De Uitvinding Van Het Joodse Volk

In de blog: Over de ethiek van de seculiere samenleving reacties: 0 pdf print

Geschiedenissen van volkeren, schrijft Sand in de inleiding van The Invention of the Jewish People, zijn gemaakt als de standbeelden op onze kruispunten: groot en heroisch. Het is "wij" en "al de anderen". Europeanen geloofden vroeger dat ze afstamden van de Trojanen. De Grieken waanden zich afstammelingen van Socrates en Alexander de Grote of als de erfgenamen van het Byzantijnse rijk. In de negentiende eeuw veranderden de oude Romeinen in typische Italianen, en Gallische stammen werden Fransen. De pioniers van het Roemeense nationalisme zochten hun verleden in de Romeinse provincie Dacië en noemden zich bijgevolg Roemenen. Britten ontdekten de Keltische koningin Boudicca die weerstand bood aan de Romeinen, en gaven haar een standbeeld. Duitse schrijvers maakten van Arminius, volgens Tacitus de hoofdman van de stam der Cherusken, de vader van Duitsland.

De twintigste eeuw vervolgde in dezelfde trant. Na de val van het Ottomaanse rijk vonden de Turken zich blanke Ariërs, erfgenamen van Sumeriërs en Hettieten. Wie door een willekeurige rechte lijn, getrokken door Britse ambtenaren, plots in Irak leefden, leerden van historici dat ze afstamden van de oude Babyloniërs, maar ook van de heldhaftige Arabische krijgers van Saladdin.

Israeliers vinden zulke verhalen gewoonlijk vergezocht, terwijl ze menen dat hun eigen "geschiedenis" harde waarheid bevat. Ze zijn er zeker van dat er een Joods volk bestaat sinds Mozes, en dat zij daar de erfgenamen van zijn. Ze zijn er van overtuigd dat dit volk uit Egypte ontsnapte en het land van Israel innam zoals beloofd door hun godheid. Ze zijn er ook zeker van dat dit volk tweemaal verbannen werd, eenmaal in de 6e eeuw voj, en eenmaal in 70 oj. Ze geloven dat hun volk - het oudste - rondzwierf gedurende 2000 jaar, en dat het die hele tijd lukte om zich niet te integreren waar ze terechtkwamen, maar bloedbanden behielden in en tussen Jemen, Marokko, Spanje, Duitsland, Polen, Rusland. Tot ze aan het eind van de negentiende eeuw massaal konden terugkeren naar het oude thuisland. Veel Israeliers begonnen te geloven dat miljoenen van hen vrijwillig zouden terugkeren, omdat ze er duizenden jaren van gedroomd hadden. Het land behoorde aan het volk met geschiedenis, niet aan de namelozen die er leefden.

Al deze "herinneringen" ontstonden niet spontaan. Ze werden laag voor laag opgebouwd vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw. Uit christelijke en joodse religieuze geschriften werd een ononderbroken afstamming van "het joodse volk" geconstrueerd. Ondanks de oprichting van universiteiten en moderne studiecentra bleef deze mythe van een "nationaal verleden" onaangetast tot vandaag.

Gedomineerd door het speciale zionistische begrip van nationaliteit, weigert de staat Israel zestig jaar na haar oprichting nog steeds zichzelf te zien als een republiek die het welzijn van haar burgers nastreeft. Eén vierde van haar burgers staat niet ingeschreven als Jood, wat inhoudt dat ze niet tot het Joodse volk behoren en dat Israel niet hun staat is. Ook de oude lokale bevolking is uitgesloten. De Joodse staat behoort aan alle Joden overal ter wereld, ook zij die niet vervolgd werden, en niet aan haar burgers. Dit is een grove schending van de basisprincipes van een democratie.

Het maken van naties: soevereiniteit en gelijkheid.

Het eerste hoofstuk van The Invention of the Jewish People handelt over hoe begrippen als volkeren, etnieën, nationaliteiten ontstaan zijn en veranderden in de loop van de geschiedenis. De woorden zelf hebben een andere betekenis gehad naargelang de tijd. Tot de twintigste eeuw duidde "natie" op groepen: in Rome werd het woord gebruikt voor vreemden en dieren, in de middeleeuwen voor studenten. Soms sloeg het woord op mensen met een gemeenschappelijke herkomst en soms op mensen die dezelfde taal spraken. Tot de zeventiende eeuw werd de hele bevolking van een land niet tot één "natie" samengevoegd. Er was noch de nood, noch de technologie voor. De ongeletterde landarbeiders, die het grootste deel van de bevolking uitmaakten, hadden hun eigen dialecten en bijgeloven. Door God verleend koningschap, en niet de wil van het volk, domineerde. En heersers wilden veeleer gevreesd dan geliefd zijn. Met het "volk" doelde men soms op deze onderlaag, soms op een stam, soms op een godsdienstige groep. Vanaf de vijftiende eeuw werd het woord gebruikt om de inwoners van een stad aan te duiden. Dit was het woord dat aan het einde van de achttiende eeuw door het nationalisme werd gerecupereerd. Het nieuwe "volk" omvatte alle lagen van de bevolking, en had een oude roemrijke geschiedenis nodig. In de negentiende eeuw werd dit "volk" dikwijls verbonden met een of ander "ras", en velen beschouwden de termen als inwisselbaar.

De moorddadige eerste helft van de twintigste eeuw zorgde ervoor dat het begrip "ras" werd verworpen, en door velen werd vervangen door "etnie", een woord dat nog steeds een gevaarlijke bijklank heeft van oude afstamming.

Door de verspreiding van het boekdrukken begonnen gemeenschappelijke talen het te winnen van dialecten, en ontstond een gemeenschappelijk bewustzijn dat essentieel was voor het opkomende nationalisme. Het volk werd meer en meer souverein, terwijl religie en koningschap afkalfden. Kranten waren de eerste afbakeners van nieuwe nationale opdelingen.

In de moderne tijd verschuift nationalisme naar burgerschap: onder invloed van Renaissance en Verlichting wordt de invloed van religie, koningschap en mythes teruggedrongen door een culturele en politieke denkwereld. Priesters en prinsen worden vervangen door een nieuwe stand: de intellectuelen.

Mythische geschiedenis: in het begin schiep God het volk

Het tweede hoofdstuk pakt de Joodse geschiedschrijving aan. De Duits-Joodse historicus Jost was de eerste om een moderne geschiedenis van de Joden te schrijven. Hij was er van overtuigd dat de Joden primitief en onwetend waren tot ze tijdens hun ballingschap in Perzië nieuwe religieuze en burgerlijke inzichten verkregen - een verborgen hint naar de burgerlijke samenleving die in Duitsland aan het ontstaan was uit talrijke kleine groepen, en waarin ook Joden een plaats wilden. Sinds de Verlichting waren joden volgelingen van de Mozaïsche religie, maar even enthousiaste supporters van de seculiere samenleving, en bijgevolg niet minder Duits dan een Pruis. Jost besteedde weinig aandacht aan de bijbelse periode, maar begon bij Judea onder de Hasmoneërs, en vervolgt met beschrijvingen van de verspreide Joodse gemeenschappen. Deze gemeenschappen hebben wel een religie gemeen, maar Jost legt net de nadruk op hun verscheidenheid. De volgende belangrijke geschiedschrijver van de Joden, Graetz, was sterk beinvloed door het opkomende nationalisme, en legde zo de grondslag voor het zionisme.

Judaisme betekende niet langer een rijke en diverse religieuze beschaving die zich onder uiteenlopende omstandigheden had staande gehouden, maar een uit Kanaän verdreven ras of volk. De bijbel werd, ontdaan van "legendarische toevoegingen", als ernstig historisch materiaal beschouwd. Het populaire christelijke beeld van de "wandelende Jood", overgenomen door rabbi's aan het begin van onze tijdrekening, had haar historicus gevonden in de voorloper van het Joodse nationalisme. En een gedachte die het nationalisme op den duur zou overheersen, was: één staat één volk. Stilaan groeide de gedachte, dat Joden in Europa een "anomalie" waren.

Rond het midden van de negentiende eeuw werd racisme een algemeen aanvaarde theorie in Europa. De snelle industriele ontwikkeling en het opkomende evolutiedenken gaf de Europeanen een moeilijk te verbergen gevoel van superioriteit. Onder deze omstandigheden schreef Mozes Hess, vriend en bewonderaar van Graetz, Rome en Jeruzalem. In dit boek werd opgeroepen tot een "terugkeer" naar het Heilig Land. Dit beinvloedde de rol van de bijbel: tot die tijd een verzameling religieuze mythen die in de schaduw van de Talmoed waren geraakt, moest de bijbel, ontdaan van wonderen, dienen als "wetenschappelijk" bewijsmateriaal.

Ben Gurion was in de jaren '50 gastheer voor een veertiendaagse bijbelkring, die bezocht werd door historici, politici, archeologen enzoverder. Hier werd de wetenschap in een richting geleid en de nieuwe publieke opinie gesmeed. Het boek Jozua was het meest populair. Ben Gurion was niet enkel een verwoed lezer van de bijbel; hij maakte er ook listig politiek gebruik van. Hij beseft dat de bijbel kon omgesmeed worden in een seculiere text die identiteit kon bieden aan de honderdduizenden immigranten. De bijbelverhalen dienden als dagelijkse retoriek, en hij leek zich werkelijk te identificeren met Mozes en Jozua. Net zoals de leiders van de Franse revolutie zich hadden gespiegeld aan Romeinse senators, vergeleken Ben Gurion en andere zionistische leiders zich met de bijbelse veroveraars van Kanaän en de oprichting van het rijk van David. Voor Ben Gurion was het nieuwe Israel de tijd van de Derde Tempel, en de bijbel is tegelijk het eigendomsbewijs en de indentiteitskaart van Joodse volk in de maak:

Eerst nu, opnieuw als een vrij volk in haar land, opnieuw de lucht ademend die de bijbel vormde, is de tijd gekomen, geloof ik, waarin we de echte waarheid en aard van de bijbel kunnen doorgronden, historisch, geografisch, evenals religieus en cultureel

Ondanks zijn seculiere benadering van Israel, liet Ben Gurion niet na religieuze motieven te gebruiken waar het van pas kwam. Zo aarzelde hij niet zich erop te beroepen dat Kanaän was beloofd aan het zaad van Abraham. Ambtenaren werden onder druk gezet om Hebreeuwse namen te kiezen, en de bevolking volgde hun voorbeeld. De oude "diasporische" namen werden gewist, en kinderen kregen namen van mysterieuze bijbelse figuren. Elke nieuwe nederzetting kreeg een bijbelse naam en wiste zo de oude Arabische plaatsnamen uit. Zo werd lokale Arabische aanwezigheid uitgewist, samen met de lange afwezigheid van Israel. De bijbel werd het nationale leerboek, en overal in de nieuwe Israelische scholen werd onderwezen, in het Hebreeuws, dat de Joden één etnisch volk waren, dat verjaagd was en verspreid werd over de wereld, maar een oud eigendomsrecht had op het land. Na de oprichting van de staat Israel werden deze ideeën standaard in alle geledingen van het onderwijs.

Joodse archeologie volgde het oude christelijke voorbeeld om opgravingen in lijn te brengen met de bijbel. Wat ook opgegraven werd door archeologen als Albright en Yadin, werd zonder aarzelen in verband gebracht met Salomon, Jozua, de patriarchen, de exodus of de verovering van Kanaän, de grenzen van het oude Israel etc...In 1964 verscheen het boek van Aharoni dat al deze "bevindingen" op een rijtje zette en voorzag van mooie kaarten.

Nieuwe opportuniteiten ontstonden toen in 1967 de Westelijke Jordaanoever veroverd werd. In overtreding met internationale wetten startte men onmiddellijk opgravingen in het bezette gebied, met grote verwachtingen, want rond die tijd waren de meeste intelligentsia van Israel in de ban van het Grote Israel. Dit was de ultieme mogelijkheid om aan te tonen hoe volk, land en bijbel overeenstemden en samenhoorden. Maar wat gebeurde was net het tegenovergestelde. Gedurende twintig jaar bleef het stil rond het werk van een leger archeologen rond Jaruzalem en in het oude Judea. Toen de eerste resultaten eindelijk aan het grote publiek bekend werden gemaakt, werden scheuren zichtbaar in de wetenschappelijke consensus. Gedurende de jaren '60 en '70 was de wetenschap veranderd. Wereldwijd was politieke archeologie op de terugweg, en vervangen door sociaal en antropologisch onderzoek. Meer aandacht werd besteed aan dagelijks bestaan, de arbeid, voedsel, begraafwijzen, culturele gebruiken.

Het eerst werd de tijd van de patriarchen dooreengeschud. De zo belangrijke belofte van het land aan Abraham, kon nooit plaatsgevonden hebben zoals beschreven in de bijbel. En het ging niet om folkloristische onnauwkeurigheden. De bijbel noemt Filistijnen en kamelen, en die waren er maar duizend jaar later. Veel plaatsnamen in het boek Genesis verschenen voor het eerst in de zevende of zeste eeuw voj. Het werd duidelijk dat deze verhalen opzettelijk geconstrueerd waren door bekwame theologen, die wilden aantonen dat ze afkomstig waren van beroemde steden. Daarom stamde Abraham uit het legendarische Ur, dat zijn hoogste pracht bereikte onder de Chaldeese koning Nabonidus in de zesde eeuw oj; en daarom kreeg Isaac een bruid uit het heidense, maar in de zesde eeuw in hoog aanzien staande Nahor.

Vervolgens moest Exodus eraan geloven. Tot dan werd aangenomen dat de vlucht uit Egypte plaatsvond in de 13e eeuw voj. Maar nu bleek Kanaän in die tijd door machtige Farao's geregeerd te worden. Leidde Mozes zijn volk, 600.000 krijgers met hun families gedurende 40 jaar door de wildernis van Egypte naar... Egypte, zonder één archeologisch spoor na te laten? De Egyptenaren waren hardnekkige verzamelaars van annalen, maar nooit werd iets over deze Exodus opgeschreven. Pythom, dat in het verhaal voorkomt, werd eerst in de zesde eeuw voj gebouwd.

De volgende mythe die de wetenschap niet zou overleven was de bloedige onderwerping van Kanaän. De genocide door Jozua zou plaatsgevonden hebben in de dertiende eeuw voj, maar in die tijd was Jericho een klein dorp zonder muren, en Ai en Heshbon bestonden niet eens. Hetzelfde geldt voor de meeste steden genoemd in het boek over de verovering, Jozua. En waar al sporen van brand of vernieling gevonden werden, moesten ze toegeschreven worden aan de invasie van de zeevolken, waronder de Filistijnen.

De volgende mythe die het begaf was het verenigde koninkrijk van David en Salomon, het juweel in de kroon van het nationaal geheugen. Onder Jeruzalem lagen geen sporen begraven van een belangrijk koninkrijk uit de tiende eeuw voj. Er werd nog tegengesputterd dat in de tijd van Herodes alle sporen gewist zouden zijn, maar ook dit argument bleek onhoudbaar toen nog oudere resten werden opgraven die wél bewaard waren. Onweerlegbaar was dat er in de tijd van Salomen slechts een klein tribaal koninkrijkje bestond, en dat Jeruzalem enkel een versterkte vesting was.

Reeds in de 14e eeuw voj waren Shechem en Jeruzalem kleine statstaten in het hoogland van Kanaän. In de 13e eeuw bestond in het noorden een Israelische entiteit die uitgroeide tot een koninkrijk in de 9e eeuw. Onder de Omride dynastie was dit koninkrijk groter dan het koninkrijk Juda onder de dynastie van David. Al de grote bouwwerken die tot dan aan Salomon waren toegekend, werden voortgebracht door de Omriden.

Archeologische opgravingen hebben aangetoond dat de bewoners van het hoogland van Kanaän en van het noorden polytheisten waren. Ze aanbaden Yahweh, die zoals Zeus stilaan de centrale godheid werd, maar ze aanbaden evenzeer Baal, Shemesh en Asherah. De monotheistische schrijvers van de Pentateuch verachtten deze heersers van Israel maar benijdden hun legendarische macht en glorie. Ze eigenden zich de naam "Israel" toe, maar bleven hun morele en religieuze overtredingen afkeuren. Dat het koninkrijk in de achtste eeuw voj door Assyrië onder de voet werd gelopen, werd beschouwd als een straf voor hun religieus wangedrag.

Spinoza was de eerste die in twijfel trok dat de bijbel door Mozes geschreven was. Sindsdien is het debat niet opgehouden. Een recente theorie zegt dat de historische kern van de bijbel samengesteld werd in de zevende eeuw voj toen Josia koning van Juda was. Het doel van Josia zou geweest zijn Israelische vluchtelingen te integreren, na de van van Israel. Dit leidt echter tot enkele ongerijmdheden. Niet alleen bestaat er geen bewijs buiten de bijbel dat Josia een monotheist was. Josia had ook geen mogelijkheid om nieuwe ideeën te verspreiden onder een ongeletterde bevolking, en al bij al hadden koningen in die tijd ook geen reden om een hele bevolking andere gedachten bij te brengen. Dat te denken, zegt Sand, is het verleden bekijken met een moderne politieke bril. En de weinigen die de nieuwe monotheistische geschiedschrijving wél zouden vernemen en overwegen in de tijd van Josia, zouden, nog meer dan wij vandaag, verbaasd zijn dat al die roemruchte gebeurtenissen geen ruines of inscripties hadden achtergelaten.

Sand stelt de hypothese voor, dat het monotheisme van de bijbel verorzaakt is door de culturele ontmoeting tussen Judea en de abstracte Perzische religie. Dit vroege monotheisme zou eerst volledig tot ontwikkeling komen door haar latere kontakt met het Helleense polytheisme. De bijbel is een grote verzameling teksten, geschreven, gewijzigd en aangepast in de loop van drie eeuwen, van het einde van de zesde eeuw voj tot het begin van de tweede eeuw voj.

Eerst in de negentiende eeuw oj werd de bijbel een seculier nationalistisch instrument. Schoolkinderen lazen het om te leren over hun oude voorvaderen. Kinderen die later fier zouden marcheren in oorlogen voor kolonisatie en onafhankelijkheid.

De uitvinding van de ballingschap: bekeringsijver en bekering.

Het Joodse bewustzijn is doordrongen van ballingschap, ontworteling en deportatie. De Verklaring van de Oprichting van de staat Israel (1948) bijvoorbeeld zegt:

Na verbannen te zijn uit het land bleef het volk daaraan trouw in de Diaspora en hield nooit op met bidden en hopen op een terugkeer en een herstel van zijn politieke vrijheid.

De diaspora waar de oprichting van Israel een einde aan moest maken, zou begonnen zijn met de val van de Tweede Tempel, in 70 oj. Maar de Romeinen deporteerden nooit hele volken: wie belastingen betaalde en het land bewerkte werd ter plaatse gelaten, behoudens enkele uitzonderingen waar Romeinse soldaten beloond werden met akkerland. De repressie door de Romeinen leidde tot een daling van de bevolking, maar er was geen verbanning, en de streek herstelde snel. Ook de tweede monotheistische opstand, de Bar Kochba opstand van 132 oj, leidde niet tot massale verbanning. De provincie Judea werd hernoemd naar Syria Palestina, maar herstel volgde vlug en leidde zelfs tot de gouden eeuw in de tijd van Rabbi Juda Hanassi, met de samenstelling van de Mishna.

De mythe van de verdrijving van de Joden uit Judea volgde eeuwen later. Heel wat rabbijnse bronnen gebruikten het woord "galut" dat aanvankelijk niet verbanning, maar onderdrukking betekende. De verbanning na de val van de Tweede Tempel was aanvankelijk een mythe van de christelijke kerkvaders, in navolging van Justinus de Martelaar, die er een straf van God voor de afwijzing van Christus als messias in zagen. Deze bewering steunde op de verrassende aanwezigheid van Joden in talrijke landen. Met de triomf van het christendom in het begin van de vierde eeuw, toen het de officiele Romeinse godsdienst werd, begonnen Joden verspreid over de wereld het beeld van verbanning over te nemen. De "wandelende jood" was geboren.

Eerst in de Babylonische Talmud werd door joden ballingschap gelinkt met de val van de Tweede Tempel. Een Joodse gemeenschap in Babylon had bestaan sinds de zesde eeuw voj, en maakte zelfs tijdens de machtige Hasmoneesche dynastie geen aanstalten "terug te keren" naar Zion. De terugkeer, schreven de rabbi's, zou plaatsvinden aan het Einde Der Tijden, met de komst van een nieuwe messias uit het huis van David. De doden zouden opstaan en samenkomen met de vromen in Jeruzalem. Tot zolang was Jeruzalem een heilige stad als Rome en later Mekka: een bedevaartsoord waar je niet hoefde te wonen. Toen de Joodse gemeenschappen in Babylon in verval kwamen, trokken de Joden naar Baghdad, niet naar Jeruzalem. Toen de joden uit Spanje verbannen werden, trokken ze naar alle steden rond de Middellandse Zee, en slechts enkele trokken naar Zion. Toen Europa kreunde onder nationalisme en pogroms, trokken ze vooral naar de USA, en enkel toen de USA haar grenzen sloot in 1920, naar mandaatgebied Palestina, waarvan later een deel de staat Israel zou worden.

Joden leefden in Egypte en de Levant nadat Alexander de Grote de grenzen van de bekende wereld dooreengeschud had. Talrijke Joden leefden in Alexandria, Cyrenaica, Asia Minor, Lydia, Phrygia, dikwijls huurlingen die zich vestigden. Minder duidelijk is de oorsprong van Joodse gemeenschappen in Antiochie en Damascus, Efese, Salamis, Athene, Thessaloniki, en Korinthe. Hierover bestaan geen bronnen. Er waren ook veel Joden in Rome. Cicero klaagde erover dat ze zo talrijk waren dat ze de uitkomst van volksvergaderingen naar hun hand konden zetten. Hun graven duiden zowel op godsvrucht als op welstand. En Rome was niet de enige stad op het schiereiland waar Joden het goed deden. Kortom, de joden verspreidden zich over het hele Romeinse grondgebied. Lang voor de val van de Tweede Tempel was hun aantal groter dan de hele bevolking van Judea.

Zionistische historici en het Israelische onderwijs geven als reden van deze grote verspreiding, in afdalend belang: deportatie, ontbering, vrijwillig, en bekering. Dit is echter in tegenspraak met de snelle verspreiding tussen 150 voj en 70 oj, toen er geen sprake was van deportatie of ontbering.

Het wordt algemeen aangenomen dat judaisme een religie zonder bekeerijver is. Bekeerlingen werden toegelaten, zegt men, maar niet met veel enthousiasme. Dat beeld is vooral ontstaan door Ezra en Nehemia, maar er zijn tal van bijbelfragmenten die wat anders tonen. Hier Jes 2:2-3:

Op het einde der dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van de HEER gevestigd zal zijn als de hoogste der bergen, verheven boven de heuvels, en alle volken stromen naar hem toe; en zij zeggen: ‘Kom, laat ons optrekken naar de berg van de HEER, naar het huis van Jakobs God: dan zal Hij ons zijn wegen wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.

Ook het boek Esther (8:17) spreekt van bekeerlingen:

Ook in alle provincies en in alle steden waar het besluit en bevel van de koning bekend werd, was er bij de Judeeërs vreugde en gejuich: er werden maaltijden aangericht en het was feest. Uit de bevolking van het land gingen velen tot het jodendom over, want vrees voor de Judeeërs had hen overvallen.

Elk monotheisme biedt aanleiding tot bekeerdrift, alleen al omdat andere goden niet aanvaard worden zoals in het polytheisme. Volgens Mommsen, Renan, Wellhausen en anderen was dit ook het geval voor het jodendom. Uit joodse namen die aan kinderen gegeven werden door inwoners van het oude Nippur en Elefantine kan men afleiden dat niet-Joden zich tot het judaisme bekeerden.

De reden voor de explosieve groei van het aantal Joden buiten Judea, menen Shlomo Sand, Uriel Rapaport en andere onderzoekers, is collectieve bekering. Na Alexander volgde het Hellenisme, een tijdperk dat gekenmerkt werd door ontmoeting en uitwisseling tussen allerlei culturen. Ook het judaisme deed hier haar voordeel mee, en zelfs al bestreed het in Jeruzalem de verwatering van eigen tradities door dezelfde openheid, de gelegenheid om de eigen godsdienst te verspreiden bleef niet zonder gevolg. In 125 voj werd Edom, met tot dan een Syrische en Fenicische bevolking, veroverd door de koning en hogepriester van Judea, Yohanan Hyrcanus, en collectief gedwongen zich te laten besnijden en jood te worden. Andere oorlogen, veroveringen en bekeringen volgden. De dag waarop de Samaritaanse tempel van Sechem vernield werd is nog steeds een Joodse feestdag (de 21e Kislev). Veel straten in het huidige Israel zijn genoemd naar Hyrcanus.

In Alexandria werd reeds in de tweede eeuw voj begonnen met de vertaling van de bijbel in het Koine-grieks, een langdurig werk waar veel Joodse geleerden aan werkten en dat, volgens Philo Judeaus, alle volkeren zou overtuigen om zich te bekeren tot het jodendom. Josephus schreef een eeuw later:

...er is geen stad van de Grieken, noch van de barbaren, noch van om het even welk volk, waar onze gewoonte de zevende dag te rusten niet ingevoerd werd, en waar onze vasten en ontsteken van kandelaars, en onze voedselwetten niet geëerd worden...

Josephus schreef hoe de inwoners van Damascus plannen maakten om de Joden in hun stad uit te roeien, maar aarzelden omdat hun vrouwen zich bijna allemaal tot het joodse geloof aangetrokken voelden. In het koninkrijk Adiabene, waar nu ongeveer Kurdistan en Armenië liggen, bekeerden de prins en zijn moeder zich tot het jodendom. De koopman die hen had overgehaald had de prins verzekerd dat hij niet besneden hoefde te worden, maar eenmaal op de troon besneed hij zichzelf en dwong het land tot bekering. Misschien speelde hier ook de hoop mee, ooit Mesopotamia te kunnen onderwerpen, waar tegen die tijd veel joden leefden.

Het Romeinse rijk vergrootte nog de vermenging van culturele centra rond de Middellandse Zee. Reizen werd makkelijker. Rond die tijd waren 7 of 8 procent van de inwoners van het rijk joods, van afstamming of door bekering. Cassius Dio schreef in de derde eeuw oj:

Ik weet niet waar ze deze aanduiding "Jood" gehaald hebben, maar hij hoort niet meer alleen aan hen toe, maar aan alle mensen die hun gebruiken overnemen.

De Romeinen begrepen niet waarom monotheisme geen andere goden toeliet. Jodendom was een legale godsdienst, maar dat bekeerlingen de andere goden lieten vallen werd als een bedreiging van de politieke orde aangevoeld. Omstreeks 139 voj, schreef Valerius Maximus, werden joden uit Rome verbannen naar hun land van herkomst en hun altaren verwijderd van publieke plaatsen, omdat ze de Romeinen wilden overhalen. Hetzelfde gebeurde in 17 oj, maar toen er in 49 een derde keer problemen waren werden de joden, werden ze alleen aangemaand de orde niet te verstoren, omdat ze met te velen waren om ze uit te wijzen. De meeste Romeinse bronnen van die tijd wijten deze snelle groei van het jodendom aan bekering.

Er was geen grootscheepse verbanning na de van van de Tweede Tempel of de Bar-Kochba opstand. De zionistische historici aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, Bear en Dinur, wisten dat, en wijtten de afwezigheid van een joodse meerderheid in Palestina dan maar aan invallen van moslims in de zevende eeuw. De politiek van de islamveroveraars was echter overal dezelfde: monotheisten moesten een belasting betalen en konden gewoon verderdoen zoals ze deden. Ze konden zich ten allen tijde tot de islam te bekeren en zo van die belasting afkomen, en een groot deel zal dat ook wel gedaan hebben.

Maar voor die tijd was er reeds wat anders voorgevallen. Nadat het hele Romeinse rijk het christendom had aangenomen als enige officiele godsdienst, werd Palestina een christelijk protectoraat, en een groot deel van de joden had zich vanaf 324 oj tot het christendom bekeerd. Jeruzalem, waar een van de eerste christelijke gemeenschappen gevormd was geweest, werd stilaan een belangrijke christelijke stad. Uit de lijst van deelnemers aan het eerste concilie in 325 oj blijkt dat er ook grote aantallen christenen waren in talrijke andere Palestijnse steden. De terugval van het jodendom was te wijten aan bekeringen tot het christendom. Toch bleef de joodse godsdienst nog steeds de grootste in de Palestijnse provincie. De bevolking werd een mosaïek van christenen, joden en een sterke samaritaanse minderheid. En er was uiteraard nog steeds een heidense boerenbevolking die nog lang zou blijven bestaan aan de rand van de monotheistische culturen.

De islamietische verovering die voltooid werd in 634 oj maakte een eind aan de Byzantijnse (chtistelijke) overheersing die, getuige joodse opstanden als die van Benjamin van Tiberias, niet erg geliefd was bij de joden. Belastingvoordeel samen met de afkeer van het christendom maakten bekering tot de islam het overwegen waard, voor joden, voor christenen en voor samaritanen. Gedurende de christelijke overheersing werden talrijke synagoges gebouwd, maar dat verminderde tijdens het islamietische bewind. De joodse meerderheid was aan het slinken.

Dat zionistische historici en politici de verbanning van joden uit Palestina verschoven van Bar Kochba naar de islam is misschien niet toevallig. Het kwam prima van pas toen het nodig was het land terug te claimen van de moslims die er vandaag wonen. Nochtans hadden de zionisten Ben Gurion en Ben-Zvi ooit een boekje geschreven om aan te tonen dat er sterke bloedbanden bestonden tussen de huidige joden en Palestijnen. Maar dit discours was niet langer bruikbaar na het bloedbad van Hebron en de Palestijnse opstand van 1936-1939 oj.

Als de herinneringen aan de massabekeringen tot het jodendom bewaard waren gebleven, schrijft Shlomo sand, zou het metaverhaal over de biologische eenheid van het Joodse volk en haar verbinding met Abraham, Isaak en Jacob afgekalfd zijn, en zou de joodse afstamming van gemengde bevolkingen van het Hasmoneesche koninkrijk, van het Perzische rijk en van de verre uithoeken van het Romeinse rijk zichtbaar worden.

Werelden van stilte: op zoek naar verloren (Joodse) tijd.

Vóór het judaisme zich gedwongen naar binnen keerde, bleef het haar bekeringsijver uitdragen in door monotheisme onontgonnen land. Van het Arabische schiereiland tot de landen van de Slaven, de Caucasus en de steppen tussen de Wolga en de Donau, de gebieden rond het vernielde en heropgebouwde Carthago, het pre-moslim Iberisch schiereiland, bleef het judaisme bekeerlingen aantrekken, en verzekerde zo haar indrukwekkende aanwezigheid in de geschiedenis. De culturen die bereikt werden bevonden zich meestal in een overgangsfase van tribalisme naar de georganiseerde staat, en ze waren allen heidens.

De joodse invloed bereikte spoedig het nabijgelegen Arabische schiereiland, bekeerde talrijke nomaden tot het geloof in één god en in de verrijzenis van de doden, en bereidde het schiereiland zo voor op de komst van de islam. Talrijke koranverzen verwijzen dan ook naar bijbelse verhalen over Abraham, Mozes, David en Salomo.

Het judaisme wedijverde met de christenen, die ook een aanzienlijke invloed verwierven, maar niet zo makkelijk veld wonnen door hun verwarrende leer van de goddelijke drievuldigheid. Soms ontstonden er sectes met een vermenging van joden en christenen, zoals de Hanifs.

Ten tijde van Augustus zonden de Romeinen een garnizoen naar het huidige Jemen. Hiervoor leverde Herodes een Joodse compagnie. De campagne mislukte en de soldaten verdwaalden jammerlijk in de woestijn. Een plaatselijke stam, de Himyar, begon twee eeuwen later naburige stammen te onderwerpen, en groeide uit tot een koninkrijk met hoofdstad Zafar. Dit koninkrijk onderhield diplomatieke betrekkingen met de Romeinen, met de Perzen en met Ethiopië. Een inscriptie op een graf in de buurt van Haifa, ontdekt in 1936 oj, spreekt ovet Himyarietische gestorvenen met een Joodse naam.

In de vierde eeuw oj zond Constantius II een missie naar de Himyarieten om hen tot het christendom te bekeren, wat volgens christelijke bronnen botste op joods protest, wat de koning er niet van weerhield onmiddellijk een paar kerken bouwde. Aangezen Ethiopië omstreeks dezelfde tijd christelijk werd, kan de missie best plaatsgevonden hebben. Maar verschillende opgravingen maakten duidelijk dat als de Himyarieten ooit christelijk werden, dat slechts voor korte duur was.

Meer dan een eeuw lang werd het koninkrijk geregeerd door een joodse monarchie. Een legende beschrijft hoe een christelijke missionaris, genaamd Azqir, een kapel bouwde met een kruis erop, en gearresteerd werd. De kapel werd met de grond gelijk gemaakt. De koning trachtte de missionaris te overreden zijn geloof in Christus op te geven, maar Azqir weigerde en werd, na de nodige mirakels te verrichten, publiek ter dood gebracht in de stad Najran. Een rabbi had die plaats aanbevolen omdat daar christenen zaten die een hint konden gebruiken.

Het joodse konkrijk werd onder de voet gelopen door het christelijke Aksum (huidig Ethiopië.) Na een laatste kortstondige joodse overwinning kregen de Ethiopiers steun uit Byzantium, en in 525 oj werd de hoofdstad Zafar voorgoed vernietigd. Het Himyar koninkrijk werd van de aarde en uit de geschiedenisboeken gewist. Een joodse gemeenschap overleefde achtereenvolgens Perzische en moslimse overheersing, tot in de twintigste eeuw.

De Himyarieten zijn niet de enige die verdwenen zijn uit het historisch geheugen van Israel. Hetzelfde gebeurde met het Noord-Afrikaanse Cyrenaica, een joods koninkrijk in het Oosten van het huidige Libië.

De verspreiding van het judaisme in de Magreb was mogelijk te verklaren door de aanwezigheid van Fenicische afstammelingen, die zich na de vernietiging van Carthago in de tweede eeuw oj massaal tot het jodendom bekeerden. De grote gelijkenis tussen de taal van het Oude Testament en het Fenicisch/Punisch vergemakkelijkte de bekering. En de lokale bevolking was altijd al vijandig geweest tegenover de Romeinse heersers. In de Handelingen der Apostelen (2:10) wordt al gesproken over joodse bekeerlingen uit Lybië en Cyrene.

De kerkvader Tertullianus ging tekeer tegen de massale joodse bekeerlingen van Carthago, en beschuldigde hen ervan er enkel maar op uit te zijn niet te moeten werken op de sabbat. Ook Augustinus en Commodianus hebben zich tegen joodse bekeerlingen laten horen.

Na de inval van de Vandalen in Noord-Afrika, in de vijfde eeuw oj, wist het Byzantynse rijk de macht van het christendom te herstellen, en de Punisch sprekende joden die langs de kust hadden geleefd vluchtten landinwaarts of verder westwaarts. De beroemde veertiende eeuwse Arabische historicus Ibn Kaldum schrijft dat talrijke machtige Berberstammen zich daarop tot het jodendom bekeerden. Joodse Berberstammen waren er in heel Noord-Afrika, van Tripoli tot Marokko. Een van de machtigsten, zegt Ibn Kaldun, was de stam van de Djeraoua, die in Aurès leefde. Dat was de stam van koningin Dihya al-Kahina (volgens één auteur "Judith de Prinses", volgens anderen een Berberse Jeanne d'Arc) die de Berbers verenigde tegen de Arabische invallen, en gedood werd bij hun eerste veroveringen.

Naast de vergeten joodse bekeerlingenrijken van de Himyarieten op het Arabische schiereiland en van Kahina in Noord-Afrika, bestond er een nog het veel machtiger joods rijk: Khazaria in Oost-Europa. Khazaria was onmetelijk groter dan Juda ooit geweest was. Terwijl er nooit bewijzen buiten de bijbel gevonden werden voor het koninkrijk van David en Salomo, wordt Khazaria genoemd in Arabische, Perzische, Byzantijnse, Russische, Armeense, Hebreeuwse en zelfs Chinese bronnen.

Het fascinerende verhaal begint in de vierde eeuw oj, met Turkse en Bulgaarse stammen die met de Hunnen meetrokken en zich vestigden tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee (die lange tijd de Khazar Zee genoemd werd) waar ze zich vermengden met de lokale Scythen. Op haar hoogtepunt strekte het rijk zich uit van Kiev tot de Krim en van de Wolga tot het hedendaagse Georgia. Vanaf de zesde eeuw oj voerde het rijk regelmatig oorlogen met Perzië.

De latere Byzantijnse keizer Justinianus II, die naar de Krim verbannen was, ontsnapte en huwde een Khazar prinses, die bekend werd als keizerin Theodora. Enkele eeuwen later huwde ook de toekomstige Constantinus V een Khazarse. Byzantium en Khazaria waren bondgenoten in de strijd tegen de oprukkende islam, tot in de achtste eeuw Khazaria onder de voet gelopen werd, en de heerser gedwongen werd zich tot de islam te bekeren - zei het voor korte tijd.

Het rijk verwierf inkomsten uit belasting en uit tol op de Zijderoute, de Wolga, de Donau en haar zijrivieren, en uit slavenhandel. Ahmad ibn Fadlan, een diplomaat die in 921 oj het land doorkruiste, schreef:

De koning van de Kazaren die Kagan genoemd word, die ziet men slechts om de vier maanden, op respectvolle afstand. Hij is de Grote Kagan, en zijn plaatsvervanger noemt men de Kagan Bey. De laatste beveelt het leger en draagt de dagelijkse zorg voor het koninkrijk. Hij organiseert plundertochten en onderwerpt de koningen in de omtrek. Elke dag bezoekt hij de Grote Kagan in onderdanigheid.

De geograaf Al-Ishtakhri (omstreeks 932 oj) geeft meer informatie over de vreemde regeringsvorm:

Om de Grote Kagan kracht te geven wordt hij gewurgd met een zijden koord, en wanneer hij bijna gestikt is wordt hem gevraagd hoe lang hij nog wil regeren. Hij noemt een aantal jaren, en als hij vroeger sterft is het goed, mar als hij dan nog leeft, wordt hij ter dood gebracht.

Een gehavend document uit de tiende eeuw oj, dat vandaag in de bibliotheek van Cambridge bewaard wordt, is een van de weinige bronnen over de bekering van de Khazars tot het judaisme. Volgens dit document zouden joden gevlucht uit Byzantium, Griekenland, Baghdad en Khorazan (vandaag Iran, Afghanistan, Turkmenistan, Uzbekistan en Tajikstan) de Thora naar Khazaria gebracht hebben. Toen een bekeerling zich machtig toonde met zijn zwaard in het gevecht, werd hij door het volk tot tot Kagan uitgeroepen, en massabekering volgde.

De vraag rest waarom de Khazars kozen voor het judaisme, en niet voor islam of christendom. De reden lijkt op die van de Himyarieten: om onafhankelijk te blijven van machtige, grijpgrage imperiums. Christen worden betekende zich onderwerpen aan het Orthodoxe Byzantijnse rijk. Moslim worden betekende zich onderwerpen aan het moslim kalief van de Abassiden. Heidens blijven betekende door een van beide geannexeerd en onder de voet gelopen te worden.

De Arabische kroniekschrijver al-Mas'udi schreef:

De joden zijn de koning en zijn hofhouding en zijn volk, de Khazars. De bekering vond plaats tijdens het kalifaat van Harun al-Rashid [omstreeks 800 oj]. Talrijke joden die ervan hoorden vervoegden hen uit alle moslimsteden en uit Byzantium, waar Armanus [omstreeks 944 oj] de joden in zijn rijk dwong om christen te worden.

Het is onbekend hoeveel joden er waren onder de hele bevolking van Khazaria. Er was zeker nog heidendom, en verschillende kronieken zeggen dat kerken, synagogen en moskeeën naast elkaar bestonden. Het gebeurde dat christenen werden terechtgesteld als represailles voor jodenvervolging in Byzantium, maar over het algemeen voerde het rijk een zacht monotheisme, vergelijkbaar met al-Andalus.

Khazaria is twee tot vier eeuwen joods geweest, en werd de bron voor verdere verspreiding van het judaisme langs Iran en Hongarije. Het rijk werd uiteindelijk van de kaart geveegd door de Mongolen van Dzjengis Kan, in de dertiende eeuw oj.

Tot omstreeks 1960 oj was het onderwerp taboe voor historici: in de US en Israel deed het afbreuk aan het zionisme, in de USSR deed het afbreuk aan Slaven en Kiev-Russen.

Het onderscheid: identiteitspolitiek in Israel.

In het vijfde en laatste hoofdstuk onderzoekt Shlomo Sand of joden echt te onderscheiden zijn van andere mensen.

Vóór de grote secularisatie van Europa doorstonden joden harde tijden met het vertrouwen dat zij het "uitverkoren volk" waren. Maar als een kleine minderheid in de schaduw van andere religies, moesten ze zich onderwerpen aan sterkere krachten, en hun bekeringsijver was in de loop van de geschiedenis verdwenen.

Secularisatie in de nieuwe tijd viel samen met het ontstaan van naties; mensen streefden ernaar tot een van de opkomende nationaliteiten te behoren. De Europese joden vormden hier aanvankelijk geen uitzondering op, en Heinrich Heine was vermoedelijk meer Duits dan de grootvader van Hitler. Joden werden Fransen, Nederlanders, Britten of Duitsers die het joodse geloof aanhingen, en in de Eerste Wereldoorlog doodden joden elkaar zonder het te weten, onder de vlag van een of andere Europese staat.

Het zionisme was, vanaf haar eerste congres in 1897 tot het einde van de Eerste Wereldoorlog, een beweging van kleine minderheden die zwichtten voor nationale gevoelens. Wanneer dit zionisme een voedingsbodem vond in de levende Yiddische gemeenschappen in Oost-Europa, die veeleer cultureel dan religieus waren, begon het Joodse nationalisme te gisten, en ontstond een conflict met het nationalisme van de nieuwe staten, dat leidde tot een golf van volkspogroms. Tussen 1880 en 1914 vluchtten miljoenen joden westwaarts, sommigen tot de USA. De oude jodenhaat flakkerde nu ook in het Westen op, en zou leiden tot een van de gruwelijkste genocides in de twintigste eeuw.

Het anti-semitisme in het moderne Westen was verschillend van het anti-semitisme in het Oosten. In het Westen werd de oude afkeer van het vreemde een onscheidbaar onderdeel van de nieuwe democratische massapolitiek. Het nieuwe nationalisme, zoekend naar een identiteit, keerde zich tegen alles wat afweek, huidskleur, haar, dialect, religies...Nationalisme kon niet zonder bepaling van het eigene en de verstoting van het andere. Bijgevolg begon men zich de natie voor te stellen als een bloedband, en het is slechts logisch dat de dichtsbijzijnde buur de grootste vijand werd. Het christendom had de joden eeuwenlang afgeschilderd als de ultieme andere, en nu werd dit element opgepikt uit de oude traditie en gebruikt als grenspost aan de nieuwe nationale gemeenschap.

Het zionisme leende veel van het nieuwe dominerende nationalisme. Het leerde van het Duitse Volkisme en van het Poolse romantisch nationalisme, maar werd door deze voorbeelden vooral aangespoord om één etnie te construeren voor verspreide en gevarieerde groepen, elk met een andere oorsprong. Een bijna onmogelijke opgave, waarbij het Oude Testament onmisbaar was als nationale geschiedenis. Voor de Joodse nationalisten was judaisme niet langer een rijke en gevarieerde religieuze cultuur, maar werd iets hermetisch, zoals het Duitse Volk of het Poolse en Russische Narod. Zo werd het de tegenpool én weerspiegeling van het nieuwe anti-Joodse beeld: een vreemd, rondzwervend volk.

Daarbij keerde het zionisme zich tot de wetenschap van de erfelijkheid. Mozes Hess, misschien de eerste zionist die brak met oude tradities, verwerkte twijfelachtige ideeën, vooral uit de fysieke antropologie, in zijn pogingen de Joodse indentiteit te bepalen. Hij was zeker niet de laatste. De zionisten aarzelden niet de florerende racistische pseudowetenschap te gebruiken waar ze te pas kwam. Max Nordau, een van de hoofdrolspelers van het zionisme, stak zijn mening over ontaarding in moderne kunst, homosexualiteit en geestesziekte niet onder stoelen of banken, en in navolging van het Duitse Volkisme pleitte hij voor rasverbetering door werken op het land en turnoefeningen in open lucht. Martin Buber begon zijn zionistische carrière met het bezingen van de diepe band van het bloed in een gemeenschap van doden, levenden en ongeborenen. Jabotinsky vervolgde dat het gevoel van nationale identiteit niet is gelegen in opvoeding, maar in het bloed, in het fysisch rastype, en in niets anders.

De zionist Arthur Ruppin was er niet van overtuigd dat alle joden even raszuiver waren als de Ashkenazi-joden, en meende dat die best eerst naar het land van Israel zouden vertrekken. Hij had zo zijn twijfels over hoe zuiver het bloed was van de Sephardi-joden, de Arabische joden en de joden uit Jemen, Marokko en de Causasus. Dit diepgewortelde Eurocentrisme bleek toch sterker dan de eenheid van alle joden, en een simpel orientalisme was typisch voor de hele zionistische beweging. Daardoor werd de angst voor gemengde huwelijken een nachtmerrie voor veel zionisten. Ruppin verwoordde het zo, dat

"het is zeker dat de raseigenschappen verloren gaan bij huwelijken met andere rassen, en dat het onwaarschijnlijk is dat de nakomelingen uit zo'n gemengd huwelijk bijzondere gaven bezitten."

Als directeur van het Palestijnse bureau van de centrale executieve van de zionistische beweging, speciaal belast met het aankopen van land, deed Ruppin er alles aan om de etnische scheiding met de lokale boeren te verzekeren. Tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hield hij contact met eugenetici in Duitsland. Deze contacten werden niet verbroken tijdens de oorlog, want nadat Hitler aan de macht was reisde hij naar Duitsland om een bezoek te brengen aan Hans Günther, de "paus" van de rassentheorie, een lid van de Nazi Partij, architect van de uitroeiing van de zigeuners en holocaustontkenner tot zijn laatste snik.

Maar de grootste was de bekende Britse bioloog en zionist Redcliffe Nathan Salaman. Hij was de eerste die de ideeën van de fysische antropologie trachtte te vertalen naar de nieuwe, veelbelovende wetenschap van de genetica. Zijn artikel "The Heredity of the Jews" verscheen in het baanbrekende "Journal of Genetics" in 1911. Joden waren herkenbaar aan de vorm van hun schedel en lichaamsafmetingen. De klaarblijkelijke verschillen tussen de blanke Ashkenazi-joden en de donkere Sephardim waren te wijten aan vermenging van deze laatsten met hun buren. De lichte huid van de Ashkenazim was te wijten aan hun afstamming van de Filistijnen, die in de oudheid waren opgeslorpt door de Joden. Deze indringers uit het Noorden met lange schedels werden deel van het Hebreeuwse volk, vandaar hun bleke huid. Joden uit Yemen zijn kleiner zijn en hebben een onderdanig karakter omdat het geen echte Joden zijn, maar Arabische halfbloeden: "De echte Jood is de Europese Ashkenazi, en ik verdedig hem tegen alle anderen." Voor Salaman was zionisme veeleer een eugenetica project, een verbetering van het Joodse ras. De jonge mensen in Palestina leken hem groter en sterker: "een of andere kracht heeft op hen ingewerkt om het Filistijnse type te vernieuwen in Filistia." Die mysterieuze kracht was de natuurlijke selectie die de Filistijnse genen bevorderde. Eenzelfde kracht zag hij werken onder de Engelse Joden, vooral zij die schenkingen deden aan de zionisten, waardoor ze een onmiskenbaar Hittietisch voorkomen kregen.

Vóór de Tweede Wereldoorlog was het gewoonte biologische inzichten toe te passen in historische beschrijvingen, vooral in de populaire pers. De fysische antropologie die rassen classifieerde, en de bijhorende theorieën over bloed, werd echter ook aangevallen door wetenschappers. De simplistische overplaatsing van natuurwetten naar de menselijke samenleving en cultuur alarmeerde denkers en wetenschappers. In een lezing getiteld "Judaism as Race and as Religion" volgde Ernest Renan de beroemde Duitse historicus Theodor Mommsen die het toekennen van bijzondere eigenschappen aan een oud geisoleerd ras afwees. De Christen Renan stelde dat Joden altijd bekeerlingen hadden opgenomen, en dat er daardoor grote verscheidenheid was. Hij besloot dat een uniek Joods ras niet bestaat. Aan de andere kant van het politieke spectrum stond de Marxist Karl Kautsky, die biologische toepassingen op de menselijke samenleving verwierp, omdat mensen meer doen dan overleven: zij lenigen ook hun noden. De nieuwe rassentheorieën gingen hand in hand met kolonialisme en dienden om onderdrukking en uitbuiting te rechtvaardigen. Kautsky toonde ook aan dat de uiterlijke kenmerken van Joden even uiteenlopend waren als de bevolkingen waar ze zich tussen bevonden. Speciale kenmerken waren het gevolg van de geschiedenis, niet van biologie. Een van de wetenschappers waar Kautsky naar verwees was Franz Boas, zelf een pionier in het terugdringen van de biologie uit de antropologie.

Na de Tweede Wereldoorlog vielen de termen "bloed" en "ras" in ongenade. Een verklaring van topwetenschappers ("The Race Concept: Results of an Inquiry") gepubliceerd door UNESCO in 1952 verwierp ondubbelzinnig elk verband tussen biologie en nationale culturen, en noemde het bestaan van rassen een mythe. Helaas met weinig effect op Israelische geleerden. Daar werd het Joodse "ras" voortaan de Joodse gemeenschap genoemd, en in de populaire pers "het Joodse gen". Verder ging alles als voorheen: hele generaties studenten groeiden op in de overtuiging dat ze tot een etnisch uniek volk behoorden.

Genetica, net zoals archeologie voordien, werd een tendentieuze wetenschap ondergeschikt aan de nationale ideologie. In de vijtiger en begin zestiger jaren van de vorige eeuw was Israelische genetica nog enkel bekend bij de professionele elite. Aanvankelijk werden de duidelijk partijdige bevindingen gepubliceerd in wereldvermaarde wetenschappelijke tijdschriften, maar bereikten de Israelische media niet. Stilaan kwam daar verandering in.

In 1978 verscheen in Oxford The Genetics of The Jews van Arthur Mourant et al. Genetica werd hierin volledig aangepast aan de bijbel. Alle Joden hadden dezelfde afstamming. Hoe onzinnig ook, dit boek was een aansporing om naar het "Joodse gen" te zoeken aan Israelische universiteiten. Het Nazisme was weer een tijdje geleden, en nadat Israel in 1967 er opeens veel niet-Joodse onderdanen had bijgekregen, werd de nood aan etnobiologische omgrenzing groter. Een wetenschappelijk artikel uit 1980 verklaarde dat vorige onderzoeken niet objectief gevoerd waren, en "bewees" meteen het genetisch verband tussen de Joden uit Noord Afrika, uit Irak en de Ashkenazim, en een opvallend verschil met Arabieren, Armeniërs, Samaritanen en Europeanen. "Joodse genetica" was geboren, en Israel werd een wereldleider op het gebied van onderzoek naar de oorsprong van populaties, en de bevindingen werden zonder schroom overgenomen in de Israelische populaire pers. Tegen het einde van de vorige eeuw was elke doorsnee Israelier ervan overtuigd dat hij of zij tot een homogene voorouderlijke genetische groep behoorde.

In 2000 publiceerde het dagblad Haaretz ongeveer gelijktijdig met Human Genetics (Springer Verlag) dat een mutatie in het Y-chromosoom erg gelijkend was bij Sephardische en Ashkenazi Joden, maar ook bij Arabieren en Palestijnen, wat de Joodse oorsprong in het Midden-Oosten bevestigde. Het verslag was geschreven tijdens het Oslo-akkoord, vóór het uitbreken van de tweede Intifada. Een jaar later bracht Haaretz (ongeveer samen met de American Society of Human Genetics) een nieuwe primeur: de genetische link tussen Joden en Palestijnen bestond niet. De wetenschappers erkenden dat ze te haastig te werk waren gegaan. De Ashkenazim en Sephardim, althans de mannelijke [alleen mannen hebben Y-chromosomen], waren nog steeds met elkaar verwant, maar verder niet meer met Palestijnen en Arabieren, maar nu met Turken, Armeniërs en Koerden. Nog een jaar later meldde een ander dagblad, Maariv, ongeveer gelijktijdig met de American Society of Human Genetics een moeilijk probleem: uit onderzoek van mitochondrisch DNA, dat enkel van de moeder geërfd wordt, bleek dat Joodse vrouwen niet uit het Midden-Oosten afkomstig waren. Men nam aan, dat de voormoeders van de Joden zo'n 1500 jaar geleden in Israel geboren moesten zijn en dan gemigreerd waren naar Italië, de Rijn en de Champagne.

De mentor van deze laatste studie was Karl Skorecki, die na een voorval in een Canadese synagoge tot het inzicht was gekomen dat hij een afstammeling was van het priestergeslacht van Aaron (de broer van Mozes). Hij werd aangetrokken door het Center of Conahim in Israel waar de afkomst onderzocht wordt van mensen met de achternaam "cohen" (vermoede afstammelingen van Aaron, het "Zegel van het Priesterschap"), maar waar ook priesters getraind worden en geld wordt ingezameld voor de Derde Tempel, die moet komen op de plek van de voor moslims heilige Al Aqsa moskee in Jeruzalem.

De populaire pers besteedde geen aandacht aan (schaars) wetenschappelijk protest tegen deze nonsens. Eens te meer wierp de populariteit van de "harde wetenschap" bij het grote publiek haar vruchten af. Net zoals de fysische antropologie een eeuw vroeger de rassenleer voedde, is het nu de moleculaire biologie die halve waarheden en fragmentische resultaten voedt aan identiteit-zoekende media. Zonder twijfel heeft DNA-onderzoek een schitterende toekomst voor zich, maar in een staat waar huwelijken tussen Joden en niet-Joden verboden is, dient men uiterst voorzichtig om te springen met kenmerken van het "uitverkoren volk".

Toen in 1947 de UN stemde voor het oprichten van een Joodse staat, wist niemand wat het woord "Jood" betekende. De zionisten die voor de staat geijverd hadden, hadden geen duidelijke definitie. De fysische antropologie en later de genetica waren er niet in geslaagd een duidelijk onderscheid te maken tussen Joden en niet-Joden. Zelfs de Nazi's hadden dat nooit gekund: ondanks hun biologische rassenleer, het juweel aan hun ideologische kroon, moesten ook zij Joden identificeren aan de hand van bureaucratische documenten.

De eerste missie van de nieuwe staat was hen die zeker geen Joden waren te verwijderen. Van de ongeveer 900.000 Palestijnen in Israel en de gebieden veroverd na de eerste oorlog met Arabische landen , waren er 730.000 op de vlucht geslagen of uitgewezen - meer dan er Joden waren in Israel. Het land werd het historisch erfgoed van het Joodse volk, en dus werd de vluchtelingen de toegang tot hun eigen huizen en velden ontzegd toen de oorlog voorbij was. Daarmee was het etnisch probleem niet van de baan. Ongeveer 170.000 Arabieren woonden nog steeds in Israel, en talrijke Europese inwijkelingen brachten hun niet-Joodse echtgenoten mee. De UN resolutie van 1947 had duidelijk gesteld dat de minderheden in Israel en Palestina hun burgerrechten zouden behouden. Toch onteigende Israel de helft van het land van niet-Joodse ingezenenen, en hield hen onder militair gezag en harde beperkingen tot 1966, terwijl ze uit wettig oogpunt Israelische burgers waren.

Deze dubbelzinnigheid vindt men terug in de Onafhankelijkheidsverklaring van de staat Israel. Het document belooft aan de ene kant gelijke rechten aan al haar burgers, zonder onderscheid van ras of geloof. Aan de andere kant kwam het de zionistische visie tegemoet, en verklaarde dat alle joden ter wereld het recht hadden herboren te worden in hun nieuwe vaderland in Eretz-Israel.

De kracht van een nationale identiteit ontstaat uit het bewustzijn van alle burgers, elkaars gelijken te zijn. De keuze van de naam van de staat en het debat dat daarop volgde werpt hier licht op. Het oude koninkrijk Israel van de Omriden had voor sommigen geen goede reputatie. Er werd voorgesteld "Staat van Judea" te gebruiken, als opvolger van het huis van David en het Hasmoneesche koninkrijk, of "Staat van Zion", ter ere van de zionisten. Als het "Judea" was geworden, zouden alle burgers automatisch "Joden" worden, en als het "Zion" geworden was, waren alle inwoners plots "Zionisten" geweest. Dut werd het toch maar Israel. Al haar burgers zijn sindsdien "Israelis".

Maar de staat weigerde een staat voor al haar burgers te zijn. Het "Joodse volk" werd nog steeds op etnische gronden apart gezet. In 1947 werd al beslist dat in Israel Joden niet mochten huwen met niet-joden. De huwelijkswetten [laws of personal status] werden overgelaten aan godsdienstige rechtbanken. De religieuzen haalden ook hun slag thuis in hun verzet tegen een geschreven grondwet, en de Zionisten waren opgelucht dat assimilatie door gemengde huwelijken af de baan was. Joods nationalisme bleek een speelbal van een sterk rabbijns kamp en haar theocratische tradities. Er waren conflikten tussen seculiere en religieuze sectoren van de zionistische beweging en in de Israelische staat, maar het Joodse nationalisme kon niet zonder religieuze druk, en dikwijls werd beroep gedaan op religie om de zionistische agenda te kunnen doorvoeren.

In 1950 werd de "Law of Return" aangenomen, die zowat alle joden ter wereld het recht gaf te immigreren naar Israel. Ben Gurion noemde bij het voorstellen van de wet "Israel het land van elke Jood die daar wilde zijn." De wet steunde duidelijk niet op humane, maar op etnische grond. Israel was zodoende van Pierre Menzes-France, de Franse eerste minister; van Bruno Kreissky, de Oostenrijkse kanselier; van Henri Kissinger of Joe Liebermann. Zij hadden allemaal het recht zich in Israel te vestigen. Elk lid van de "Joodse natie" kon naar Israel trekken en daar staatsburger worden, en zelfs onmiddellijk weer voorgoed vertrekken.

Inmiddels wist nog steeds niemand waaraan je een echte Jood kon herkennen. In 1962 vroeg een katholieke monnik die Broeder Daniel genoemd werd erkenning van zijn Joodse nationaliteit. Hij was geboren als Shmuel Oswald Rufeisen in een Joodse familie in Polen, en trad als tiener toe tot de zionistische beweging. Hij vocht als partizaan tegen de Nazi's en redde de levens van vele Joden. Op een bepaald ogenblik moest hij zich verbergen in een Carmelietenklooster, waar hij zich tot het christendom bekeerde. In 1958 trok hij naar Israel als nog steeds overtuigd zionist. Hij gaf zijn Poolse nationaliteit op en beriep zich op de Law of Return om Israelisch burger te mogen worden, want ook al was hij katholiek van religie, hij beschouwde zich als Jood van nationaliteit. Zijn verzoek werd afgewezen, ook in beroep. Uiteindelijk werd hem een Israelische identiteitskaart gegeven waarop vermeld stond: "nationaliteit onbekend". Een vergelijkbare zaak is die van de Israelische majoor Binyamin Shalit wiens twee zonen niet als Joden erkend werden, omdat hun moeder (in tegenstelling tot Broeder Daniel) een niet-Joodse was. Toch, zei de majoor, groeiden zijn kinderen op in Israel als echte Joden. Van de negen rechters waren er - gelukkig - slechts vijf het met hem eens.

Blijkbaar was een Joodse nationaliteit zonder het joods-religieuze omhulsel onmogelijk. Na 22 jaar aarzeling werd een definitie toegevoegd aan de Law of Return:

"een Jood is al wie geboren is uit een Joodse moeder, of wie zich heeft bekeerd tot het jodendom, en geen andere religie aanhangt."

Een "Joodse democratie" zou geloofwaardig kunnen zijn als er een trend zichtbaar was naar het lossen van de etnocentrische boeien, en een bewuste poging zou gedaan worden om Israelisch burgerschap uit te breiden en te verstevigen. Maar de afwezigheid van die trend in de algemene cultuur en in het onderwijs en de rechtspraak, en de tegenstand bij de elites tegen het verbreden van de nationale identiteit, maakt het onmogelijk Israel een democratie te noemen. de koppige afwijzing om Israel het land te maken van al haar burgers, vormt een onneembare hindernis voor elke vorm van democratie.

Israel is nog steeds een "etnocratie". Of beter, het is een Joodse etnocratie met liberale trekken. Het is een staat die niet in dienst staat van gelijkberechting van haar bevolking, maar van een biologisch-religieuze etnie die volledig fictief is. Ondanks al haar liberalisme en pluralisme, isoleert zo'n staat haar verkozen etnische groep, niet enkel van haar burgers die niet tot de uitverkorenen behoren, maar van de mensheid.

Geen Jood die leeft in een liberale Westerse democratie zou de discriminatie en uitsluiting verdragen die Irsraelische Palestijnen ondergaan in een staat die verkondigt dat ze niet de hunne is. Maar Joodse zionisten overal ter wereld interesseert het evenmin als de Israelis zelf, dat de Joodse staat nooit zou passen in de Europese Unie of in de USA. Dit weerhoudt hen niet hun steun uit te spreken voor Israel. En waarom zouden ze, aangezien niet zijzelf onderworpen zijn aan de dagelijkse discriminatie en vervreemding die Israelische Palestijnen ondervinden in hun geboorteland?

Het ideale project om het eeuwenoude conflikt op te lossen is het tot stand brengen van een binationale staat tussen de Middellandse Zee en de Jordaanrivier. Misschien heeft het weinig zin de Israelische Joden te vragen hun eigen staat te ontbinden, maar het minste dat ze toch zouden kunnen doen is ophouden met hun staat te reserveren voor zichzelf, en een gedeelte van haar burgers als vreemdelingen te beschouwen.

De laatste zin van The Invention of The Jewish People luidt:

Als de geschiedenis van de natie slechts een droom was, waarom dan geen nieuwe toekomst dromen, nog voor de droom een nachtmerrie wordt?

Nog even opmerken dat het boek een enorme lijst van oude en moderne bronnen bevat, die ik hier weglaat. Ze kunnen teruggevonden worden in de voetnoten in het boek, eventueel in google books.

Opmerking: in het Nederlands worden nationaliteiten (Jood) met hoofdletter geschreven, religies (jood) met kleine letter.

Zie ook http://www.sigervanbrabant.be/blog/


Reacties (0)

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie