Alle moderne kunst is romantisch en christelijk - een filosofische reflectie op moderne kunststromingen

In de blog: Porphyrios reacties: 2 pdf print

Inleiding

Volgens de 19de eeuwse filosofen als Kant en Hegel – al verbind en simplificeer ik hier uiteraard wel hun opvattingen – is in wezen alle kunst ofwel klassiek, welke kunst typisch heidens is, ofwel romantisch, welke kunst typisch christelijk is. Volgens Hegel vormde de klassieke kunst het hoogtepunt van de kunstontwikkeling omdat zij het artistieke ideaal van eenheid van lichaam en geest (of object en subject) volmaakt realiseerde en is de romantische kunst die er (als een soort antithese) op volgde en die al in de middeleeuwen zou zijn ontstaan, het natuurlijke einde van de kunst omdat hier – onder invloed van het christendom – de geest het lichaam heeft overwonnen en zij daarmee de (artistieke) vrijheid volledig heeft gerealiseerd, resulterend in onder meer fantasie en poëzie als ultieme uitdrukking. Op de romantische kunst kan er nog slechts de uitdrukking van het geestelijke in haar eigen vorm dus in de vorm van de gedachte – de filosofie – volgen, zodat daarmee de zelfontwikkeling van de geest in een zuiver zelfbewustzijn is voltooid omdat het dan niet meer de omweg van haar uitdrukking in het lichamelijke dus het externe, dat de kunst kenmerkt, nodig heeft. Maar na de Romantiek is de kunst natuurlijk niet opgehouden te bestaan en zich te ontwikkelen. Evengoed denk ik dat Hegel gelijk heeft: wat wij ‘moderne’ kunst noemen is in wezen slechts de verdere ontplooiing van de Romantiek (en dus van het christendom in de kunst). Eerst zal ik een uiteenzetting geven van wat klassiek en romantisch van elkaar onderscheiden – waarbij ik hen aan Kants esthetische categorieën van het schone vs. het sublieme verbind – en daarna zal ik de belangrijkste moderne kunststromingen kort beschouwen.

Klassiek versus romantisch

Klassieke kunst is gebaseerd op het wereldbeeld van de oude Grieken waarin de rede over de emoties moet heersen met een opvatting van eenheid en eenvoud omdat zijn en denken – in de kunst met name ook het lichamelijke en het geestelijke – samenvallen: alleen wat meetbaar is dus het afgemetene is werkelijk (hetgeen bij Hegel nog terugkeert als: “de werkelijkheid is redelijk en het redelijke is werkelijk”); het oneindige is daarentegen een redeloze afgrond – een verval in de leegte van het niet (meer) zijn – waarvan je weg moet blijven (zodat bv. de ontdekking dat √2 irrationaal is een diepe schok voor de pythagoreërs was). In de kunst manifesteert zich dit als een streven naar volmaakte verhoudingen, naar harmonie en een leidende rol voor de rede. Romantiek is de tendens naar het tegendeel: de emoties krijgen de overhand en daarmee glijdt het eindige en afgemetene af naar het oneindige en onmeet- en onpeilbare. Ik denk dat dit verschil in wezen overeenkomt met wat Kant beschrijft als het schone versus het sublieme: de klassieke kunst streeft naar het schone, dus naar de ordening van het waargenomene overeenkomstig de verstandscategorieën, welke ordening we daardoor aangenaam want ultiem begrijpelijk vinden, terwijl de romantische kunst streeft naar het sublieme, dus naar de overweldiging door wat onvatbaar en onbegrijpelijk is omdat het de verstandscategorieën overstijgt. Het sublieme boezemt ons angst maar ook ontzag in (en Kant dacht daarbij vooral aan de natuur zoals de storm die ook een populair object van romantische kunstschilders is). Romantische kunst is daarom ook dynamisch en ‘extreem’: het is wisselend heel zacht of heel hard, heel lieflijk of heel gewelddadig, want het is ‘redeloos’ en kan dus geen maat houden (en in de muziek hebben romantici ook een liefde voor de dissonant die vervolgens natuurlijkerwijs evolueert naar de 'moderne', a-tonale muziek als zij niet meer wordt opgelost om de spanning vast te houden). Nietzsche omschreef romantici daarom wel als zenuwgestoorden: zowel overgevoelig als zo afgestompt dat alleen het grootste geweld nog kan prikkelen. In de filosofie (van Rousseau tot Kierkegaard en Schopenhauer) en de kunst zien we ook dat de Romantiek een liefde koestert voor mystiek – het verlangen naar het oneindige en het onbegrijpelijke – en de paradox die zich slechts laat oplossen in de sublieme eenheid waarin tegenstellingen samenvallen (tegen het verstand waarvoor het beginsel van non-contradictie geldt), voor de natuur en authenticiteit (tegen de beschaving en de gekunsteldheid), voor het onburgerlijke genie en het individualisme (tegen de oppervlakkige, burgerlijke massa) en voor religie en geschiedenis (tegen wetenschap, technologie en vooruitgangsgeloof die uitingen zijn van menselijke overmoed en van irreële abstractie) welke aspecten uiteraard allemaal met elkaar samenhangen.

Het christelijke van de romantiek

Hegel beschreef de romantiek naar mijn mening terecht als typisch christelijk: waar de oude Grieken de kunst naar zijn hoogtepunt brachten als volmaakte harmonie van rede en lichaam maar religie nog slechts geheel in dat teken van de esthetisering en dus vervolmaking van de werkelijkheid opvatten, resulterend in een kunstreligie met onder meer goden als volmaakte dus onvergankelijke oftewel onsterfelijke mensen (hetgeen Nietzsche nieuw leven wilde inblazen: religie als (levens)kunst), brachten de christenen religie naar haar ware bestemming, namelijk het transcendente dus sublieme die omgekeerd de romantische kunst voortbracht (voor Kant vormde de sublieme ervaring de basis voor het morele gevoel waardoor de innerlijke, morele wet ons ontzag inboezemt). Overigens, moderne kunst is natuurlijk ook de kunst toen velen niet meer geloofden (veel moderne kunstenaars zijn atheïsten) en Hegel meende ook dat het lot van de romantiek en daarmee de laatste kunstvorm is bezegeld door de secularisering die aan filosofie en wetenschap de rol van waarheidsdragers geeft. Veel moderne kunst lijkt ook de dood van God en daarmee zaken als leegte en zinloosheid als thema te hebben in plaats van dat de kunst zoals ook religie ons juist betekenis aan de wereld en het leven verschaft, maar dit lijkt me evengoed in lijn met het christendom die immers zelf de secularisering heeft voortgebracht door de religieuze riten af te schaffen en elk individu als het ware op te dragen het goddelijke in zichzelf te zoeken: alle moderne kunst getuigt in feite van die zoektocht en die persoonlijke zingeving, resulterend in onder meer een wildgroei van avantgarde-bewegingen die elk hun eigen (metafysische) waarheid claimen met uiteindelijk een postmoderne reflectie op de kunst en haar relatie met haar publiek en de wereld. Nietzsche, die het moderne subjectivisme radicaliseerde tot een perspectivisme met niets meer achter het perspectief (alles is interpretatie en er zijn geen feiten achter die interpretatie; het genie schept zijn eigen waarheid), lijkt zo de filosoof van de moderne avantgarde-kunst alsmede het postmodernisme te kunnen worden genoemd.

Reacties op de romantiek: naturalisme, symbolisme en decadentie

Als we nu de belangrijkste kunststromingen na de romantiek beschouwen, dan zien we dat zij eigenlijk alle slechts een doorwerking van de romantiek laten zien, ook al is tegelijkertijd elke stroming vaak weer (deels) een reactie – een antithese zo u wilt – op de vorige. Zo kwamen na de romantiek de stromingen van het naturalisme, het symbolisme en de decadentie in zwang. Het naturalisme of realisme was een reactie op de romantiek en wilde tegenover de romantische gerichtheid op het sublieme en het ideaal (zoals mystiek en heldendaden in het verleden) het echte, gewone leven van de zwoegende boer of arbeider tonen. In feite is het naturalisme het filosofisch-artistieke equivalent van de empirische wetenschap. Maar als zodanig is het naturalisme typisch modern en tegengesteld aan de klassieke kunst en filosofie: waar de klassieke kunst de werkelijkheid idealiseert door haar te vervolmaken (zie bv. ook Plato’s Ideeën), wijst het naturalisme dat idealisme uitdrukkelijk af. De klassieke eenheid van zijn en denken wordt doorgesneden. In reactie op het naturalisme kwam het symbolisme dat weer lijkt op de romantiek, maar die de romantische gerichtheid op het sublieme en het ideaal transformeert tot een meer wereldse variant: zij richt zich op dromen, seksuele taboes en andere manifestaties van het (verdrongen) onderbewuste. De romantisch-christelijke inkering van de geest in zichzelf krijgt zo een meer empirisch-seculier karakter. Verwant aan het symbolisme is de decadentie die in contrast met de romantiek de natuur c.q. het natuurlijke afwijst en juist het gekunstelde omarmt. Het morbide karakter van decadente kunst is in zekere zin weer verwant aan het realisme: het wil het verval en het zieke tonen – de lelijke werkelijkheid – in plaats van de werkelijkheid te verheffen tot het schone. En uiteraard is dit ook allemaal typisch christelijk: het christendom wil medelijden of zorg voor de gewone, zwoegende man in de eindeloze grauwheid van het bestaan (naturalisme), heeft een biechtcultuur waarin we onze verborgen lusten en dromen openbaar moeten maken met het waarneembare als symbool voor het transcendente (symbolisme) en is doordrenkt van het besef van lijden en vergankelijkheid (decadentie).

Het begin van de moderne kunst: impressionisme, pointillisme en fauvisme

Meestal laat men de moderne kunst beginnen met het impressionisme. Kenmerkend voor het impressionisme is dat het de onmiddellijke subjectieve ervaring van de waarneming wil uitdrukken in plaats van het waargenomen object realistisch af te beelden. Hierdoor wordt kleur belangrijker dan lijnen en wordt vooral de beweging en het perspectief weergegeven. Door zo kunst geheel subjectivistisch te maken is het impressionisme geheel modern: het modernisme is immers in wezen niets anders dan subjectivisme waarin Descartes’ ego het subject dus drager van de wereld is geworden. De geest is in zichzelf gekeerd en ziet slechts zichzelf: als ik een boom zie dan kan ik slechts zeker zijn van mijn idee van die boom maar niet van de boom zelf. In Kants woorden: we hebben geen toegang meer tot het Ding-op-zichzelf maar slechts tot het ding zoals het aan ons verschijnt. Je zou ook kunnen zeggen dat de impressionisten de ware zintuiglijke werkelijkheid afbeelden voordat de aanschouwingsvormen de zintuiglijke indrukken tot objecten synthetiseert en het verstand die objecten tot begrijpelijke verbanden verbindt. Opnieuw zien we zo een gerichtheid op de direct waargenomen werkelijkheid (‘waarneming’ in de letterlijke zin van het woord) zonder deze te idealiseren. En in samenhang hiermee toonden ook de impressionisten een voorliefde voor het afbeelden van gewone, ordinaire objecten en taferelen. Het pointillisme en fauvisme gaan op deze weg verder: het pointillisme brengt het impressionisme in technisch opzicht tot haar uiterste vorm (er zijn nog slechts kleurstipjes bij wijze van inkomende lichtstralen die door het brein automatisch worden verbonden tot patronen) en het fauvisme bracht het impressionisme tot haar uiterste vorm door zich geheel op het gebruik van felle, onvermengde kleuren te richten waarbij de stippen kleurvlakken worden. Tussen haakjes: wat menigeen direct zal opvallen als verschil tussen de oude meesters van bv. de 17de eeuw en de moderne kunst is dat de werken van de oude meesters zo donker zijn (hier wordt het spel met licht subtiel gespeeld door bv. een gezicht te laten opdoemen uit de duisternis zoals bij Rembrandt) terwijl moderne werken veelal een en al licht zijn. De geest beschouwt nu immers alleen nog zichzelf: de christelijke inkering is voltooid.

De moderne kunst: expressionisme, kubisme, futurisme, abstracte kunst, dadaïsme, surrealisme, conceptuele kunst

Het expressionisme is weer een voortzetting van het fauvisme met zijn voorkeur voor felle kleuren en brede vegen. De term ‘fauvisme’ is afgeleid van ‘fauves’ hetgeen ‘wilde beesten’ betekent en het expressionisme is eveneens vaak geassocieerd met ‘wilden’ (zoals het latere Cobra en de Nieuwe Wilden). In feite voert het expressionisme het moderne subjectivisme tot haar eindpunt: het afgebeelde is nog slechts de uitdrukking van de beleving van de kunstenaar zonder nog een directe relatie met de ‘objectieve’ wereld en is zo pure spontaniteit en emotie (hetgeen de stijl wilder dan die van het fauvisme maakt). Dit maakte ook de weg vrij naar het abstracte expressionisme dat elk figuratieve losliet. Het kunstobject is zo volledig de uitdrukking van het subject geworden. Ook het kubisme is een ‘neo-primitivisme’ (de kubisten werden ook geïnspireerd door primitieve kunst) en verwant aan het impressionisme en fauvisme doordat het opnieuw het object afbeeldt in de vorm van kleurvlakken maar nu met de verschillende subjectieve perspectieven bijeen gebracht waardoor het subject zelf lijkt te bewegen dan wel het object wordt afgebeeld vanuit verschillende posities en momenten (deze ‘vervorming’ van de werkelijkheid zou weer het expressionisme beïnvloeden). Het kubisme reconstrueert als het ware het object vanuit de stroom van beelden in het bewustzijn van het subject. Zo is ook het kubisme typisch subjectivistisch maar suggereert het door zijn constructivisme, geometrische lijnen en donkere kleuren ook een metafysica dus opvatting over de werkelijkheid. Het constructivisme en De Stijl borduurden hierop voort en deze kunst is vooral nog abstracter en metafysischer dan het kubisme. Het futurisme is vergelijkbaar met het kubisme maar benadrukt zijn modernisme met zijn liefde voor snelheid, opwinding en de vernietiging van al het oude. Het kubisme inspireerde ook het nihilistische dadaïsme dat in reactie op de Eerste Wereldoorlog alle conventies, beschaving en kunst wilde ondermijnen en zo maximale artistieke vrijheid realiseerde. Dada kan zo een voorloper van het postmodernisme worden genoemd en ten slotte liep zij over in het eveneens anti-rationalistische surrealisme dat eveneens totale vrijheid en revolutie zocht en verwarring stichtte door een veelal realistisch, figuratief afbeelden te koppelen aan een ‘automatisch’ schilderen waarin het onderbewuste en het procesmatige een belangrijke rol speelt. Het surrealisme wil zo Schellings opvatting van kunst als het absolute realiseren waarin de tegenstelling tussen droom en realiteit, subject en object, vrijheid en noodzaak is opgeheven. In de conceptuele kunst staat het concept voorop, zodat hier de door Hegel voorspelde overgang van de kunst naar de filosofie lijkt te worden voltrokken – met in het postmodernisme een voortzetting van de bij het dadaïsme en het conceptualisme belangrijk geworden zelfreflectie (dus met name ook een reflectie op de kunst zelf) en de ‘anything goes’-vrijheid.

Conclusie

We hebben zo gezien dat alle kunst na de romantiek de wezenkenmerken van die romantiek herhalen en haar ‘simpelweg’ tot haar uiterste hebben doorgevoerd: de moderne kunst idealiseert niet meer de werkelijkheid zoals bij de klassiek kunst maar heeft een voorkeur voor het tonen van de lelijkheid van de wereld (‘moderne kunst is lelijke kunst’) waarbij het subject in zichzelf keert en daarom zichzelf toont – zijn indrukken, emoties en subjectieve waarneming of ervaring van de wereld -, resulterend in totale artistieke vrijheid door middel van het omarmen van antirationaliteit, spontaniteit, onbewust of automatisch schilderen en een bewust breken van alle conventies (moderne kunst shockeert – dat is het sublieme – en wil niets minder dan revolutie). Met het subjectivisme wordt het figuratieve losgelaten en in contemplatie van zichzelf schept de artistieke geest zijn rationele metafysica in abstracte kleurvlakken en geometrische vormen die aldus zijn originele waarheid is. Net als de romantici keren de modernisten zich af van de beschaving, de rede en de massa: zij zoeken de authenticiteit in primitieve, wilde kunst en de waarheid in irrationaliteit en eigen, originele scheppingskracht. Uiteindelijk lost de moderne dus romantische kunst zichzelf op in het concept en zelfreflectie waarmee de geest zich van haar materiële uitdrukking of vorm bevrijdt waardoor haar zelfontplooiing is voltooid.


Reacties (2)

   

Het impressionisme is inderdaad het feest van de zintuigen. De verschillende hooimijten van Monet of de herhaling van het landschap in verschillende licht invallen tonen de wisselende affecties als je nog maar door de velden wandelt.
Het modernisme dat aanvangt wanneer de kunst zichzelf bevraagt kan natuurlijk niet naast Marcel Duchamps. De filosofische grappenmaker bij uitstek. Het presenteren van een gewoon aangekocht flessenrek is een geste met ongelofelijke diepgang. Plots, zomaar door dat object uit zijn omgeving te halen en in een kunstgalerie te brengen verandert dat object letterlijk. Het is hetzelfde en tegelijkertijd is het geheel iets anders. Het originele zinveld van ambachtelijk glazen flessen te laten drogen wordt beladen met betekenissen die het ongevraagd over zich krijgt. Het verschuift van zinsveld. A wordt A'. En het accent is niet zichtbaar maar voorstelbaar. Als idee. Natuurlijk zal de cynicus zeggen 'wat is dat voor onzin, da ding is toch hetzelfde ding!' Maar dat is juist de tovertruc van de kunst. Verfstreken op canvas vormen avonturen als ze landschappen vormen of zuiver abstract blijven. We verliezen de verf uit het oog en zien de afbeelding. Duchamps blokkeert deze verschuiving door alleen een object te tonen en vraagt op die manier naar het statuut van de representatie. De zintuiglijkheid van het Impressionisme wordt klem gezet en we krijgen een verschuiving van materie naar idee. Duchamp toont ons het mechanisme van de sublimatie als ideële die toch verandering in het reële aanbrengt.
Bij zijn eerste readymade, het urinoir, blijft die werking wat op de achtergrond door het sensationele van de gebeurtenis. Maar de aanvang van de concept art toont zich in het flessenrek. Het fietswiel is nog teveel spel en geconstrueerdheid op die sokkel.

Hoe materie idee wordt, prachtig gebaar van de Fransman die zijn land altijd maar ontvluchtte.

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie