Kritiek van de Sociobiologie en de Evolutiepsychologie

In de blog: Over de ethiek van de seculiere samenleving reacties: 16 pdf print

Een ideologie die de moderne democratie opzij wil schuiven, om welke reden en op welke wijze ook, vraagt om kritisch onderzoek.

Elke theorie die zegt dat mensen in hun lot moeten berusten, met welke naam en in hoeveel gedaantewisselingen ook, zal door eervolle burgers aangevochten worden. Deze opstandigheid zelf is de afdoende weerlegging van zo'n theorie: ideologisch, praktisch en wetenschappelijk.

Voorgeschiedenis

De evolutietheorie zegt dat levende wezens kunnen veranderen in de loop van de tijd, en zo nieuwe soorten vormen. Bijgevolg hebben levende wezens gemeenschappelijke voorouders. Levende wezens hebben een lichamelijke vorm en een daarvan onscheidbaar gedrag. Hoeven laten een paard toe over de steppen te draven, handen laten een aap toe in bomen te klimmen. Evolutie heeft vorm en gedrag samen voortgebracht.

Over deze theorie bestaat geen twijfel of diskussie van betekenis. Volgens Niles Eldredge is het de meest stelselmatig en aanhoudend onderzochte wetenschappelijke theorie ooit, en in de loop van al deze onderzoeken, gedurende meer dan een eeuw, werd ze telkens opnieuw bevestigd, verbeterd en versterkt.

Met theorieën over erfelijke kenmerken is het anders gesteld. Richard C. Lewontin (zowat de enige echte geneticus in de hele sociobiologische veldslag) schrijft dat de revoluties van de zeventiende en achttiende eeuw de ongelijkheid die heerste onder de oude aristocratie wel vernietigd hebben, maar niet de gelijkheid en broederlijkheid brachten die uitgeschreeuwd werd op de barricaden. De oude rangen en standen werden vervangen door biologische ongelijkheid, van persoon, sexe, ras, natie en klasse. In een wereld van “gelijke kansen voor iedereen” leerden de nieuwe winnaars al vlug de oude deuntjes: armoede en welstand kreeg je mee van je familie, wie in het foute nest geboren werd haalde nooit de top, een Rockefeller zou nooit pompbediende worden. Deze nieuwe ongelijkheid was “natuurlijk”, zij was vastgelegd in ons wezen en dus voor altijd onaantastbaar door nieuwe revoluties. Je erfde je eigenschappen.

En je had er, sinds het begin van de 20e eeuw, genen voor.

Dit erfelijk determinisme is niet door biologen uitgevonden. Het is een metafoor die stamt uit de tijd waarin de eerste dieren werden geselecteerd voor arbeid of voedsel - de tijd waarin koningen en goden werden gelauwerd als de “Stier die zijn zaad uitstort.” Wel is het de basis voor het “sociaal darwinisme”, dat het recht van de sterkste tot synoniem van rechtvaardigheid promoveerde. Armen en zwakken zouden beter aan hun lot overgelaten worden om op “natuurlijke” wijze ten onder te gaan, om de toekomst aan de “natuurlijke” vrije markt en hebzucht te laten. “The survival of the fittest” is door Herbert Spencer, de profeet van het sociaal darwinisme, uitgevonden. John D. Rockefeller Sr toonde zich een goed volgeling toen hij zei “de groei van een groot bedrijf is feitelijk een survival of the fittest.... het is een wet van de natuur en een wet van God.”

Eerst toen het Nazisme het griezelverhaal van het erfelijk determinisme tot zijn waanzinnigste consequenties had doorgevoerd, ontstond er even een beschaamde stilte onder de hogepriesters van de zelfzucht. Maar al spoedig volgden suksessen in de ontcijfering van DNA en werden nieuwe theoretische modellen op punt gezet. Erfelijk determinisme begon weer schuchter terrein te winnen. De nieuwe naam was niet meer “machtige stier”, “adellijk bloed”, “wet van de sterkse” of “sociaal darwinisme” maar wel “sociobiologie” (die, na enige opschudding verwekt te hebben, een nieuwe schuilplaats zou vinden onder de noemer “evolutionaire psychologie”.)

Wilson's voorstel

De term “sociobiologie” dook sinds de tweede wereldoorlog regelmatig op zonder veel aandacht te wekken, tot in 1975 Edward O. Wilson, tot dan een wereldautoriteit op het gebied van mieren, een veldslag veroorzaakte met zijn boek “Sociobiology: The New Synthesis”. Sociobiologie wordt hierin beschreven als “de systematische studie van de biologische basis voor alle sociale gedrag.” Mensen zijn gebonden door onveranderlijke genen, waaraan geen ontsnappen mogelijk is. De samenleving kan niet zomaar gewijzigd worden, schreef Wilson, want “als de beslissing genomen wordt culturen te wijzigen zodat ze passen bij de eisen van een stabiele ecologie, kan sommige gedrag gewijzigd worden op basis van onze kennis, en ander niet [...] als de gecontroleerde samenleving, die onvermijdelijk lijkt in de [21e] eeuw, haar leden kon dirigeren langs de spanningen en conflicten die ooit aan vernietigende kenmerken hun darwinistische scherpte gaven, dan zouden ook andere eigenschappen kunnen afnemen...”

Drie jaar na “Sociobiology: The New Synthesis” won Wilson de Pulitzer Prize met het vervolgboek “On Human Nature”. Hierin leest men dat “de wetten van de fysica consistent zijn met de biologische en sociale wetenschappen, en dat beide kunnen verbonden worden in ketens van oorzaak en gevolg” en “als het brein ontstaan is door natuurlijke selectie, dan moeten esthetische oordelen en religies langs dezelfde mechanische processen ontstaan”.

Wilson noemt het afwijzen van biologisch determinisme hetzelfde als het niet toepassen van biologische principes op de mens en dus obscurantisme.

Tegen biologisch determinisme heeft onder anderen Richard L. Lewontin krachtig gereageerd. Een leeuw en een lam verschillen wel genetisch, maar de ontwikkeling van een individu en van haar of zijn capaciteiten, bestaat uit een aanhoudende wisselwerking van erfelijke factoren met complexe omgevingen en willekeurig toeval. Men moet alleen maar denken aan de invoering van Arabische in plaats van Romeinse cijfers, of aan de verspreiding van goedkope zakrekenmachientjes, om te beseffen hoe het aandeel van onze omgeving kan veranderen. Wilson stelt het voor alsof de ontwikkeling van erfelijke factoren gebeurt in een omgeving die uit een reeks fysische gebeurtenissen bestaat “die reeds in beweging gezet was voor we geboren waren...Het lijkt of onze vrijheid slechts een zelfmisleiding is [...]En dat is het ook." (p71)

De sociobiologie wilde zowat alle universeel geacht gedrag door de genen verklaren. Steven Pinker en anderen denken aan familiebanden, nepotisme, handel buiten de eigen familie, dominantie, sexisme, lichtgelovigheid, gewelddadigheid, ethnocentrisme, vreemdelingenhaat, verschillen in intelligentie leidend tot ongelijkheid, verschillen in geweten, in asociaal (strafbaar) gedrag, de waan zelf vrijer, slimmer en eerlijker te zijn dan men werkelijk is, een moreel besef ten voordele van verwanten en vrienden, ideeën van zuiverheid, schoonheid en status.

Wilson vervolgt: "het plan van de menselijke ontwikkeling is veel breder en gecompliceerder dan van een insect, maar het blijft een plan [...] als we het volledig willen begrijpen, moet elk gedrag apart bestudeerd worden en gevolgd, tot op zekere hoogte, als een ontwikkelingsproces van de genen tot het eindproduct.” en “de vraag is niet langer is of menselijk sociaal gedrag genetisch bepaald is, maar in welke mate dat het geval is.” (p19) Maar nog belangrijker is de vraag, in welke mate het mogelijk is zulk een verband wetenschappelijk na te volgen. Het alfabet ligt aan de basis van een krant, maar men kan uit het alfabet niets afleiden over de inhoud van de krant.

Als men alle aspecten van het menselijk gedrag overziet (denk aan genegenheid, verkeer, kunst, liefde, wetenschap, technologie, filosofie, fictie, religie...), moet men al vlug besluiten dat het even onmogelijk is ons streven en onze daden af te leiden uit de 25.000 genen die mensen bezitten, als het onmogelijk is de hele inhoud van een universiteitsbibliotheek af te leiden uit één woordenboek. Net zoals bij het woordenboek, hangt alles af van hoe een handvol herhaalbare bouwblokjes (letters, woorden of genen) zich nestelt in een onvoorspelbaar wisselende omgeving.

Volgens de klassieke theorie van de natuurlijke selectie sterven onbaatzuchtige individuen vanzelf uit, maar toch offeren grote aantallen mierenwerkers zich elke generatie op zonder eindelijk eens uit te sterven. William D. Hamilton heeft een rekenkundig antwoord op dit probleem geformuleerd, namelijk de verwantschapsselectie (“kin selection”.) Verwantsschapsselectie komt hierop neer dat, aangezien iemands genen voor een deel ook in diens verwanten zitten, een individu dat sterft haar genen kan voortzetten als daarbij meer dan twee broers of zussen, of meer dan acht neven of nichten, etc.... overleven. Niet de overleving van van de groep, de familie of zelfs een individu was dus van belang, maar de overleving van het gen (“inclusive fitness”.) Het principe werd in 1976 uitgewerkt door Richard Dawkins in “The Selfish Gene”. Dawkins, nooit verlegen om een eerlijk standpunt; verweet Wilson te geloven in familieselectie en zelfs in de verfoeide groepsselectie. Volgens sommigen betekende "The Selfish Gene" niet minder dan de redding van de sociobiologie.

Sommige gedrag, zoals masturbatie, adoptie, homosexualiteit, geboortebeperking en religieus celibaat zijn moeilijker met selectie van genen uit te leggen. Zelfs Pinker gaf toe dat het misschien wat vergezocht is dat kloosterlingen hun genen doorgeven door te zorgen voor hun neven en nichtjes, zeker als ze in afzondering leven. De kritiek van Lewontin dat sociobiologen de (Europese) geschiedenis niet kennen (ze springen van insecten naar de Steentijd naar de moderne mens) valt ook hier op, want oblatie van kinderen is vermoedelijk zo oud is als het celibaat, en middeleeuwse kloosters hadden voor dat doel kinderslaapzalen.

Lewontin raakt de essentie wanneer hij een samenleving afwijst die geleid wordt door een technocratische elite die “alles weet” over erfelijkheid. Inderdaad, men kan “On Human Nature” moeilijk anders lezen dan als de sprong van een wetenschappelijke stelling naar een politieke keuze (een “is/ought” uitschuiver). Ook al wordt formeel anders beweerd in alle artikels en interviews van Wilson, de politieke keuze die ingebakken zit in zijn theorie is anti-democratisch want technocratisch:

  • "Om ons lot te bepalen moeten we veranderen van automatische controle gebaseerd op onze biologische eigenschappen, naar nauwkeurige koers gebaseerd op biologische kennis." (p6)

  • "de menselijke aard is een ratjetoe van genetische aanpassingen aan een verdwenen omgeving, [zij] is niet enkel het resultaat van voorbije samenlevingen, de menselijke aard kan ook bewust ontworpen worden door komende samenlevingen." (p196)

  • "Dan zal de mensheid zijn derde en laatste dilemma bereiken: menselijke genetica groeit snel...We zullen spoedig over veel informatie beschikken over de genetische fundering van sociaal gedrag....De mesnelijke soort kan zichzelf veranderen. Wat zal de keuze zijn? Zullen we voortborduren op overbodige Ijstijd aanpassingen? Of kiezen we voor meer intelligentie en verbeelding, met meer of minder emotie? Nieuwe patronen van sociaal gedrag kunnen met stukjes en brokjes ingeplant worden..." (p208)

Ook Noam Chomsky protesteerde. Sociale biologie, schrijft hij, werd feitelijk 85 jaar eerder ingeluid door de anarchist en natuurwetenschapper Peter Krooptkin in “Mutual Aid: a Factor of Evolution” gedrukt in 1902. In dit boek bekritiseert Kropotkin de conclusies omtrent de “strijd voor het bestaan” van de bekende T.H. Huxley, die nooit publiek antwoordde, maar in een persoonlijke brief aan Kropotkin diens werk “interessant en belangrijk” noemde. Kropotkin's ideeën over de rol van samenwerking in evolutie, met zijn implicaties voor een anarchistische sociale organisatie, is vandaag even krachtig als de huidige sociobiologie. Maar op een of andere onbegrijpelijke wijze raakte dit werk niet in de “canon”.

Na Kropotkin hebben ook Lorenz, Tinbergen, Goodall en anderen onderzoek verricht naar gedrag van dieren. Er is mi. een schril contrast tussen hun boeken, die de verrassende rijkdom van het leven toonden, en het reductionisme van de nieuwe biologen dat alles uitholt en armer maakt – die een veelkleurige, schuimende wereld onttovert in een machinehal vol schimmige, haperende mechanieken. Nog belangrijker is dat wetenschappers met zulk een wereldbeeld, wetenschappers wiens droom onze nachtmerrie is, menen te weten dat jij en ik “enkel-dit” zijn, en we beter doen wat zij ons vertellen om ongelukken te voorkomen.

Sociobiologie is niet dood en begraven. Ze bloeit vandaag onder het nieuwe etiket “evolutionaire psychologie”, met verschillende professionele tijdschriften exclusief gewijd aan de discipline. “Maar zelfs dan nog gaan sommigen verder met de doelstellingen van evolutionaire biologen in een verkeerd daglicht te stellen of fout te begrijpen.” zegt John Alcock.

De sociobiologische veldslag

Ullica Segerstrale heeft het sociobiologiedebat 25 jaar gevolgd en er een boek over geschreven: Defenders of the Truth: The Battle for Science in the Sociobiology Debate and Beyond.. Wat volgt komt vooral uit een artikel van haar hand en van een bespreking van haar boek.

In tegenstelling tot de ID debatten, waren alle spelers in het sociobiologiedebat overtuigde materialisten, die allemaal in evolutie geloofden. Ze waren voor het grootste gedeelte professoren van Harvard, en enkelen hoorden tot de beste wetenschappers van onze tijd. De belangrijkste tegenstrevers, Wilson en Lewontin, hadden hun kantoor één verdieping van elkaar verwijderd, en voor een tijdje spraken ze niet meer in de lift.

De verontwaardiging voor Wilson's ideeën kwam niet van christenen maar van linkse wetenschappers, en ook van seculiere Joden uit het Amerikaanse Cambridge. Links weigerde te aanvaarden dat de samenleving onverbeterbaar was; Joden weigerden de holocaust the beschouwen als een uiting van onze natuur. Hoe kon ooit een betere samenleving opgebouwd worden als mensen voor altijd door hun genen aan de leiband werden gehouden?

Nog als studente interviewde Segerstrale Wilson, en vroeg hem op de man af hoe gevaarlijk sociobiologie was. Het geruststellende antwoord vond ze bevredigend. Gould en Lewontin aan de andere kant noemt ze Marxisten die eerst hun politieke mening gaven alvorens wetenschappelijk te reageren, wat voor haar lijkt te betekenen dat hun wetenschappelijke standpunten enkel verkapte politiek zijn. Segerstrale suggereert ook dat Gould en Lewontin een schandaal gezocht zouden hebben om gehoor te vinden, maar beide waren reeds lang daarvoor beroemde wetenschappelijke auteurs en Harvardgeleerden.

In een brief “Against Sociobiology”, gepubliceerd in de New York Review of Books, die door door 15 wetenschappers (waaronder Gould en Lewontin) ondertekend werd, werd Wilson verweten theorieën aan te porren die in het verleden hadden geleid tot sterilisatiewetten, politieke eugenetica en de Nazi-gaskamers. Hier de laatste paragrafen:

”[Sociobiologie] is een speciale theorie over de menselijke aard, die niet wetenschappelijk ondersteund is, en die een wereldbeeld verdedigt dat opvallend lijkt op de wereld waarin E.O. Wilson woont. We ontkennen niet dat er genetische componenten bestaan in menselijk gedrag. Maar we denken dat universele menselijke eigenschappen eerder terug te vinden zijn in algemeenheden als eten, ontlasten en slapen dan in zulke specifieke en zeer veranderlijke gewoonten als oorlog, sexuele uitbuiting van vrouwen en het gebruik van geld als ruilmiddel. Het boek van Wilson illustreert de grote moeilijkheid zowel de omgeving, als de persoonlijke en sociale vooroordelen van de onderzoeker, gescheiden te houden van erfelijke facoren. Wilson vervoegt de lange parade van biologische deterministen wiens werk de instellingen van hun samenleving versterkte door hen vrij te pleiten van verantwoordelijkheid voor sociale problemen. Van wat we gezien hebben van de sociale en politieke invloed van zulke theorieën in het verleden, voelen we de dwingende noodzaak onze stem daarrtegen te verheffen. We moeten sociobiologie ernstig nemen, niet omdat het een goede wetenschappelijke basis is om menselijk gedrag te bestuderen, maar omdat het de start aangeeft van een nieuwe golf van deterministische theorieën.”

Het laagtepunt kwam in 1978, tijdens een meeting van de American Association for the Advancement of Science, waar een protesteerder een emmer ijswater over Wilson's hoofd kieperde, terwijl leden van het International Committee Against Racism op het podium klommen en Wilson ervan beschuldigden genocide, racisme en sexisme goed te praten. Gould, die ook aanwezig was, veroordeelde het incident.

In een artikel van 1978 verklaarde Wilson verrassend dat hij nooit beweerd had dat we volledig afhangen van onze genen. Ruwweg, schreef hij, “is misschien 10% van het menselijk gedrag bepaald door genen en 90% door de omgeving.” En omsteeks dezelfde tijd: “er is sterk bewijs dat bijna alle, maar missschien niet volledig alle verschillen tussen culturen steunen op leren en op samenleving, eerder dan op genen.” Omdat noch de genetische, noch de omgevingsinvloed vaste waarden zijn, schrijft Richard C. Lewontin, is het onzinnig procentuele verdelingen voorop te stellen (over de veranderlijkheid van de omgeving onder invloed van ontwikkeling zie hierboven.)

Zie ook http://www.sigervanbrabant.be/blog/


Reacties (16)

   

Het is volstrekt onjuist om de ideeën van Wilson op één lijn te stellen met die van Spencer. De oppositie tegen de sociobiologie is meer politiek dan wetenschappelijk geïnspireerd. Modern onderzoek naar onze evolutionaire verwanten toont aan dat die ook over "menselijke" eigenschappen beschikken, zoals empathie en solidariteit. Wij zijn sociale wezens, en we zijn dat door onze genetische opmaak. Dat is tegenwoordig algemeen erkend.

Overigens laat Dawkins in zijn "The selfish gene" zien hoe het mogelijk is dat homosexualiteit onder mensen kan bestaan, ook als homo's zelf geen nakomelingen krijgen.

   

De erfelijkheid is toch echt zelf één van de peilers van de eigenlijke evolutietheorie. Darwin definiëerde "natuurlijke selectie" vertrekkend van drie elementen:

1. Geen twee individuen zijn precies gelijk ("variatie")
2. Sommige van de (verschillen in) kenmerken zijn erfelijk ("erfelijkheid")
3. Niet alle individuen krijgen evenveel nakomelingen ("selectie")

Waarna de hele evolutietheorie zegt "indien sommige kenmerken tegelijk erfelijk zijn èn de kans op nakomelingen beïnvloeden, dan zullen met het verstrijken van de generaties gunstige (erfelijke) kenmerken meer en meer gaan voorkomen in de populatie".

Kortom, er bestaat geen enkele vertelling van de evolutietheorie (Darwiniaanse zin) die geen beroep doet op erfelijke kenmerken.

Het is intussen zeker waar dat er verhitte debatten zijn geweest over de mate waarin "adaptationisme" tot een verklaring en zelfs voorspelling van menselijk gedrag kan komen. Ik had de indruk dat de grootste emoties een generatie geleden al zijn gekalmeerd, en dat vandaag ongeveer iedereen beseft dat er genetische invloeden zijn, èn dat er omgevingsinvloeden zijn, èn dat je die evenmin van elkaar kan scheiden als je de vraag kan stellen of muziek afkomstig is van de piano, dan wel van de pianist (vrij naar Frans De Waal).

   

Het nature -nurture debat is veel complexer. Tussen genen en omgeving zijn immers zeer vele wisselwerkingen mogelijk, die voor heel wat verstrengeling zorgen.

Er bestaan:
* wisselwerkingen tussen genen onderling
* wisselwerkingen tussen genen en de genendrager (het levende organisme)
* wisselwerkingen tussen genendragers van verschillende soort. (denk maar aan de impact van virussen, bacterieën, protozoa, parasieten, natuurlijke vijanden, enz..
* wisselwerkingen tussen genendragers van de zelfde soort. (partnerkeuzes, culturele voorkeuren, genocides)
* wisselwerkingen tussen genendragers en de brede leefomgeving (aangeboren invloeden tijdens de zwangerschap of ontwikkeling voor geboorte selectie door milieu en culturele omgeving, enz)
* epigentische invloeden.
* Leerinvloeden op het levende organisme.

Het verhaal tussen genen en omgeving is daarom zeer complex met zeer veel vrijheidsgraden. Sommige opvallende eigenschappen kan je duidelijker plaatsen als eerder genetisch en andere duidelijk niet, om maar te zwijgen over de tussenvormen. Een ideologische zwart-witbenadering doet bijgevolg altijd geweld aan de werkelijkheid.

   

@Kweetal.
Uiteraard waren de ideeën van Wilson verschillend van die van Spencer.

Het sociologiedebat werd gevoerd door de beste evolutiewetenschappers van dat ogenblik, maar het was zondermeer een politiek debat, van beide zijden.

@Koenrobeys,
Het sociobiologiedebat is geen meningsverschil over de werking van de evolutietheorie, maar over de vraag of een andere dan de Amerikaanse samenleving anno 1970 "genetisch" toelaatbaar is. Dus een meningsverschil over het onderscheid tussen een [i]wetenschappelijke genetica[/i] en een [i]deterministische genetische doctrine[/i].

PS: omdat ik mijn ander blog wil afbouwen heb ik een aantal oudere posts op Filosofie.be geplaatst, die door hun datum misschien aan de aandacht ontsnapt zijn. Een aantal posts op mijn oude en nieuwe blog raakt dezelfde problematiek.

Zie indien interesse:
http://www.filosofie.be/blog/over-de-ethiek-van-de-seculiere-samenleving/
http://home.scarlet.be/rh/blog/


---
Bewerkt door Siger op Mrt 25 12 10:49
   

Siger: Ik twijfel er geen moment aan dat *sommige* mensen sociobiologie gebruikten als argument voor "genetisch toegelaten samenlevingen". En ik begrijp dat je *die* mensen vergelijkt met Spencer en voor mijn part de nazi's. Maar als je het ideeëngoed voorstelt alsof het daarmee gezegd is, dan vind ik je bijzonder onheus.

Bijvoorbeeld, een kritische aanpak van "genetisch determinisme" (zelfs als we nog lang niet op het niveau van genetische toelaatbare samenlevingen zitten) lijkt me zeker aangewezen. Toch hoeft "kritische aanpak" niet hetzelfde te zijn als "a priori verwerpen". Neem het volgende voorbeeld: "mannen zijn gemiddeld groter en sterker dan vrouwen". Dat is om te beginnen simpel meetbaar. En verder kunnen we heel gemakkelijk verklaren in termen van "natuurlijke selectie" (en dus, onder andere, op basis van erfelijkheid) waarom dat zo is. Dat is heel interessant en het wordt zeker alleen maar interessanter ("kritische aanpak") wanneer mensen daar bedenkingen, tegenvoorbeelden, aanvullingen, etc bij meegeven.

Maar als het over gedrag gaat wordt het veel moeilijker. Probeer deze: "vrouwen zijn gemiddeld meer aangetrokken tot kinderen dan mannen". Dat is om te beginnen al veel moeilijker meetbaar. Verder is er een aspect van wat ik "politieke vervuiling van het denken" noem mee gemoeid. Een meestal "links" perspectief wilde heel graag dat dat alleen maar het gevolg van sociale conditionering was, en een meestal "rechts" perspectief wilde heel graag dat soort conditionering verstoppen achter "objectief" en "wetenschappelijk" lijkende argumenten.

Maar ik geloof toevallig dat dat van die "gemiddelde aantrekkingskracht" waar is. En ik vond altijd dat de typische "sociobiologische" argumenten die ik daar een 20tal jaar geleden over las me nogal overtuigend leken. Ze zijn precies analoog aan de argumenten waarom mannen gemiddeld langer zijn dan vrouwen. Bovendien is me nooit duidelijk geweest hoe ik daar "noodzakelijk" theorieën over "vrouwen aan de haard" zou kunnen uit afleiden (toevallig denk ik integendeel dat het "onnatuurlijk" is, in de zin dat je weinig andere primaten dat soort gedrag ziet vertonen, dat een vrouw zich sociaal zou moeten isoleren omdat ze kinderen heeft).

En daarop heb ik vaak behoorlijk emotionele reacties gekregen, die me vaak onheus leken. Ik begrijp dat er een stuk "determinisme" inzit, en ik begrijp dat er politiek misbruik van gemaakt wordt, maar dat zijn geen argumenten die de stelling weerleggen. Omgekeerd denk ik niet dat ik zelf erg emotioneel zal worden als iemand wel degelijk met rationele argumenten de stelling weerlegt ("kritische aanpak").

Dus het kan dat ik daarmee "onpopulair" ben, en het kan ook zijn dat ik dit onderwerp gewoon fout voor heb, maar ik heb geen zin om wegens dit soort ideeën vergeleken te worden met Spencer, met de nazi's of met mensen die over "genetisch toelaatbare samenlevingen" te praten (ik beschouw mezelf ook nog als een "Hayek-liberaal" als dat je iets zegt). Nu begrijp ik best dat je mij daar ook helemaal niet mee wil vergelijken - maar als je het hele "sociobiologisch bouwwerk" voorstelt als niet meer dan de aanhangers van "genetisch toelaatbare samenlevingen", dan vind ik, om af te ronden, dat je heel erg onheus bent.

   

We hebben in Nederland ook een dergelijke discussie gehad, toen prof. Buikhuisen het plan opvatte om de genetische achtergronden van crimineel gedrag te onderzoeken. Hij werd door de linkse pers compleet neergesabeld. Tegenwoordig is dat soort onderzoeken aan de orde van de dag. Met name het gedragsonderzoek van andere primaten, onder andere door Frans de Waal, heeft ervoor gezorgd dat zoiets nu veel meer geaccepteerd is. Als onze genetische verwanten zich overeenkomstig gedragen aan ons, hoe kun je dan nog ontkennen dat gedrag een genetische component heeft?

   

Kweetal,

Je wekt de indruk zowel mijn blog als Frans De Waal slordig gelezen te hebben. Bovendien dwaal je (daardoor?) van het onderwerp af, en houdt het bij schijnargumenten als "neergesabeld door de linkse pers".

Frans De Waal was een tegenstander van het eerste uur. Hier een recent citaat (http://www.nwo.nl/files.nsf/pages/SPES_5VEGCL/$file/Huygens-2002.pdf):
"Ook kan het nauwelijks toeval zijn dat de opkomst van de sterk op de vrije markt georiënteerde politieke leiders, zoals Ronald Reagan en Margaret Thatcher, samenviel met de sociobiologische nadruk op het zelfzuchtige gen. De mens werd in die tijd beschreven als amoreel. Belangeloze hulp (altruïsme) werd afgedaan als slechts schijnbaar belangeloos. Deze visies waren tegenovergesteld aan die van Charles Darwin. Darwin geloofde in een evolutionaire basis van de ethiek. Ik ben opgelucht dat we tegenwoordig weer naar Darwins houding terugkeren.
Reagans pleidooi voor hebzucht (gospel of greed) heeft in het post-Enron tijdperk ineens aan kracht verloren. Hebzucht is uit en moraliteit is weer in. Terzelfder tijd zien we een stroom van evolutionaire boeken over samenwerking, wederzijdse verplichting (commitment) en de oorsprong van de ethiek. Mijn eigen werk past in deze ontwikkeling en liep erop vooruit met haar nadruk op verzoening, wederkerigheid, empathie, en de eerste tekenen van ethiek bij apen en mensapen."


---
Bewerkt door Siger op Mrt 25 12 4:55
   

koenrobeys,

Ik hap niet naar het Hayek-visje om niet af te dwalen - wie weet komen onze (stellige) meningsverschillen over economie later nog eens aan bod.

Maar je schrijft: 'maar als je het hele "sociobiologisch bouwwerk" voorstelt als niet meer dan de aanhangers van "genetisch toelaatbare samenlevingen", dan vind ik, om af te ronden, dat je heel erg onheus bent.'

Ik weet niet wat je met "het hele sociobiologische bouwwerk" bedoelt. Mijn post gaat over wat sociobiologie werd genoemd op die plaats in die tijd, en het manifest was "On Human Nature" van Wilson. Ideeën van dezelfde strekking worden tot vandaag bijvoorbeeld verdedigd door Alcock (die de term "sociobiologie" blijft gebruiken) en Pinker (die zich als evolutiepsycholoog beschouwt.)

In sommige recente handboeken wordt het begrip "sociobiologie" ruimer toegepast. Dan is het een synoniem met een andere betekenis. De tegenstanders van "On Human Nature" waren allemaal grote evolutiebiologen (Lewontin was en is nog steeds een van de belangrijkste genetici) die er niet aan twijfelden dat de evolutietheorie op mensen van toepassing was. Ze geloofden alleen niet dat het daarmee ophield.

Het onderscheid tussen de partijen was dus niet darwinisme (de tegenstanders van On Human Nature stonden dichter bij Darwin dan Wilson) maar sociaal determinisme, een begrip dat inderdaad intuitief beter aanvoelt dan wetenschappelijk.


---
Bewerkt door Siger op Mrt 25 12 4:57
   

Wat ik met "het hele sociobiologisch bouwwerk" bedoel is dat enorm groot stuk ideeëngoed dat helemaal niets met het "sociaal Darwinisme" (van bijna een eeuw daarvoor) te maken heeft.

Dus het kan best zijn dat (ik herhaal) *sommige* mensen die sociaal-Darwinistische ideeën verdedigden onder de sociobiologie terug te vinden zijn. En natuurlijk begrijp ik dat je *die* mensen in één adem noemt met pakweg Spencer. Maar er is een massa "sociobiologie" - zoals nadenken over de verschillen tussen mannen en vrouwen, niet alleen in lichaamseigenschappen als gemiddelde grootte maar ook in gedrag - die met dat sociaal-Darwinisme helemaal niets te maken heeft.

Maar dat groot stuk "sociobiologisch bouwwerk" mis ik helemaal in jouw beschrijving van de "sociobiologie", die je dus eerst reduceert tot een heel benepen stukje, volgens mij niet erg representatief, om vervolgens het hele concept in die termen te bekritiseren. Dus vind ik dat je zowel kwalitatief als kwantitatief de grote meerderheid hebt weggesneden, en het overblijvende bekritiseert: wat ik nogal "onheus" vind.

Overigens hoeven onze meningsverschillen over economie niet te beletten dat je beseft dat een Hayek-liberaal wel niet erg aan ideeën over sociaal gedetermineerde individuen zal zijn...

   

Beste siger,

Hoe wil je het effect van de erfelijkheid van de leden van de groep op groepsgedrag verklaren, als je niet het gen als uitgangspunt neemt? Hoe kun je zelfopoffering begrijpen als je het individu centraal stelt? Het enige alternatief is om met waardenbeladen termen te gaan werken, en dan begeef je je buiten de wetenschap. Wetenschap berust op het toetsen van hypothesen,zonder aanzien des persoons. Sociobiologie is wat dat betreft een integer project, dat probeert op wetenschappelijke manier vast te stellen wat de invloed van de genen is op het gedrag. En wat politici als Reagan en Thatcher daarvan vonden, is wetenschappelijk niet interessant.
En, nogmaals, als het gedrag van andere primaten lijkt op dat van ons, wat anders kan daarvan de oorzaak zijn dan de genen? Wij hebben die chimpansees niet opgevoed tot morele wezens.

   

E.O. Wilson was (wat zeg ik: is, hij is 83 maar nog steeds niet dood) heel erg in orde, en een sieraad voor de wetenschapsbeoefening. Als humanosoof heb ik zijn "On Human Nature" doorgeworsteld, en hoewel ik fijne antennes heb voor iets wat 'niet in orde' is, hangt E.O. Wilson mij bij als behorend tot de top 1000 der grote geesten van onze tijd. Ook zijn "Biophilia Hypothesis" staat (slechts ten dele doorgeworsteld) in mijn boekenkast.
Wat ik tegen de tekst van de topic heb is dat daarin wel de kritiek van Gould en Lewontin staat weergegeven, maar niet Wilson's respectabele verweer hiertegen.


---
Bewerkt door couw op Mrt 25 12 11:03
   

Beste Kweetal,

Een vergelijking: onze genen zijn noodzakelijk om boeken te schrijven en te lezen, maar je kan niet alle boeken uit alle bibliotheken verklaren met de 25.000 genen die mensen hebben. Net zoals je niet elke tak van een boom kan verklaren met zijn genen.

Het te simpel om voor elk gedrag een gen te postuleren: "je doet het, dus heb je er een gen voor".

Terzijde: opnieuw lees je erg slordig als je meent dat De Waal gezegd heeft wat Reagan en Thatcher vonden van de sociobiologie.

Beste Couw,

In een discussie geven gewoonlijk de verschillende standpunten hun eigen argumenten. Je bent ontstemd omdat hier geen verweer van E. O. Wilson geciteerd is, maar ondanks je grenzeloze bewondering voor Wilson waag je zelf geen poging.

Terzijde: als je "The Biophilia Hypothesis" nog eens ter hand neemt, even de auteur checken.


---
Bewerkt door Siger op Mrt 26 12 5:04
   

Siger,

Als er hier iemand slecht leest, ben jij het. Waar heb ik gezegd dat je met betrekking tot de menselijke psyche "elke tak van een boom kan verklaren met zijn genen"? En waar heb ik gezegd dat de Waal iets gezegd heeft over wat Reagan en Thatchet vonden van sociobiologie? Ik heb het zelfs nergens gehad over wat de Waal heeft gezegd. Ik had het alleen over zijn onderzoek naar primatengedrag.
Ondertussen geef je maar steeds geen antwoord op de vragen die ik stel. Misschien komt dat omdat je niet alleen mijn commentaar, maar ook het boek van Wilson slecht hebt gelezen.

   

Beste Kweetal,

Je vragen zijn te uitgebreid om hier zinnig te beantwoorden.

De essentie is, denk ik, dat genen sporen van het verleden meedragen voor volgende generaties, iets wat hersenen doen voor de cultuur van dieren als wij. Waarbij nog eens ons "geschreven geheugen" komt etc...

De mementheorie, die weliswaar op sterven na dood is, was een verdienstelijke poging, en toont dat ook Richard Dawkins (in de laatste hoofdstukken van The Selfish Gene) niet tevreden was met een genetische verklaring van de cultuur.

Daarnaast heb ik enkele recente boeken van befaamde biologen samengevat die deze vragen behandelen en soms (tentatief) antwoorden geven, of toch uiteenzetten in welke richting hedendaagse biologen zoeken. Ze staan gedeeltelijk al op deze blog, maar voor het gemak geef ik de referenties van mijn samenvattingen op mijn huidige blog (http://home.scarlet.be/rh/blog/):

*Wild Recht, de Moraal van Dieren (Marc Bekoff en Jessica Pierce.)
*Evolutie, De Uitgebreide Synthese (een 14-tal biologen.)
*Biologie voorbij de genen (Denis Noble.)
*A Mind So Rare (Merlin Donald.)

Sorry, maar links plaatsen lijkt hier niet te werken. Als je er commentaar op wil geven, dan best bij mijn "oude posts" hier.

Verder zijn "Endless Form Most Beautiful" van Sean B. Carroll, en "The Plausibility of Life" van Marc W. Kirschner en John C. Gerhart interessant.


---
Bewerkt door Siger op Mrt 27 12 2:54
   

Beste siger,

Waar het hier om gaat is groepsselectie. Sociale dieren, zoals de mens, leven niet alleen in een groep, maar ze leven ook terwille van die groep. Dat kan onder andere inhouden dat ze hun eigen overlevingskansen ondergeschikt maken aan die van de groep. En dat is alleen evolutionair te verklaren door de genen centraal te stellen. Immers, als een individu zich opoffert ter wille van de groep, en hij krijgt daardoor geen nakomelingen, zullen zijn genen toch blijven voortbestaan en worden verbreid, omdat zijn verwante groepsgenoten die ook dragen. De moed van een man die sneuvelt bij het verdedigen van de groep wordt zo indirect overgedragen naar de volgende generatie. Het is wat kort door de bocht, maar zo kun je sociaal gedrag vanuit de genen verklaren. Als je enkel uitgaat van het voortbestaan van individuen, kun je dergelijk gedrag niet verklaren.

   

Niet alleen genen bepalen het voortplantingsucces. Knip de pauw zijn staart bij en zijn concurrent met de wat kortere staart krijgt plots meer aandacht van de vrouwtjes. Wanneer omstandigheden minder gunstig uitvallen, stellen genen weinig voor. Geef de slimme chimpanseeman een vat waarmee hij lekker gerommel en lawaai kan veroorzaken en hij jaagt zelfs de stoerste bink weg en wordt alfamannetje.
Eeneiige tweelingen delen dezelfde genen, maar omstandigheden tijdens de zwangerschap kunnen al voor heel wat verschillen zorgen bij geboorte qua temperament, seksuele geaardheid, gezondheidsverschillen, intelligentieverschillen, enz...... De wisselwerkingen tussen genen en omgeving zijn doorslaggevender dan de genen op zich of de omgeving op zich.
Sociaal psychologen weten hoe belangrijk invloeden van de groep op mensen zijn. Invloeden die vaak verder kunnen reiken dan genen. Bovendien kennen we ook zoiets als regressie: het steeds neigen terug te vallen naar een gemiddelde. Kinderen van getalenteerde mensen erven niet noodzakelijk de eigenschappen van hun ouders.
Partnerkeuze wordt op de eerste plaats bepaald door omgevingsfactoren en culturele factoren zoals ras, leeftijd, religie, opleiding, rijkdom, politieke voorkeur voor intelligentie, lichamelijke aantrekkelijkheid,lenge/gewicht, aantal nakomelingen, enz... Bovendien hangen deze voorkeuren ook samen met leerprocessen. Partnerkeuze in Brazilië is niet rasgebonden omdat de vele rassen daar al vermengd zijn. Dat zal ook meer en meer het geval worden in onze steden. Op dit ogenblik bestaan er nog grenzen qua partnerkeuze tussen 'allochtonen' en autochtonen, maar van het ogenblik de welvaart zal toenemen bij allochtonen, zullen ook die partnerkeuzegrenzen verschuiven, met als gevolg nog meer vermenging van genen. Omdat de mensen vandaag zich tegen allerlei ziekten kunnen vaccineren, speelt een genetisch voordeel (immuniteit) minder een rol tegenover vroeger. Vele 'Europeanen' die de pest hebben overleefd in de late middeleeuwen, hebben nu waarschijnlijk ergens nog een nazaat rondlopen, tegenover zij die er toen aan stierven.
Genen werken analoog zoals dobbelstenen. Het aantal ogen ligt vast met hun mogelijke configuraties, maar de ene configuratie heeft meer succes in de ene omgeving dan de andere. Ook selectie werkt willekeurig tenzij de omgeving langdurig op genen kan selecteren. Met de huidige mondialisering worden de menselijke genen weer opnieuw meer door elkaar geschud. Mensen migreren en verspreiden zich als toeristen, als gastarbeider of bedrijfsleider de wereld rond en seks wordt nu eenmaal overal even gretig bedreven. En wat mensen aantrekkelijk vinden aan elkaar is stevig onderhevig aan culturele voorkeuren, hypes en modegrillen. Wie weet hoeveel van ons nog ergens een beetje neanderthalergenen heeft. Vroeger tijdens de oude beschavingen werden genen verspreid door plunderende en verkrachtende soldaten, vandaag is het voldoende een toerist te zijn of een jongere op zoek naar avontuur in een ander land. En hoe meer talen die jongere kent hoe meer genen hij/zij kan verspreiden.
Want de kennis van taal is minstens belangrijker dan lichamelijke eigenschappen. Het zijn immers vooral breinen die zich voortplanten en het lichaam is meestal slechts uiterlijke verpakking.


---
Bewerkt door Stefan Noppen op Mrt 31 12 10:47

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie