A Mind So Rare (Merlin Donald)

In de blog: Over de ethiek van de seculiere samenleving reacties: 2 pdf print

Een revolutionair boek dat aantoont dat we onze kracht als soort te danken hebben aan de ontsnapping uit de eenzaamheid van het eigen zenuwstelsel. Menselijk bewustzijn is ontstaan uit cultuur. Het is biocultureel.

Gedurende de laatste 40 jaar hebben ontelbare laboratoriumproeven aangetoond dat het menselijke bewustzijn een vluchtig en vergankelijk verschijnsel is. Het "venster van bewustzijn", zo werd aangetoond, is tussen 2 en 15 seconden breed. Ook in ruimte is ons bewustzijn beperkt: we kunnnen ons slechts van twee tot zeven dingen terzelfdertijd bewust zijn. Bovendien hebben we enorme "concentratieproblemen": het minst wat gebeurt in de buitenwereld onderbreekt onze gedachten.

Toch zijn mensen er in geslaagd van "denken" hun hoofdbezigheid te maken. Als dat niet binnen het bewustzijn van individuen plaatsvond, waar dan wel? De kleinste rekenopracht houdt in dat de letters gelezen moeten worden en cijfers herkend. Deze taken zijn weer op te splitsen in: met de ogen over de tafel gaan; de plaats van het papier vinden; het begin van de tekst bepalen; lezen van links naar rechts etc...

Bewustzijn werkt als een smalle tunnel. Door die tunnel begeven we ons van het ene moment naar het andere. En heel de tijd hangen we af van hints om aan de gang te blijven. Zonder deze hints dwaalt onze geest in alle richtingen. Bewustzijn, onze intellectuele thuishaven, blijkt het meest beperkte gedeelte van onze geest te zijn.

Maar, vervolgt Donald, gewaarwordingen zijn slechts de voorzijde. Daarachter schuilt het een tussenliggend tijdsbestek, waarin de meeste bewuste akties plaatsvinden. Het is een groter venster van gewaarwording dan het kortetermijngeheugen. Het duurt minuten tot uren, eerder dan de seconden en milliseconden van onze laboratoria.

Een toevallig gezelschap dat over een film converseert omvat kenners en leken, mensen die de film goed vinden en anderen, overtuigden en twijfelaars. Misschien spreken ze verschillende talen, zodat er soms vertaald moet worden. Zulk een gesprek appeleert aan het bewustzijn van alle deelnelmers, het vereist bewuste verwerking, aandacht, waakzaamheid, prioriteiten, het bijhouden van het kortetermijngeheugen. Om de conversatie te volgen, moet een deelnemer de ideeën van de verschillende gesprekspartners bijhouden in aparte plaatsen in het geheugen, en ze aanhoudend terugvinden en aanpassen. De conversatie is geladen met informatie, gevoelsschakeringen en onenigheden. Zelfs de humor en de persoonlijkheidsconflikten moeten genoteerd en bewaard worden.

Het is een onwaarschijnlijke prestatie dat ondanks deze complexiteit, zo'n gesprek uiteindelijk in het geheugen blijft als één samenhangende gebeurtenis. En dit is maar een beperkt voorbeeld: we voeren ook conversaties die dagen of jaren duren. En terwijl een conversatie uitdijt, groeit haar complexiteit. In dit alles spelen de zintuigen slechts een beperkte rol. De waarnemingen van geluiden, gebaren, oogcontacten, en stemmingen komen tweeds na het bewustzijn van de conversatie zelf.

Dit is het echte bewustzijn, verborgen achter de kleine levendige venstertjes van onze zintuigen. De gevergde inspanning staat in geen verhouding tot de gebruikelijke laboratoriumproeven. We hebben ook geen goed model of theorie voor een geheugen met deze capaciteit.

Dat we een enorm repertoire aan mentale operaties kunnen automatiseren, zoals autorijden, pianospelen en spreken, bewijst dat het menselijk bewustzijn bij machte is om zulke routines te installeren en hun volgorde te superviseren. Automatisatie is geen weerlegging van het bewustzijn, het is een van haar bijprodukten. Wiskunde, muziek, schrijven, spreken kunnen we niet opslaan in automatische modules (leren) zonder bewustzijn. Automatische bekwaamheden als taal bewijzen niet dat taal aangeboren is, of dat taal buiten het bewustzijn om gaat. Ze getuigen eerder van de belangrijke opbouwende rol die bewustzijn speelt voor kennis bij volwassenen.

Ons lichaam is niet alleen het toneel voor bewuste ervaring, maar ook voor het geheugen. Verschillende wetenschappers, waaronder Lakoff maar vooral Antonio Damaso hebben hierover geschreven. Volgens Damaso is de lichaamshouding een van de belangrijkste geheugenmarkeringen ("somatische stempels"). Zo merken we ook onmiddellijk de kleinste verandering in de lichaamshouding van anderen.

Bewustzijn observeert en beoordeelt onze orientatie in tijd, ruimte en sociale omgeving. Het plaatst ons ook binnen een autobiografisch geheugen op verschillende niveaus. Ons besef is sterk afhankelijk van ons beeld van de wereld. Het construeert het verloop van iemands leven. Hierbij toont het haar adaptieve waarde, omdat het met een langer tijdverloop en met een ruimere omgeving rekening houdt dan de onmiddellijke perceptie.

Door deze supervisietaak van het bewustzijn te negeren, en te focussen op de beperkingen van senso-motorische prestaties, hebben de neo-darwinistische hardliners ons beeld van het bewustzijn vertekend. Aan de andere kant hebben klinische neuropsychologen steeds een pragmatische kijk op bewustzijn bewaard. Ze hebben niet alleen de geschiedenis aan hun kant, maar ook de evolutietheorie. Een klinisch oordeel vergt dat men zijn eigen geest observeert, maar ook die van de patient. Deze "mindreading" gaat verder dan taal: soms zegt een stilte meer dan woorden. We doen dat zonder speciale opleiding, omdat onze sociale intelligentie meer ontwikkeld is bij ons dan bij andere primaten. Dit gaat zelfs zo ver, dat we onze eigen gedachten kunnen ontleden. Ook deze methode brengt risico's van subjectieve fouten mee, maar het is een onmisbaar gereedschap, zelfs in tests als oogonderzoek etc...

Veel theoretici zijn van mening dat de kwalitatieve aspecten, of qualia, van onze subjectieve ervaringen nooit onderwerp kunnen zijn van een materialistische theorie over hun oorsprong. We kunnen nooit zeker zijn dat een ander de kleur "rood" op dezelfde manier ziet als we zelf doen. Maar dit heeft in de grond geen betekenis. We moeten mindreading benutten als een overlevingsmechanisme. Met alle theoretische onzekerheid, blijft dát de essentie van de menselijke cultuur.

Bewustzijn is ontstaan uit de materiele wereld. Het is een aspect van complexe levensvormen. Aangezien we weten dat complex leven ontstaan is uit inerte materie, volgt daaruit dat ook bewustzijn ontstaan is uit inerte materie. Het is geevolueerd zoals alle andere aspecten van het leven.

Onze onzekerheid over bewustzijn bij dieren is niet verschillend van onze onzekerheid over bewustzijn bij mensen. Het ligt intuitief voor de hand dat dieren bepaalde qualia ervaren als mensen. Veel dieren hebben ongeveer dezelfde zintuigen als wij, soms gevoeliger dan de onze, en een reeks van waarnemings- en kennismogelijkheden die duiden op een aanzienlijk besef van wat rondom hen gebeurt. Ze hebben ook gedetailleerde herinneringen aan gebeurtenissen. Hun besef wordt aangetast door neurologische kwetsuren op een wijze vergelijkbaar met menselijke slachtoffers. Deze feiten kunnen niet genegeerd worden, en dus kan men noch aan andere mensen, noch aan dieren bewustzijn ontzeggen. Terzelfdertijd moeten we erkennen dat menselijk bewustzijn bijzonder is.

  • Het eenvoudigste bewustzijn zou men kunnen toekennen aan een dier dat een mentaal model van de wereld kan maken dat verschilt van de onmiddellijke leefwereld. Er zijn verrassend kleine schepsels die aan dit soort bewustzijn voldoen: mieren en bijen snijden regelmatig een omweg af en omzeilen hindernissen op een erg efficiente wijze. Sommigen kunnen ingewikkelde navigatieproblemen uitwerken of zich aanpassen aan onverwacht gewijzigde omstandigheden, ook als die talrijke onderbrekingen vergen en soms weken duren.
  • Meer bewustzijn vergt het herkennen van complexe voorwerpen en gebeurtenissen. Kikkers herkennen muggen, maar geen koe. Er zijn heel wat dieren - sommige insecten, vissen, reptielen - die een soortgenoot moeten herkennen om te paren, evenals het vertoon van bijhorende rituelen. Dit zijn natuurlijk geen intellectuele reuzen, maar de gebeurtenissen herkennen vergt veel van het zenuwstelsel. Hetzelfde geldt voor voedsel zoeken, nesten bouwen, zich verbergen. Uit de cognitieve wetenschappen hebben we geleerd hoe complex deze taken zijn.
  • Een hogere standaard is flexibele aanpassing aan een nieuwe omgeving, iets wat veel dieren met verbeelding en zwier klaarspelen. Hieraan voldoen sommige vogels, zoals een papegaai die een hele lijst voorwerpen en kleuren kan benoemen.
  • Nog een hogere standaard is mentale onafhankelijkheid van de omgeving. Zelfs de meest gesofisticeerde insecten verliezen hun doel uit het oog bij het minste onderbreking. Dat geldt trouwens ook voor vissen, reptielen en de meeste vogels. Hogeren zoogdieren lijken hun respons te kunnen uitstellen over een lange tijd. Een wolf die een nest muizen opmerkt terwijl hij achter een andere prooi aan het jagen is, of zelf echtervolgd wordt, zal desnoods een dag later terugkeren om hen te verorberen.
  • Zeldzamer is de bekwaamheid om selectief de aandacht te richten. Waar verschillende even aantrekkelijke dingen voorkomen, moet een dier beslissen waaraan het zijn aandacht besteedt, zonder invloed of afleiding door de omgeving. Talrijke zoogdieren scoren hier hoog, en de eigenschap is bijzonder duidelijk bij jagers die een prooi besluipen. Een hond die een prooi heeft bemerkt kan een uur lang zijn aandacht bewaren, en zelfs na een afleiding van enkele minuten terugkeren naar zijn eerste doel. Jagende wolven kunnen hun prooi achtervolgen over lange afstanden, ondanks alle afleidingen onderweg.
  • Een verdere stap in bewustzijn is het bijwerken van geheugen. Een hond kan opspringen en zijn been gaan oppikken waar hij het kortgeleden achtergelaten heeft. De bijwerking van zijn geheugen blijkt duidelijk wanneer zijn been verlegd is, en hij het hele huis afzoekt zonder te vergeten waar hij al gegeken heeft.
  • Het moeilijkste criterium voor bewustzijn is een zekere vorm van sociale intelligentie: de bekwaamheid individuele relaties aan te gaan binnen een aktieve sociale groep. Zulke relaties hangen af van haast onoverzienbare gebeurtenissen en ontmoetingen, allemaal bewaard in een aanzienlijk geheugen, waar elk individu een moet een plaats hebben mét zijn of haar geschiedenis. Dit zou het "bendegeheugen" genoemd kunnen worden. Een hiermee verbonden bekwaamheid wordt soms "mindreading" genoemd: het begrijpen dat ook andere individuen dingen kunnen weten en zich kunnen herinneren. Sommige soorten apen voorzien hoe een ander zal handelen, en soms misleiden ze elkaar omdat ze weten dat de anderen hun handelingen in overweging nemen.

Bewustzijn wordt dikwijls in het algemeen samengevat als de mogelijkheid, extra middelen in te zetten, boven stereotiepe handelingen, om een doel te bereiken. Een beer die vissen gaat moet eerst de beste plaats zoeken, zijn aandacht fixeren, wanneer hij vissen ziet een beter plaats zoeken om de vis te vangen etc....De adaptieve functie van bewustzijn is dus heel praktisch. Het is ook energiebesparend, omdat het dier niet langer de hele tijd voor het maximum hoeft te gaan. Het is ook effectiever omdat het toepassingsgebied veel groter is dan bij stereotiepe handelingen.

Het grote onderscheid tussen ons en de andere apen ligt in het bestaan van een symbolische cultuur, die zich grotendeels buiten de "hersendoos" afspeelt. Deze cultuur verdeelt de kennisactiviteit over talrijke breinen en domineert de gedachtewereld (mind) van haar leden. Desondanks bestudeert de cognitieve wetenschap onze gedachtewereld alsof die opgesloten zouden zitten in een "brein in een doosje."

Mensen verbinden zich al op een heel jonge leeftijd in een uitgebreide en diverse culturele matrix, en profiteren van een opgeslagen voorraad aan cultureel geheugen dat duizenden jaren overspant. Er bestaan dramatische verschillen tussen culturen. Wij mensen zijn zeer diep afhankelijk van deze matrix.

Een afgezonderd brein kan even weinig een symbolische representatie opbouwen als een aap. Taal is slechts mogelijk als er uitwisseling is tussen individuen. Slechts als we een taal geleerd hebben met anderen, kunnen we bij onszelf denken. Dat roept de vraag op waar de oorsprong ligt van dit symbolisch denken: hoe is een overgeerfd apenbrein er in geslaagd een weg te graven uit de soliptische doos en een gemeenschappelijke cognitief universum opgebouwd? In tegenstelling tot hoe we de dingen ervaren, is ons bewustzijn afhankelijk van dit universum.

Bewustzijn, opgesloten in één lichaam, vermengt zich aan de ene kant met het innerlijke universum van het brein, en aan de andere kant met het snel uitdijende culturele universum. Alles wat specifiek menselijk is aan ons soort bewustzijn is het product van een langdurige symbiose met cultuur. Symbolen, ons zelfbeeld, de basis van het autobiografisch geheugen hebben hun oorsprong in de cultuur, buiten de monade.

Mieren beschikken ook over collectieve intelligentie, maar mierenstammen zijn superorganismen verdeeld over talrijke onintelligente geesten. Octopussen zijn de intelligentste ongewervelde dieren, maar hun geheugen is enkel geschikt voor patroonherkenning. Dat maakt hen slaven van hun omgeving.

Mensen gebruiken symbolen in hun dagelijkse omgang. Als we computers in hun natuurlijke habitat beschouwen, zien we dat ze slechts uitbreidingen zijn van de menselijke symbolische cultuur.

De sleutel tot het oversteken van de grote kloof was een fysische verandering in het brein. Het menselijke brein nam toe in omvang, en wel in het bijzonder in het tertiaire gebied van de cortex.

We hebben met de andere dieren gemeen wat Merlin Donald "episodisch bewustzijn" noemt. Dit bewustzijn laat dieren toe hun aandacht te richten, indrukken te verzamelen, een gevecht te mijden of aan te gaan, zich schuilplaatsen of voedsel te herinneren. Episodisch bewustzijn bestaat uit de samenwerking tussen drie niveaus. Elk niveau vertegenwoordigt een gigantische stap in de evolutie:

  1. Binding. Het waarnemen van een voorwerp is meer dan het opvangen van een eenvoudige prikkel. Door "binding" herkennen we complexe dingen en gebeurtenissen in een chaotische bestorming met licht en geluid, een spervuur van fysische energie waaruit het brein net die orde moet filteren die het ding of de gebeurtenis bepalen. Binding is niet aanwezig in de meeste dieren. Een naakslak vlucht voor licht, maar kent geen muren of bomen - zelfs geen andere slakken. Bij zoogdieren heeft de ontwikkeling van selectieve aandacht tot binding geleid.
  2. Kortetermijngeheugen. Dit bood voor de eerste keer de mogelijkheid weg te breken uit het moment van de onmiddelijke prikkel, tijdsverloop waar te nemen en reakties uit te stellen. Het was de eerste plaats waar gegevens gecontroleerd verwerkt konden worden. Om een landschap te kennen moeten alle elementen ervan verbonden worden in het kortetermijnheheugen.
  3. Tussentermijngeheugen. Dit gaat samen met de uitbreiding van de prefrontale tertiaire cortex. Hier vindt "intermediate-term governance" plaats. Het is enkel tot ontwikkeling gekomen bij sommige zoogdieren, inbegrepen primaten en wijzelf. Op dit niveau kan het denken tot op zekere hoogte zichzelf overzien, wat de metacognitieve of evaluerende eigenschap wordt genoemd. Het is voor zover we weten enkel bij mensen volledig tot ontwikkeling gekomen. De belangrijkste nieuwe eigenschap is dat aandacht vrijwillig op acties kan gericht worden.

Episodisch bewustzijn is algemeen bij primaten. Het is echter geen eindpunt. Donald onderkent drie belangrijke transities.

  • De eerste transitie heeft de vroege hominiden voortgebracht (vooral homo erectus.) Hierbij evolueerde het episodich bewustzijn naar het "mimetisch bewustzijn." Hiermee doelt Donald op de bekwaamheid beelden, begrippen en verhalen over te brengen door imitatie en uitgebeelde metaforen.
  • De tweede transitie noemt Donald de overgang naar "mythisch bewustzijn" in homo sapiens. Hieronder valt taal, voorstelling door middel van tekens, rituelen en verhalen.
  • De derde transitie is het ontstaan van "theoretisch bewustzijn" in onze tijd, met de constructie van een symbolisch universum, met uitwendig opgeslagen theorieën, artifacten, vindingen.

Het menselijk bewustzijn is de eerste bioculturele hybride ooit. Het is door evolutie ontsnapt uit de isolatie van het brein en doorgedrongen in de symbolische cultuur. Daartoe deelde het zich op in talrijke subdomeinen, die elk een ander aspekt van de realiteit beheersen.

Daniel Dennett heeft op zijn eigen pedante wijze beweerd dat zijn ideeën zo sterk overeenkomen met die van Merlin Donald, dat A Mind So Rare als inleiding voor zijn werk zou kunnen dienen. Hier is, meen ik, overduidelijk aangetoond dat de thesis van Donald de oude tegenstelling natuur/cultuur oplost door haarfijn te tonen hoe cultuur in evolutie vervlochten zit, zonder daarbij de kracht van cultuur neer te halen. Dennett heeft rond dezelfde thema's geklad met veel frasen maar weinig inzicht. Dat is alles er over te zeggen valt.

Zie ook http://www.sigervanbrabant.be/blog/


Reacties (2)

   

Beste Siger,
Bedankt dat je mij op dit onderwerp gewezen hebt. Het is heel interessant. In Google kwam ik nog een hele rits soortgelijke boeken tegen. Het is een hele wereld die zich opent ! Het maakt meer duidelijk hoe eigenlijk de mens ontstaan is. En tezamen en over de tijd heen veel meer is dan maar een enkele mens. Met bewustzijn dat min of meer helder kan schijnen en verschillende vormen kan aannemen. In het verlengde van A Mind So Rare van Merlin Donald lijkt mij interessant bijvoorbeeld The Master and his Emissary van Iain McGilchrist, dat gaat over de variatie in bewustzijn achter onze variatie in cultuur. Dat gaat ook over bijvoorbeeld het reductionisme van Daniel Dannett, waar dat vandaan komt, welke vorm van bewustzijn er achter steekt. Zie wat dat betreft ook Alle mensen heten Janus van Andre Klukhuhn. Materie lijkt niet slechts materie. Er lijkt leven en bewustzijn in te steken. Maar afhankelijk van hoe je ernaar kijkt, zie je een leven of een dood.

   

Beste Siger,

Naar aanleiding van jouw blog "dualisme" ben ik eens gaan kijken naar publicaties van Merlin Donald.

Zoeken met Google
"Merlin Donald" consciousness site:stanford.edu
geeft Ongeveer 17 resultaten
"Daniel Dennett" en "douglas Hofstadter" leveren respectievelijk ongeveer 1.180 en 210 resultaten op. Geen wonder dus dat Donald mij niet is opgevallen.
Je hebt het over Dennett's pedanterie en dat is iets waar ik van opkijk; ik zal daar verder geen aandacht aan schenken omdat ik denk dat het irrelevant is.
Het werk van Dennett ken ik al veel langer, samen met dat van Douglas Hofstadter.
Dennett en Hofstadter lijken goed op de hoogte te zijn van de resultaten van het empirisch onderzoek en ik vind dat ze zich weinig met wilde speculaties bezighouden.
De huidige onderzoeksmethoden lijken Dennett en Hofstadter alleen maar te bevestigen.
Ik heb natuurlijk nauwelijks nog diepgaand van Donald's werk kennis genomen, maar tot nog toe ben ik weinig nieuws tegengekomen, dat kan ook niet anders, daar zijn publicaties
"Origins of the Modern Mind" is van 1991 and "A Mind So Rare is van 2002, dus niet echt recent in dit zich snel ontwikkelende gebied.
Overigens zijn Dennett en Hofstadter niet mijn enige bronnen, behalve 45+ jaar abonnement op de Scientific American heb ik ook nogal wat andere publicaties geraadpleegd.

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie