg

   

Jullie ook een fijne kerst.

   

Beste wensen!

Ik zie nu pas, door deze reclame hieronder, je bericht Bert.

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie