Rijke schat

In de blog: harm klifman reacties: 17 pdf print

Inmiddels al een kleine 25 jaar lang houd ik een boekenschrift bij. Een dik en stevig schrift met een hardkartonnen omslag. Achterin noteer ik alle boeken die ik lees, per maand geordend, keurig op rij. Voorin schrijf ik van vele een korte recensie en altijd een waardering. Mooie zinnen of passages die ik al lezende tegenkom, schrijf ik over. In de achterliggende jaren vulde ik verschillende dikke schriften met tekstfragmenten die mij opvielen en mij sindsdien dierbaar zijn geworden. Dit nu opschrijvend realiseer ik me dat ik me met deze gewoonte plaats in de oude retorische en poëtische traditie waarin opvallende taalvondsten en invallen werden verzameld in een boekje dat men altijd bij zich had.__

Van huis-uit ben ik neerlandicus en filosoof: twee disciplines die welvaren bij het Grote Verhaal. Ik bedoel de breed uitgesponnen redenering, de totaalvisie, het omstandig beargumenteerde eenheidsbeginsel waartoe het hele zijn te herleiden is, de grote verbeelding. Tijdens mijn studie leerde ik die verhalen, tijdens mijn leven daarna ervoer ik regelmatig de waarde ervan, de schoonheid of praktische betekenis, zoals Plato’s (427-347) beginsel van het ware, het schone en het goede. Of zoals de praktische werking van logische categorieën van Aristoteles (384-322): geslacht, soort, onderscheid, eigenschap, en kenmerk (een vijftal dat in de triviumtraditie bekend staat als de praedicabilia). Ik maak er met grote regelmaat gebruik van. Ik herkende de doorwerking van allerlei Middeleeuwse scholastieke onderscheidingen in het beeld van God dat ik lang koesterde. En ja, ik was en ben nog steeds echt diep onder de indruk van wat Immanuel Kant (1724-1804) presteerde met zijn Kritik der reine Vernunft en andere Kritiken. En zo kan ik meer voorbeelden noemen. Inderdaad, ik houd van het Grote Verhaal.

Filosofie is een ingewikkeld vak. Wat het ingewikkeld maakt, is dat iedere filosoof bij voorkeur zijn eigen weg gaat. O ja, er is wel ‘schoolvorming’, dat wel, maar toch. De diversiteit laat zich vooral goed aflezen aan de eigen termen die filosofen gebruiken. Een filosoof als Heidegger was daar een meester in en een bekend voorbeeld.

Kijk ik naar de preoccupaties in de huidige filosofie, dan zie ik dat er veel belangstelling bestaat voor de zogenoemde levenskunst. Denk aan de boeken van Joep Dohmen (thematisch), Wilhelm Schmidt (systematisch), en Pierre Haddot (historisch). Ook het boek van August Comte-Sponville, Kleine verhandeling over de grote deugden past wel in dit rijtje. Ik lees dat soort boeken altijd met plezier; ik vind het interessant om kennis te nemen van de verschillen tussen een stoïcijnse, een sceptische of een hedonistische levensopvatting. Het plezier is wat mij betreft vooral een intellectueel esthetisch genoegen en ik moet helaas bekennen dat het daar vaak ook bij blijft. Veel van die boeken veranderen mijn leven niet wezenlijk of grondig. Ik ga me bijvoorbeeld niet toeleggen op een stoïcijnse levenshouding. Op de een of andere manier appelleren deze Grote Verhalen maar beperkt aan mijn behoefte aan spiritualiteit. Dat laatste klinkt wellicht wat onverwacht, maar ik bedoel er slechts mee de verbinding van transcenderende inspiratie met dagelijkse ervaring, de vormgeving aan het levensbeschouwelijke, ook in de dagelijkse praktijk. Neem de bekende categorische imperatief van Immanuel Kant. Ik ken deze, begrijp deze, waardeer deze, maar kan me maar moeizaam betrappen op momenten dat deze imperatief als zodanig richting gaf aan mijn handelen in concrete situaties. Ik ben benieuwd of ik daar alleen in sta.

Teruglezend in mijn boekenschriften valt mij ook en vooral de schoonheid op van het kleine verhaal: van de oneliner, het korte citaat uit een roman, de strofe uit een gedicht. Sterker nog, het is frappant hoeveel wijsheid er kan schuilen in juist een heel kort fragment van een gedicht of een roman. Of hoeveel stilistische kracht kan spreken uit slechts een volzin. Wat kan een goed gedicht in weinig woorden toch veel zeggen en werelden openen in slechts een beeld.

Zoals Abel Herzberg (1893-1989) het dicht:

"Er is in ieder woord een woord, Dat tot het onuitspreekbare behoort; Er is in ieder deel een deel Van het ondeelbare geheel, Gelijk in elke kus, hoe kort, Het hele leven meegegeven wordt."

Toen ik dit herlas moest ik onmiddellijk aan de volgende dichtregels van Huub Oosterhuis denken:

"Zoals een landschap meer ruimte is dan te zien is, En zoenen meer zijn dan de perfecte vorm van de lippen, …"

Mooi is ook een passage uit de novelle Drie rode rozen van Herzberg:

"Er is een bron waaruit alles voortkomt en er is een zee waarin alles uitmondt. Daartussen liggen feiten. Oorsprong en doel van alle mensen zijn gelijk. Die feiten niet."

De 20ste eeuwse filosofen ontdekten eerst goed hoe fundamenteel taal is voor ons begrip van het wezen van de mens, van de mens als soort maar ook er vooral voor de wijze waarop de mens individueel zijn of haar identiteit vormt door zich in te voegen in een boven mensen uitstijgende structuur van betekenissen. Ik kom hier in een later blog nog wel eens op terug. Het fascineert me omdat het zoveel meer inzicht biedt in het wezen van de mens dan dat hele ‘ik-ben-mijn-brein-gedoe’. Alvast een voorschotje.

Ik las in mijn schrift een citaat terug van Fernando Savater over de betekenis van taal voor de menselijke identiteit:

"Als taalwezens dragen we de ander altijd met ons mee. De taal is de interiorisatie van alle anderen. Niemand is alleen: alleen al op grond van het feit dat hij spreekt."

In dit citaat lijkt Savater aan te sluiten bij de visie die enige bescheidenheid bepleit als het gaat om de individuele autonomie. Die laatste klinkt wel weer stevig door in het volgende fragment uit een interview met de filosoof Richard Rorty:

"Wat me in de pragmatisten zo bevalt is dat zij kennis niet beschouwen als een vorm van representatie, maar als een vorm van omgaan met de dingen. Begrippen gebruik je om de zaken te krijgen zoals je ze hebben wilt: het zijn eerder instrumenten dan afbeeldingen."

Ik moest ineens denken aan het tegenwoordig bekende framen, een eigentijdse variant van de wijze waarop de oude Sofisten keken naar ‘waarheid’. Door nieuwe taal te ontwikkelen zet je de werkelijkheid naar je eigen hand.

Met regelmaat lees ik een essay van Michel de Montaigne (1533-1592) uit diens fenomenale bundel De Essays die zo prachtig in het Nederlands zijn vertaald. Ik herken hier een echte Renaissanceschrijver die de klassieke bronnen de autoriteit toekent die zo passend is voor zijn tijd, maar die als schrijver vertrekt vanuit zijn eigen ervaringen. Hij was een van de eersten die de levenskunst beoefende door, zoals we dat nu zeggen: dicht bij zichzelf te blijven. Het leverde pareltjes van teksten op.

Ik blader nog even verder en stuit op een passage die ik overschreef uit Flauberts Madame Bovary:

"Charles’ gesprekken waren zo vlak als de stoep in de straat waarover de ideeën van alleman kuieren in alledaagse kleren niet in staat om enige emotie te wekken, geen lach, geen illusie."

Kijk, als je dit kunt, dan kun je schrijven. Je begint Madame onmiddellijk te begrijpen.

Een paar pagina’s verder stuit ik op een exempel van de praktische wijsheid van die geweldige Nederlandse filosoof, Cornelis Verhoeven die vol relativering kan schrijven over de ernst van het leven:

“Principes: je moet ze elke avond tellen. En dan lachen dat je er nog altijd zoveel hebt.”

Dit citaat laat zich goed verbinden met een gedicht van Toon Tellegen, even verderop in het schrift:

"Ik trok een streep: Tot hier, Nooit ga ik verder dan tot hier.

Toen ik verder ging Trok ik een nieuwe streep, En nog een streep.

De zon scheen En overal zag ik mensen, Haastig en ernstig, En iedereen trok een streep, Iedereen ging verder."

En opnieuw lees ik de passages die ik overschreef uit de Merkstenen van Dag Hammerskjold (1905-1961), de eerste secretaris-generaal van de Verenigde Naties die een diep mystieke levensbeschouwing ontwikkelde.

"Je zult je leven kennen en door het leven erkend worden, naar de maat van je doorschijnendheid – dit is naar de maat van je vermogen om te verdwijnen als doel alleen middel te blijven."

Hoe anders inspireerde Nelson Mandela de menigte toen hij tijdens zijn inauguratie op 10 mei 1994 de volgende parafrase van een tekst van Marianne Williamson uit 1992 gaf:

"Onze diepste angst is niet dat wij ontoereikend zijn. Onze diepste angst is dat we buitenmate krachtig zijn. Het is ons licht, niet onze duisternis die ons het meest bang maakt. We vragen onszelf af: ‘wie ben ik om briljant, schitterend, getalenteerd en legendarisch te zijn?’ Zo waar, wie ben je om dat niet te zijn? Je bent een kind van God. Jezelf klein maken dient de wereld niet. Er is niets verlichts aan krimpen zodat andere mensen om je heen zich niet onzeker voelen. We zijn geboren om de Glorie van God die in ons is, tot uitdrukking te brengen.”

Kijk, zo’n tekst geeft op zo’n moment hoop, heel veel hoop aan een natie die bezig is zichzelf opnieuw uit te vinden.


Reacties (17)

   

Leuk stuk, ik heb het met plezier gelezen.

   

Ik mis een beetje de angelsaksische analytische traditie.
Maar toch: waar is de 'like' button?

   

Wat een prachtige schat wordt ons hier voorgeschoteld, slechts een paar kan ik er beamen.
Er is er echter eentje die in het oog springt en dat zijn voor mij de essays van Montagne. Drie rode juweeltjes, ze liggen op mijn nachtkastje. Het is tevens een mooie manier om mijn frans weer eens wat op te kikkeren voor de naderende zomervakantie in de Dordogne. Meestal ga ik wat eerder te bed, mijn vrouw werkt dan nog even de laatste restjes in de keuken weg, maakt alvast wat brood klaar voor de volgende dag en controleert de sloten. Ik begin dan een essay te lezen en tegen de tijd dat mijn vrouw ons bed induikt, vertel ik haar de inhoud van de essay in eigen woorden want mijn vrouw spreekt geen woord frans. We kunnen daar beiden erg van genieten. Het leuke van de essays vind ik dat er veel rommel tussen zit maar het is dan de kunst net dat ene pareltje eruit te halen. Wij lezen wel gewoon van voor naar achter want we willen liever niet het risico lopen een pareltje te missen. Het is met Montaigne net of het een familielid is, hij spreekt duidelijke taal en is ook heel persoonlijk en beslist niet belerend. Montaigne verstaat als geen ander de kunst om het leven te leven.

Nou wil jij natuurlijk weten wat het laatst gevonden pareltje was. Het zal al weer zo'n dag of tien geleden zijn. We waren aanbeland bij hoofdstuk 13 van het tweede boek. Nauwelijks had ik de titel gelezen of ik wist al meteen dat dit een pareltje zou worden. De titel luidde als volgt: Oordelen over het sterven van anderen.

Ik vertel het maar even zoals ik het mijn vrouw vertel in gewone taal. Een grijsaard spreekt lovend over het verleden en bromt over het heden. Let op, nu komt het: hij bracht de last van zijn eigen ellende over op de wereld en het doen en laten van de mensen belast hij met zijn eigen somberheid.

Mooi hè? De wereld zijn we namelijk zelf. Indirect zitten we een beetje op onze eigen somberheid te mopperen.

   

Dan zal het nog even duren voor je de mooiste parel ontdekt. Dat is het laatste essay. Daarmee rondt Montaigne de bundel briljant af.

   

Het duurt even maar dan komt het besef dat je niets te verliezen hebt.

   

Als u wilt kunt u zich aansluiten bij mijn Ataoïstisch Manifest.

   

Prachtig, meneer Klifman, prachtig.

Schrijvers en dichters brengen je vele malen dichter bij de filosofie dan honderd gortdroge wijsgerige proefschriften. Om maar niet te reppen van Blogs
Een zwaar proefschrift zul je, na consumptie, niet graag nog een keer herkauwen.

Maar passages van Dostojevski, zoals die van de grootinquisiteur?

Of Kafka?

Verder heb je Yeats. The second coming. B.v. “Things fall apart, the centre cannot hold”?

Baudelaire. Correspondances.

La Nature est un temple où de vivants piliers
Laissent parfois sortir de confuses paroles;
L’homme y passe à travers des forêts de symboles
Qui l’observent avec des regards familiers

Peter Verstegen (de vertaler) en Rudy Kousbroek (ook een soort vertaler) lezen er verschillende dingen in. Hoe dan ook, het gedicht kun je vele malen overlezen. Verheugd. En dat doe je niet zo gauw met een gortdroog kennistheoretische of epistemologische verhandeling. (Met “niet zo gauw” verwijs (of refereer) ik naar “verheugd”.)

“Het uur U”? Van Martinus Nijhoff?
Idem dito.

Goethe?

Fremd bin ich eingezogen
fremd geh ich …
USW

Nog iets anders.
Naast literatuur en poëzie, als aangevers van wijsgerigheid, heb je ook nog muziek. Ook muziek is een inspiratiebron. Min of meer toevallig heb ik dat bij mezelf ontdekt. Onder “Ma mère loye” schreef ik teksten in een andere toonzetting dan onder de Mattheuspassion. En bij de woeste Sacre was het weer anders. O, en dan de spot van Sjostakovitsch. Ik dacht de zesde. “Echte ruimte voor lyriek laat Shostakovich overigens niet. Hij zet zijn zinnen eerder op het creëren van beklemmende sferen waaruit fragmentarisch een melodie wil opduiken, al wordt die steevast snel de mond gesnoerd.”

Maar goed, laat ik niet te cultureel doen. Dat staat zo snobistisch, zo “alsof je niet van de stroat benne”.

Over naar uw eigen Rijke schat.

Er komen er een stuk of wat langs.

Joep Dohmen.
Nou nee. ‘k Zal hier niet al m’n annotaties loslaten, dat wordt te veel.

Maar,
“Het midden met betrekking tot het object is een midden dat voor iedereen hetzelfde is. Een halve kilo is een pond. Het midden MET BETREKKING TOT
het subject is voor iedereen verschillend.”
kan bij ons niet door de beugel.
Bovendien citeert die Dohmen zichzelf te vaak.
Bovendien haalt ie te veel Onfray aan. Een persoon die wij niet lusten.

Huub Oosterhuis.
Mwaahh. Gerrit Komrij noemde hem een uitgekookte Jezuïet.

Sponville.
Op uw aanraden voor 10 EURO in de ramsj gekocht.
Nou, veel te opsommerig. En ook te burgerlijk.
Liever lees ik in deze contreien “Humeuren en temperamenten” van Komrij (dezelfde als van hierboven, trouwens).

Abel Herzberg? OK.
Maar z’n dochter dichtte … nou ja, lees ‘t maar.

Flaubert? OK.
"Charles’ gesprekken waren zo vlak als de stoep in de straat waarover de ideeën van alleman kuieren in alledaagse kleren niet in staat om enige emotie te wekken, geen lach, geen illusie."

Mag ik daar op aansluiten met een eigen dichterlijke bijdrage?

HOE LEEST MEN EEN BOEK.

Ik neem thee, jij toch ook?
zouden ze smaakjes hebben?
als ze smaakjes hebben dan,
dan wil ik four-seasons, ja?
dus twee four-seasons?

Hoe leest men een boek?
veel komt aan op de voorbereiding,
aan de voorbereiding herkent men
de uitgelezen lezer…

zullen we er iets bij nemen?
ja toe, we nemen er iets bij,
geef ’s dat ding, daar,
daar naast je, ja geef ‘s
dan zal ik eens kijken

… de lezer met smaak, de fijnproever,
’t liefst zijn de bladzijden ingebonden
met aan een wervel bevestigd,
als leeswijzer, een lint

nee, geen soep, geen soep,
bovendien, soep van de dag?
wat voor sandwiches?
kip, ham-kaas en gezond,
hou ik even in beraad

duim en wijsvinger meten
met snelle bewegingen
alle acht hoeken, maken
het speelveld bekend, daarna …

weet je, je kent Suze -
Suze van Job - die vraagt
gewoon aan de ober de kaart
en doet dan enkel voorgerecht,
carpaccio, om maar iets te noemen

… stevig strijken over de rug
betasten en aaien van
voor- en achterkant,
even open en ritsel laten fluisteren

met van die flinterdunne …
en als lunch voldoende
zal ik ook eens vragen?
nee, toch maar niet, we
zouden ons moeten verplaatsen

en dan heel even, heel terloops
stiekem als het ware
de geur opsnuiven, ruiken
’t liefst ergens middenin

waarom trouwens iets hartigs
we gaan straks toch ook uit eten?
laten we bij die thee, iets zoetigs
appelgebak met slagroom
even kijken in die vitrine

de wikkel-achterflap
het gezicht een tikkeltje scheef
op ietsje ongelovig
op ietsje geamuseerd, en dan …

het zag er prima uit en
ik heb ook alvast besteld
de bediening zei het komt er aan
twee four-seasons thee
twee appelgebak met slagroom

… de hoofdstukindeling
het voorwoord - eventueel
de verantwoording - mits aanwezig
en nog heel eventjes, die neus

vanavond neem ik vis
dat weet ik nu al, vis
en vooraf ook zoiets
garnaaltjes of tonijn
hmmm, ik krijg nu al zin


om de sfeer te proeven
op drie of vier plekken
een paar flarden nemen
een preview, zogezegd

en jij, jij neemt dat toch ook?
geen lappen, bah
die tijd hebben we gehad
nee vis, ik ken een goed restaurant
het zal je bevallen

dan met een diepe zucht
het voorwerk afronden
en overgaan naar
het echte werk

zo, dat is snel en
het ziet er goed uit
wel erg veel slagroom
ja dank u wel … zeg, hoor eens
we gaan nu toch niet lezen?

En aan u de vraag stellen of de associatie klopt? Als u vindt dat het nergens op slaat dan moet u dat onomwonden zeggen.

Vrgr. Steven Wende.

   

De pareltjes die we uit de essays van Montaigne vissen zijn vermengd met onze eigen gedachten. Montaigne geeft aanzetjes om onze eigen gedachte te vormen. Daarom heb ik ook zo zorgvuldig gekozen voor het woord pareltjes, er is niet alleen sprake van een pareltje maar ook van een schelp, een voedzame bodem om de parel tot wasdom te laten komen. Een parel laat zich ook onderscheiden van een gecultiveerd exemplaar waarvan de sierwaarde minder is. En zo komen we als vanzelf op de sierwaarde van een parel want wanneer kan je zeggen dat iets een sierwaarde heeft als het gebruik er eentje is van huiselijk toepassing. De sierwaarde wijst maar al te snel op de buitenwereld maar ik meen dat de buitenwereld nauwelijks kan ontdekken of er sprake is van een gekweekt exemplaar of een echte. Het schijnt dat je het verschil zou kunnen ontdekken als je erin bijt. De echte schijnt wat zachter te zijn dan de gecultiveerde.

Ik ben in de ban van het hoofdstuk waarin we zijn beland: de dood van de ander. Omdat sterven de grootste taak is die we in het leven tegemoet zullen moeten treden. Het gevoel bekruipt me dat we op het hoogtepunt van het werk van Montaigne zijn aanbeland, misschien wel op het hoogtepunt van ons eigen denken maar dat Montaigne de parel in ons los weet te weken. Het nadere einde heeft mij altijd al geboeid, de aanblik van zwakte ten gevolge van een beroerte van het hart of van de hersenen. Het aanzien zonder iets te kunnen doen, er zullen heel wat uien te pellen zijn wil je de rust kunnen vinden te weten dat zwakte niet meteen hoeft worden opgepakt of sterker nog wreed tot leven gebracht. Niet alleen omdat we er niet over gaan maar ook omdat we er niet toe in staat zijn. En wat nog, zou Montaigne menen, wat is er mis met zwakte in het uur van de dood of in andere uren. Zijn we beter af met een vallende ziekte of een eenvoudige hoofdwond met complicaties. We zullen het nooit weten want de dood valt niet te oefenen.

Het is allemaal de last van de grijsaard, de last die hij inbrengt in het leven. Ik kijk om en probeer te ontdekken wat die last dan is. Zijn het de banale dingen, de dingen van het geweten die zo zwaar kunnen vallen. Wat draag ik nu precies met mij mee. Zijn het de lasten niet ook de lasten van mijn voorvaderen of zijn het enkel de mijne. De lasten van mijn voorvaderen zijn moeilijk te traceren, ik zou ze moeten kunnen herkennen bij mijzelf misschien dat ik dan beter begrijp wat die lasten zijn zonder in bijzonderheden te vervallen. Het verhaal van de zonde van het paradijs heb ik altijd afgedaan als onzin maar hoe ver voeren mijn eigen lasten terug. Ik weet het maar ik weiger vooralsnog het uit te spreken. Ik draai liever nog wat om de hete brei. Is het te zien bij het sterven van de ander. Ik heb velen zien sterven maar nooit is me het opgevallen. Er zou toch een verband moeten zijn tussen de last en de zonde. Last en de zonde, zonde en last. En hoever moet ik terug.

Het is mij ontvallen, zojuist wist ik nog een woord, een woord dat hoorde bij de zonde en last, dat zich aandiende als oplossing. Nu is het mij ontschoten, gevallen in de dorre aarde van mijn roerige gedachten. De rede gaat mij hier niet de helpende hand bieden, ik zal het zelf moeten doen. O ja, ik heb hem weer, het woord was oordelen. Het was het oordelen dat een oplossing lekken om de last te ontrafelen. Mijn oordelen is de last, de last die eeuwen lang werd meegetorst de last die uit het paradijs werd meegedragen, het oordelen. Daar waar we zo blij mee hadden moeten zijn, dat gezonde verstand dat zelf wist na te denken, verworden tot een last. Oordeelt niet, ja duhuh, dat woord zegt niets, niet oordelen bestaat niet en oordelen eigenlijk ook niet, zo kom je er niet uit met de last.

Ik heb altijd gevonden dat ik slordig was, nee slordig is niet het goede woord, ik ben rommelig. Rommelig met alles maar zeker ook met gedachten, wat nog wel eens wrevel opwekt om me heen. Maar zo terugkijkend hebben mijn rommelige gedachten vier esthetische porties gedraaid.

   

Drukkend op de verzendknop, bedacht ik mij dat pareltje eigenlijk een ander woord is voor essay.

   

Een sendknop, ook al weer zo'n eigenaardig fenomeen. Waarom zou ik willen senden als ons doel toch sterven is. Ik ben niet verplicht geen dwaze, rommelige dingen te zeggen en bovendien hoeft het ook noiet. versenden is dwaasheid daar passen mijn rommelige woorden misschien wel in.

   

Het rustgevende van literatuur is dat de personages verschillende innerlijke kwaliteiten hebben. De een heeft moed of weet te treiteren, de ander is handig of van nature overspelig. Dit alles dan breed uitgemeten. Ik heb in mijn leven heel wat afgeliteratuurd, alle genres door elkaar.Ik zit nu even te denken wat ik zou doen als mij gevraagd werd een lijstje te maken van zaken aangaande de literatuur. Ik maak van mezelf een zomergast en heb geen enkele moeite met een lijstje, zo gepiept. Nummertje 1 staat met stip Het Bureau van Voskuil. Het is tevens een beetje valsspelen want zo loos ik een heel rijtje pillen ongemerkt het podium op. Vroeger had ik natuurlijk al wel A la recherche du temps gelezen maar franse meligheid is toch weer anders. Dufheid van de koude grond, dat gehannes tussen de verschillende karakters. Ik heb er trouwens van geleerd dat karakters zich nog vormen kunnen gaande de weg en de hierarchie van het ambtelijke leven. Maar de grootste lering was voor mij dat humor en literatuur samen vallen in de dagelijkse modderpoel en dan met name de ambtelijke. Ik had een reeks zeer kortstondige relaties met de ambtenarij achter de rug, meer dan genoeg om de door Voskuil gecreëerde situaties te herkennen. Het is beslist een gave om te schrijven over de dingen om je heen, de mensen om je heen uit te kleden en er personages van te maken. Terwijl die mensen zelf juist onmiddellijk hun kantoor uitrennen als de fanfare langskwam of een BN'er wuifde ergens op de Keizersgracht. Wat ik ook heerlijk vond was dat smachten tussendoor tot er weer een nieuw deel uitkwam. Smachten is misschien wel een groot en beladen woord maar ik bedoel de prikkelende nieuwsgierigheid waar je van te voren van weet dat hij niet vervuld gaat worden. In ieder geval niet zo lang Voskuil er nog aan zat te schrijven. Fans trokken de letters uit zijn mond. Zou dat kunnen? Jazeker, waarom niet.
Het meest aantrekkelijke van een schrijver lijkt me dat legale liegen. Ik betwijfel of Voskuil er zo over dacht, van Lousje kan ik met een stellige zekerheid wel zeggen dat zij dat niet zo zag anders had haar Han nooit mogen schrijven. In het oordelen over anderen, oordeel je vanzelf de leugens mee. Zelf hield Voskuil zich een beetje buiten schot, trad op als een waarnemer, de man zonder eigenschappen. Als ik heel eerlijk ben herken ik dat ook wel bij mezelf. Ik fixeer de ander in een handje vol karaktertrekken en als het niet voorhanden is, smeed ik een beeld. Ze doen van alles maar het is niet hun vrije keuze. Zij kunnen immers niet anders in hun door mij vastgeregen corset. Ikzelf daarentegen heb nauwelijks eigenschappen, ik observeer, ik ben karakterloos en ka zo alle kanten uit. Schrijven, ach, je moet gewoon even doorhebben hoe het zit.
Ik had nog wel enkele pikante aantekeningen bij het literaire gebeuren in het algemeen maar het gaat helaas niet door. Mijn zin is op.

   

Ja, die Voskuil nietwaar.

Ach, smachten deed ik niet. Een maand wachten kon er wel van af. Maar dan was 't smullen. En o zo herkenbaar, nietwaar?

Van huis uit ben ik taxonoom.
Uit dien hoofde heb ik de teksten van Voskuil gerubriceerd. Enigszins, dus niet tot in de diepte.
1. Z'n vakgebied. De volkscultuur. Toch wel een beetje eigenaardig. Onderzoek naar het geloof in kabouters. Het ophangen van ingewanden.
2. Organisatie-aangelegenheden; oei, wat waren ze bang voor overheidsbemoeienis; oei, ze zouden opgeheven kunnen worden; dat soort dingen.
3. Het literaire gehalte. Vaak schrijft Voskuil houterig. Iets was W.F. Hermans ook wel 's verweten wordt. Maar soms is 't ook mooi; de letterlijke weergave van gesprekken met lieden in het veld die diep in de materie zaten.
4. Mijn eigen woonstede; die komt nog wel 's in beeld bij Voskuil.

Dan is er eigenlijk nog een vijfde punt. Dat is de persoon Voskuil. Die typeer je het beste door hem mensenschuw te noemen.

   

Ik tik wat en ik send vervolgens lees ik. Ineens begrijp ik een hele categorie mensen die ik eerder nooit begreep. Het zijn de mensen die hun huis laten verbouwen door de media. En dat ze dan weer thuiskomen en uitroepen: oh, heel anders…is dit echt mijn huis.?

   

Het heeft toch ook wel veel van het huis van de buurman. Dezelfde Lvormige kamer en keuken daar opzij, drie slaapkamers en een badkamer uit de vorige eeuw, die kan echt niet meer.
Ik had het over liegen. Liegen is leuk, ik doe even een moppie want het is hier kwa aankleding wel onzettend saai. http://www.youtube.com/watch?v=Py-1DGP7oX8
Ik verwijt hier nu wel Han van liegen maar vergeet niet dat ik als lachende derde er ook wat van kan. Maar ja, daar hebben we het nu even niet over. Liegen is zo ongeveer wel de ergste belediging die we iemand aan kunnen doen en dan doe ik het hier nog wel over een niets dan goede dode. Hij heeft immers de kans niet meer zich er over op te winden, mijn verwijt is laf. Ik kom er zo niet uit. Ik ga even los van Han, de burelenouwehoer.
In al mijn oprechtheid vraag ik mij af of liegen voorkomt uit een angst voor andere mensen. Ik kan het niet zo goed beoordelen, niet vanuit mezelf. Het geldt in ieder geval wel voor de meeste kinderen als ze proberen aan onze wijsvinger te ontkomen. Maar bij Han is het een ander betichten van liegen, hij kon dat als geen ander, het hele bureau moest er aan geloven. Han loog niet uit vrees voor die ander maar hij maakte juist van hen gebruik.
O jee, daar gaat hij weer mijn zin. Het wordt me hier veel te droog.

   

-Een goed filosoof moet natuurlijk de andere filosofen kennen en bestuderen ; maar moet vooral zelf nieuwe ideeën scheppen ...

   

ja maar het blijft 'onder de zon'.

   

Ik vind utopia wel een mooi verhaal maar dan wel in de wetenschappelijke versie van Thomas More anders val je zo snel in een romannetje. Het boek is niet bedoeld als handleiding om het ten uitvoer te brengen maar meer als opstapje naar het latere socialisme, Er kwam later wel socialisme en uitbreiding van het humanisme maar dat had toch niet het utopische cachet van Thomas More.
Het boek schijnt te zijn geschreven als een satire maar dat lijkt me een te gemakkelijke opmerking. Zo kan je alles wel satire noemen dat tegenover iets anders staat.
Thomas More heeft zijn utopia tot in de finesses uitgewerkt.
Eerlijkheidshalve moet ik erbij zeggen dat ik een speciale band heb met utopia omdat ik er wel eens een spreekbeurt over heb gehouden in een grijs verleden, op de middelbare school.
In de loop der tijd ben ik het ook beter gaan begrijpen.
Het geheel is terug te voeren tot een wetenschappelijke matrix. De oudste staat aan het hoofd van het gezin. De vrouwen bedienen de mannen, de kinderen hun ouders. De stad is keurig verdeeld in vier gelijke delen. In de straten staan pakhuizen waar het gezinshoofd datgene uithaalt wat hij en de zijnen nodig hebben, zonder betaling. Er zijn geen dieven, geen moordenaars, er is een overvloed aan alles voor iedereen. Er zijn hallen om gemeenschappelijk te eten, de vrouwen koken bij toerbeurt en de ongehuwde kinderen bedienen. De ouderen krijgen eerst, daarna wordt de rest gelijkelijk bediend. Kortom alles is tot op de puntjes geregeld.
Aanvankelijk leek het me behoorlijk saai maar ik ruil een beetje rommelige gezelligheid graag in voor orde, veiligheid en overvloed.
Al lezend begon ik mij wel een beetje thuis te voelen daar in het utopia van Thomas More.
Mooi boek. Je moet het wel in zijn tijd zien. Zo hield men nog slaven maar ze werden niet behandeld als krijgsgevangenen. Als men denkt dat Utopia een satire is dan zal het komen door het hoofdstuk over slaven. Ook zij zijn weer allemaal ingedeeld in klasse die worden aangevuld door arme zwoegers uit een vreemd volk. Ik denk dat Thomas hier een beetje zijn boekje te buiten gaat en dat de satire juist hier toeslaat in het hoofdstuk over de slaven. Maar dat alles wordt weer rijkelijk goed gemaakt in het hoofdstuk over de goed geordende krijgsmacht.
Een boek als Utopia zou in ieder boekenkast thuis horen.

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie