Cultuurfilosofen

In de blog: filosofie en literatuur reacties: 8 pdf print

Cultuurfilosofen.

de cultuur zodanig inrichten dat de natuur optimaal aan z’n trekken komt (Hobbes)

als ik het woord cultuur hoor dan trek ik mijn pistool geen Goebbels, geen Mussolini; maar Hanns Johst in het nazitoneelstuk Schlageter); vergelijk ’t met Berthold Brecht & Kurt Weil met hun Dreigröschen-opern (Erst kommt das Fressen und dann die Moral))

Het is nog maar de vraag of … Het is nog maar de vraag hoe ... Het wordt hoog tijd de relatie tussen bwahh & bbwah opnieuw te overdenken. We moeten toe naar ... Dit vraagt om een openbaar debat tussen Jut & Juul, waarin geleerd kan worden wat wederzijds respect zou kunnen betekenen ...

Een overdaad aan hulpwerkwoorden Zullen, moeten, kunnen, mogen, hoeven, willen.

Pak er maar ’s eentje, zomaar willekeurig. Nietzio, bijvoorbeeld. Deze man is hoogleraar sociologie en internationale betrekkingen aan de George Washington Universiteit, Washington D.C. Hij schreef een stuk in een kwaliteitskrant van zaterdag 16 juni 2007 in het katern Opinie & Debat. Intussen weten we van dat katern dat de meeste bijdragen stammen van sociologen en cultuurfilosofen en omgedoopte bedrijfskundigen en politicologen en antropologen ewdmz (intussen “culturalisten”), en dat het maar verreweg het beste is om de inhouden van het geschrevene met een korrel zout te nemen. Wat blijft er, als we afzien van de inhoud, nog over? Dat is vanzelfsprekend de vorm. Wat dat betreft maakt de kwaliteitskrant het ons gemakkelijk. Want de vormelijke aspecten worden ons overduidelijk gepresenteerd in kop en gekaderde citaten. We kunnen er dus ons gemak van nemen, en de onzin van de inhoud terzijde laten. Hieronder een drietal uitspraken van Prof. Nietzio. - Stel je prioriteiten goed; - Voorkom dat terroristen radio-actief materiaal uit Rusland in handen krijgen; - Diskwalificeer autoritaire geestelijke leiders niet als partners voor meer veiligheid; Deze zinnen bevatten, zoals meestal met zinnen het geval is, een werkwoord. In alle gevallen is de wijs van dat werkwoord gebiedend. De heer Nietzio schrijft dus voor. Wie schrijft hij voor, wie gebiedt hij? Ons, de lezers van de kwaliteitskrant? Of de westerse regeringen? Of wordt de politiek in het algemeen geadresseerd? Je komt er niet achter.

Dit willekeurige voorbeeld, zomaar op de tast opgespoord, bracht ons naar een tweede prachtillustratie. Twee pagina’s verderop in hetzelfde katern van dezelfde kwaliteitskrant heeft een andere zwakzinnige hoogleraar in - wat anders dan - de sociologie een artikel geplaats weten te krijgen. Zij heet Godelieve Eggermont en zij doceert algemene sociologie aan de Erasmus Universiteit. De kop van haar verhaal toont op aangedikte wijze de gebiedende wijs. Luister.

Het woord moet niet langer aan de burger zijn, maar moet terug naar de politiek

Twee keer moeten. Het beste mens was, of is misschien nog steeds, voorzitster van een KNAW-commissie. KNAW betekent, zo lezen we in het artikel, Koninklijke Academie van Wetenschappen. (Waar is in de uitleg trouwens de “N” gebleven? En komt zo’n Academie niet in aanvaring met de WRR?) Die commissie heeft in mei van het jaar 2006 een rapport gebaard onder de prachttitel “Samenleven en samenwerken”. Waarschijnlijk om de regering te adviseren. Maar de professore trekt het toch wel een beetje binnen haar eigen parochie. Dat komt natuurlijk door de toenemende parochialisering. Zij zegt dat in dat rapport “een agenda voor de sociologie werd geformuleerd in het licht van de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen”. Wat kan het, godverdergodverdomme, de wetenschap en de regering en zelfs het volk schelen hoe sociologen hun agenda trekken? Geen ene moer toch?

Het idee kwam op dat culturalisten nogal eens de neiging hebben om lakens uit te delen. Dat idee is een vermoeden, chiquer: een hypothese. En een hypothese dient getoetst te (kunnnen) worden. Dat toetsen heb ik in handen van Andries gelegd, omdat ik - zonder toetsing overigens - wist dat het bij hem in goeie handen lag. Andries is aan het werk getogen en heeft z’n bevindingen aan mij gemeld. De meest in het oog springende constatering was dat mijn hypothese werd bevestigd; of beter: dat de nulhypothese “er is geen verband tussen dwingelandij en culturalisten” met gemak kon worden verworpen. Mijn vermoeden werd dus bewaarheid - om het in gewoon Nederlands te stellen. De kans dat adviserend culturalisme niet samenhangt met de gebiedende wijs is nagenoeg te verwaarlozen. Die lag onder het niveau van 0.0001. Ver onder de 0.05, de grens die door de doorgaanse wetenschap aan het toeval wordt gegund. Andries heeft in de bijlagen van zijn bevindingen ook nog een paar toetjes meegeleverd. Eén daarvan bevat een ranglijst van culturalisten. Van laag naar hoog werden ze gescored. Op grond van een index die Andries had weten te bakken of te brouwen. Die index werd door Andries gedoopt met/onder de naam “bombastiek”. Ik weet eigenlijk niet of ik het daar mee eens moet zijn. Maar goed, mijn lankmoedige ziel vertelt me dat ik Andries ook iets moet gunnen. In een bijlage van de ranglijst-bijlage illustreert hij mijn vermoeden en zijn bevind-dingen met de uitlatingen v/d hoogstscorende culturalist. Dat was een zekere Mw. Neileve. Zij publiceerde in “Betoonde aantoning” van een kwaliteitskrant-2 van 13 september 2008 een artikel onder de titel “Bevrijd de vaklui uit de bureaucratie”. Het eerste woord is al in de gebiedende toon gezet. Maar daar blijft ’t niet bij. Het hele verhaal is vergeven van gebod. De inhoud v/h verhaal kan vooralsnog buiten schot blijven. ’t Gaat om de toon, om het gedram. In het korte artikel wordt er negen keer iets gemoeten. Moeten dit en moeten dat. Vaklui moeten bevrijd. Vaklui moeten verlost. Er moet worden beteugeld. De ziel moet terug. En er is niet alleen moeten, nee er ook iets nodig. Nodig zijn ..., nodig is een cultuur van .... En verder zijn er ook nog dingen vereist. De gebiedende wijs komt met een score van negentien aan haar trekken. Bevrijd! (die hadden we al) Stimuleer! Koester! Stimuleer! (nog een keer) Maak! Schaf af! Weg dus met! Geef! Organiseer! Betaal! Stel! Beperk! Versterk! Enzovoort, met die walgelijk fascistische toonzetting. En aan wie zijn al die imperatieven gericht? Daar kom je niet goed achter. ’t Zou de regering kunnen zijn, maar ook de overheid - voor zover er verschil tussen die beide is. Maar wellicht worden ook de gewone burgers in hun onderlinge burgerschap aangesproken, of instanties & organen van burgers. Hoe dan ook, hoe dan ook, Mw. Neileve maakt zich in de ogen van Andries en mij volstrekt belachelijk. Wat verbeeldt ze zich wel? Dacht ze nou echt dat er ook maar iemand is die naar haar luistert? En, mochten er een paar van die iemanden zijn, dat die dan haar bevelen opvolgen? Misschien moet Mw. Neileve een imperatief van ons ter harte nemen, n.l. t.w. “Val dood, mens!” Goed, dan toch iets over de inhoud. Mw. Neileve komt tot haar “aanbevelingen” nadat ze een soort diagnose heeft gesteld. Die diagnose komt uit de lucht vallen, nogal plompverloren. De benarde positie/situatie van professionals “wordt veroorzaakt door vier miskende, structurele problemen”. Zo, zo, zo. En wie heeft die vier problemen dan wel onderkend? Mw. Neileve zelf, natuurlijk. Wie anders. ‘k Ga ze trouwens ook niet eens noemen, die problemen. ’t Zijn tochtgaten van gapende open deuren, waar je hooguit van gaat geeuwen.

Maar, en daar was ’t Andries en mij om te doen, ze bieden wel een opening. Je kunt er iets van leren. Namelijk iets algemeens. Om met dat algemene het andere culturalistische gezwets, waarvan er zat is, te lijf te gaan.

Ach je ziet ’t vaak ook aan de namen en de begrippen. Sommige van die culturalisten zijn nog wel ’s zo fatsoenlijk om een personen- en/of zakenregister bij hun geschriften mee te leveren. Achterin kun je dan opzoeken bij wie of wat ze voor hun gedachtegoed zoal te rade zijn gegaan. Zodoende leer je je Pappenheimers en Kartoffelbintjes wel kennen. Andries is een tijdje geleden begonnen om ze (zowel de personen als de zaken) onder te brengen in een detabeesje. Aanvullen (of updaten) doet hij ook op gezette tijden. Dat detabeesje was er immers toch al. Ja, en als dat ding eenmaal redelijk gevuld is, wat let ons dan om er een keer een analyse op los te laten? Eerst eenvoudig natuurlijk; tellen of turven. Om gewoonweg maar ’s een idee te krijgen wie er binnen of onder de culturalisten de dienst uitmaken. Zijn er kernen of centra aan te wijzen?

Had er ooit iemand van b.v. Onfray gehoord? Wij niet. Maar hij wordt hier en daar nog wel ’s opgevoerd, zo bleek. Dus lezen wij, sportief als we zijn, Onfray. Zowel Andries als ik kwamen na enige bladzijde-consumptie met eenzelfde verzuchting op de proppen, t.w. “mijn hemel”. Da’s op zich natuurlijk geen argument, of een stelsel van argumenten zijnde een redenering; je moet ook onderbouwen waarom het hemeltergend is. Die man heeft het, in het kader van de geschiedsschrijving van de filosofie, over “context” en “in hokjes plaatsen”. Nu hadden wij dus nog nooit van Onfray gehoord. Maar van context en hokjes waren we redelijk op de hoogte. En ook van “etiketten plakken”. Wat heeft die Onfray ons daarover te melden? Iets nieuws? Nee! Hooguit zwakzinnig kleutergelul. Een maatschappelijk werker of een sociaal-pedagogisch hulpverlener zou zich er rot voor hebben geschaamd. Kijk, dat je zaken uit hun verband kan rukken, prima. Dat verschijnsel bestaat al heel erg lang. Je mag ook praten over kommazetting of interpunctie. En vaak heeft ’t te maken met de kwestie van oorzaak & gevolg (kip-ei of ei-kip). Bovendien zijn die context en die hokjes constructies van onze eigen tijd of tijdgeest. Omdat het komt doordat en dankzij dat mensen van onze eigen post-post-modernistische-tijd niet alles goed meer weten te rangschikken en te plaatsen. Ik, persoonlijk, vind vanuit maatschappelijke en sociaal-pedagogische overwegingen zulk een gunning van de tijdgeest heel welgeplaatst. In een discussie met deskundigen over een bijna eeuwig durende brandhaard ergens in het Midden-Oosten, wist de strenge bovenmeester Jeroen Zwartbol de “context” boven tafel te toveren. Ik denk, die deskundigen halen ‘m onder tafel met dat idiote begrip. Maar nee, dat gebeurde niet. Ze gingen er zelfs serieus op in. Inderdaad, inderdaad, vonden ze. Als je het conclict (de brandhaard, dus) wilt duiden, dan moet je de context begrijpen. Toen riposteerde de bovenmeester: “maar als je de context wilt begrijpen, dan moet je ‘m toch ook kennen?” Ziehier een herformulering in chiquere termen. Maar brengt zoiets de oplossing naderbij? Nee, integendeel. Je schuift ‘m vooruit. Met het opgeluchte gevoel van “zo, daar zijn we vooralsnog eerst eventjes van af”.

Je komt trouwens die publicerende en docerende culturalisten nooit tegen in een officiële ranglijst of zo. (Ja, bij Andries. Maar Andries is officieus. Bovendien pakte hij maar een enkel aspect aan, t.w. de bombastiek. Of die naam ... afijn laat maar.) Terwijl er vele ranglijsten bestaan. De rijkste mensen. Die vallen heel goed te rangordenen. Van 1 t/m 500 bijvoorbeeld. De economen. Wordt iets lastiger, maar het is toch goed te doen. Hoe vaak wordt je geciteerd door toonaangevende economen? In de index kijken. Dan komt natuurlijk de vraag, wat is een toonaangevende econoom. Nou, dat is een econoom die vaak wordt geciteerd. Daar zit natuurlijk cirkel in; dat kan iedereen op z’n klompen aan navoelen. Maar met een beetje techniek is daar recursief/iteratief en convergerend wel uit te komen. Dus de resulterende lijst kan als redelijk objectief te boek staan. De machtigste mensen? De lieden die financieel aan de touwtjes trekken? Wie herinnert zich niet de 200 van Mertens. De invloedrijkste mensen? Daar is ook een top-200 voor verzonnen. Kom je nou onder die 200 ook culturalisten tegen? Ik zie geen Maartje Drentel, geen Hein Bazel, geen Norbert Knast, geen Neileve, geen Mantel, Neuzepeut of Willekwast. Zouden die geen invloed hebben? Me dunkt. Maar wat blijkt, wat blijkt? Lieden die wel op die lijst staan, die - in een tijd dat invloed (gezag?) nog macht mocht heten - vanuit schaduw- of schemergebieden opereerden, laten zich nu ook wel ’s publiekelijk uit. Soms gaat de voorgrond hen niet al te goed af. Hetgeen je op de buis wel ’s kunt constateren; desalniettemin, ze doen het. Maar hoe plegen ze hun uitlatingen; dat is even de vraag. Dat doen ze in “culturele” termen. ’t Is niet te geloven, de schellen vallen van je ogen. ’t Opvallendste is dat velen uit die reeks van invloedrijken zo ontzettend vaak het woord “we” of “wij” laten vallen. Het lijkt constaterend, maar het blijkt b.n.i. godverdegodver gebiedelijk voorschrijvend. En ook op een vervelende manier compromitterend. “We stevenen nergens op af.” “We zijn een land zonder plan.” “We zijn een beetje bunzig.” “We zijn natuurlijk ook kooplieden.” “We zijn een instabiel land geworden.” “We hebben een leiderschapsprobleem.” “We moeten op zoek naar Nederlandse Obama’s.” “We leven nog altijd in een nieuwe Gouden Eeuw.” “Dan zijn We een halve eeuw verder.” “We moeten eerst nog door een lange worsteling heen.” “We hebben met een aantal fundamentele transities te maken, en dus zijn er nieuwe oriëntaties nodig, dat ziet iedereen.” “We moeten eerst door turbulentie heen voordat er nieuw evenwicht komt.” “We hebben vanwege sociale hoogtevrees nieuwe oriëntatiekaders nodig, en nieuw leiderschap.” “We zullen heel hard moeten werken om op hetzelfde niveau te blijven.” “Dit vereist een leider die mensen een positief beeld kan geven waar We heen moeten.”

“We” is een persoonlijk voornaamwoord. Eerste persoon meervoud. Er zijn meer persoonlijke voornaamwoorden. In enkelvoud: “ik”, “jij” en “hij”. In meervoud: “we/wij”, “jullie” en “zij”. Daar is ...”

Andries onderbrak me. Dat doet Andries niet zo gauw. Als hij ’t doet dan weet ik dat ’t om een serieuze onderbreking gaat. Om een onderbreking waar ik aandacht aan moet schenken. Bij deze. Ik zou dat met die persoonlijke voornaamwoorden al ’s eerder opgevoerd hebben. Dat was in verband met ene Buber. Teruglezen dus. En inderdaad, Andries had gelijk.

Dan kan ik in mijn redenering(en) net zo goed een paar stappen overslaan. Want die “invloedrijken” praten allemaal u.h.v. instanties, instituten, raden ... ewdmz. De raden, planbureaux, schappen ewdmz vertegenwoordigen allemaal al een soort “we” of “wij”. Ze zijn democratisch “ingesteld”, en daarmee spreken ze, vanuit - zeg - een maatschappelijke verantwoordelijkheid, alreeds namens “wij”. Als we het lijstje met citaten ’s op de keper beschouwen, valt er dan iets op? Convergeren de diagnoses en aanbevelingen naar een enkel punt? Is er, m.a.w., eensgezindheid? Ja, toch wel. Maar de banen naar dat ene punt zijn tochtgaten en open-deuren van nevelen; en dat ene punt is een wolk van nietszeggendheid. En van dat soort dingen word je “invloedrijk”? Geef mij dan maar liever “macht”.

“Je komt trouwens die publicerende en docerende culturalisten nooit tegen in een ranglijst of zo.” Dat beweerden we hierboven. Dat beweerde ik hierboven. Want Andries gaf mij lik op stuk. “Je bent de ranglijst van de 12 grootste denkers van ons land vergeten, Steven. Die lijst is opgesteld door een weekblad. En in die lijst kom je toch wel een stuk wat culturalisten tegen, die wij hier op de korrel proberen te nemen.”

Een jaar later is aan deze 12 grootheden gevraagd wat volgens hen de grootste denker van deze tijd was. De hele wereld mocht meedoen. ‘k Zal ’t nog ’s terugzoeken. ’t Moet ergens in m’n stapel liggen.

Terug naar Mw. Neileve, en haar dwing-dwang-dwong. We komen zo’n beetje tot het hypothetische vermoeden dat alle culturalisten met soortgelijk sop is overgoten. We - ja “we” - moeten het zo zien zoals zij het zien. We - ja “we” - dienen het te zien zoals zij het zien.

Een vermoedelijke hypothese dien je te onderbouwen. Da’s in wetenschappelijke zin, en ook empirisch gezien, het meest fair, eerlijk en sportief. Een deel is ingelost met die lijst van “we”-uitspraken. De dwingeland-uitspraken van hierboven. Maar je hoeft niet zo ver te zoeken om er meerdere te vinden. Da’s een koud kunstje. Abel Slibsluize - filosoof; cultureel filosoof vanzelfsprekend - komt ons tegemoet. Van harte welkom. Mw. Neileve had ’t over vaklui. Slibsluize zit in ongeveer hetzelfde vaarwater. Hij bemoeit zich met ’t onderwijs. En met of door het onderwijs moeten natuurlijk vaklieden worden afgeleverd. Dat zal en moet toch wel ongeveer de doelstelling en de pretentie van het onderwijs zijn. Slibsluize en Neileve vissen in dezelfde vijver. De aanbevelende hengels hebben dan ook nagenoeg dezelfde strekking. Dwong-dwing-dwang etc. Abel lukt het om in een artikel van “Krakeel & nogwat” van een zgn. kwaliteitskrant (06-02-10) de dwangratio van Mw. Neileve te overtreffen. Een prestatie van formaat. Inhoudelijk is z’n verhaal nauwelijks interessant te noemen. Die inhoudelijkheid is te vergelijken met de inhoud van het prutsverhaal van Neileve. ’t Heeft iets te maken met ooit ingestelde regels die - a.d.h.v. achteraf fout gebleken inzichten (die trouwens in de tijdgeest van de toentertijde tijd heel goed te verteren waren) - “instelling(en)” en dus ook “bureaucratie” teweeg hebben gebracht. Dat moet nu - a.d.h.v. de inzichten van onze huidige tijdgeest - overboord. Hoe ziet Slibsluize dat gebeuren? Wat zijn de aanbevelingen van Abel? Die gaan in termen van “moeten” en “dienen”. In luttele kolommen wordt er 24 keer van “moet” of “moeten” gerept; 14 keer van “dient” of “dienen”. ’t Is fraai, alleraardigst fraai. Op de voorpagina van dezelfde kwaliteitskrant staan de uitkomsten te lezen van een onderzoek, dat diezelfde krant heeft uitgevoerd onder maatschappelijke organisaties. U weet wel, organisaties die “onze” maatschappij of samenleving stutten en schragen. Ze vroegen die organisaties of ze enig gevoel of inzicht hadden in de denkbeelden en ideeën van een samenlevings-organisatie, t.w. een politieke beweging of partij, die enig opzien baart. Ze zouden er in ons maatschappelijk bestel mee te maken kunnen krijgen, nietwaar? Dus wilden ze wel ’s weten ... enzovoort. Wegenbond, iets met Corporaties, iets met “Eigen huis”. Nou, de genoemde voorbeelden wisten ’t niet. De enige die ’t wel wist was Slibsluize - de cultuurfilosoof, die zich over het Onderwijs buigt. Die zag genoemde partij graag in de regering. En te begrijpen valt dat heel erg goed. Want genoemde partij of beweging is er ook eentje met de fascistische toonzetting van “moeten” en “dienen”.

De aanbevelende hengels hebben dan ook nagenoeg dezelfde strekking. Dwong-dwing-dwang. ’t Is niet alleen “moeten” en “dienen”. ’t Kan ook met “laten”. Da’s net zo “dwong-dwing-dwang”. Want na het werkwoord “laten” wordt er steevast voorgeschreven “hoe het moet”.

Is datgene wat hier allemaal tegen de culturalisten wordt ingebracht gebaseerd op vooroordelen? Is het wellicht ingegeven door kwaadaardigeid? Nee beslist niet. Waardoor dan wel? Achteraf terugkijkend - terugkijken doet men trouwens altijd achteraf - is er min of meer gebruik gemaakt van de volgende procedure. “Procedure” is wat onhandig gekozen, omdat het doet vermoeden dat ik aan de hand van leiband te werk ben gegaan. En dat is niet zo. Pas toen ik terugkeek en mijn doen&laten expliciet kon maken, kwam ik erachter dat er impliciet een stappenplan in het geding was. Als volgt, ongeveer? Het begon allemaal met een vaag vermoeden. Dat vermoeden kreeg gaandeweg steeds meer contouren, steeds meer gestalte. Dan wordt het tijd om te proberen dat vermoeden in woorden te formuleren. En, wat nog belangrijker is, met argumenten te onderbouwen. Vervolgens is het zaak het met argumenten omkleedde vermoeden bevestigd te krijgen. En dat doe je niet a.d.h.v. de gevallen die de aanleiding vormden tot het vermoeden. Da’s onsportief (zo van “kijk, zie je wel”; Einstein: No problem can be solved from the same level of consciousness that created it.”). Nee dat doe je a.d.h.v. nieuwe, frisse gevallen. Je mag ’t ook wetenschappelijk zeggen. Dan zeg je: we proberen onze hypothese te toetsen.

Hebben we een nieuw en fris geval weten op te sporen? Jazeker, jazeker. Het gaat om een persoon met een naam waarvan zowel Andries als ik nog nooit hadden gehoord. Een zekere Clair Kantelaar.

Deze Kantelaar lukt het om in een artikel van “Krakeel & nogwat” van een zgn. kwaliteitskrant (05-03-10) voorbeeldig in het voetspoor van de dwangratio van Mw. Neileve en Dhr. Slibsluize te treden. Hij “analyseert” op een waarachtig erbarmelijke manier een kabinetscrisis. Inhoudelijk is z’n verhaal nauwelijks interessant te noemen. Die inhoudelijkheid is te vergelijken met de inhoud van de prutsverhalen van Neileve en Slibsluize. ’t Heeft iets te maken met de malaise waarin de parlementaire democratie zou verkeren. Hij praat over gelegenheidsmengsels, “zwartepieten”, baasjes in een Torentjesoverleg, modes die geslacht, kennis en ervaring als handicap zien. Hij meet zijn (opgeheven?) diagnostisch vingertje de allure aan zich op de zere plek van de malaise te hebben gelegd. Tja, gut ja, we hebben onze staatsinrichting ooit ingesteld met regelse regels, die in de tijdgeest van de toentertijdse tijd heel goed te legitimeren moeten zijn geweest. (Uit hoofde van tijdsbestendige continuïteit?) Maar die zijn nu, ja nu, verwikkeld in vastgelopen systemen met “hoofdrolspelers” in een cocon van democratische malaise. Er moet dus volgens Clair iets gebeuren. En de oplossing lijkt bij hem in pacht. Hoe denkt Kantelaar e.e.a. te pakken? Hij vergast “ons” (de lezers van die kwaliteitskrant) op een tiental tips of aanbevelingen - lees “bevelen” - van hoe het allemaal wel anders zou moeten. Die gaan in termen van “moeten” en “laten” en imperatieven. In hooguit anderhalve kolom wordt er 9 keer gemoeten en 5 keer gelaten. Er is een vijftal gebiedende wijzen. “Reageer”, “weiger”, “verlang”, “durf”, en “gewoon doen”. ’t Is fraai, angstaanjagend fraai.

Wie worden er eigenlijk aan- of toegesproken? Ja, de lezers van de kwal.krant. Maar dat is veel te ongespecificeerd. Want, in welke hoedanigheden moeten die lezers gezien worden? Nou, dat zijn er een hele hoop. Burger, kiezer, partijlid, overheidsfunctionaris, vertegenwoordiger van één of andere raad (waarvan er talloze zijn), kamerlid, statenlid, om maar wat te noemen. Verder wordt er ook gewezen naar anonieme zaaknamen, zoals De politiek en De regering. ’t Is alles ratjetoe. Culturalisten - ’t is al eerder gezegd - kunnen niet of nauwelijks redeneren. Bovendien kennen ze de eenvoudige regel “garbage in, garbage out” niet. Dat betekent dat als je een redenatiesysteem of een redenatieappaat of een redenatiemachine voedt met rotzooi - in casu een zwakzinnige duiding of een diagnose die de plank misslaat - het resultaat (ergo de conclusie) eveneens fladderatsj is. Wanneer zowel de input als de verwerking niet deugt, dan kan de output rechtstreeks naar de papierversnipperaar.

Vlak voor de besproken kabinetscrisis was er ook al een bijna-crisis. Deze werd eveneens door Kantelaar ter hand genomen en geduid.


Tags
geen tags

Reacties (8)

   

VANUIT EEN ANDERE INVALSHOEK.

Norbert Elias.

’t Zijn de kleine dingen die het doen, die het doen.
’t Zijn de kleine dingen, die het doen, doen, doen.

Uit Valerius gedenckklanken.

Elders zijn er al eens dingen gezegd over handelen en gedrag. Over het onderscheid daartussen. Ik moet dat maar eventjes terug proberen te vinden.
Dat komt later wel … volgens mij is de tekst ergens ingebed … maar waarin? Ik weet het niet meer.
Dus dan maar vanuit het geheugen.
Handelen is doelbewust. Een beschrijving in termen van handelen neemt altijd het doel mee. In principe, per definitie.
Met gedrag is het anders. Dat is op zich staand. Elias houdt zich v.n.l. bezig met gedrag, m.i.. Er is veel etiquette. Er zijn manierenboeken.
Hij heeft het over spugen, het mes, de lepel. Vooral de laatste twee zijn interessant. ’t Zijn dingen. Is het niet zo dat de vormen, de gedragsvormen uiteindelijk worden bepaald door de omgang met de dingen? Voornamelijk de gemaakte dingen - de artefacten? Zij mediëren deze vormen. ’t Liefst zijn het dingen met een stevige staat van dienst, dus inderdaad: mes en lepel. Dat spugen is meegenomen vanwege het contrast, om te laten zien dat er invariante “zaken” zijn, zaken die de mensheid altijd al bezig hebben gehouden en ook bezig zullen houden. Het bestand aan gemaakte dingen, echter, wijzigt in de loop der tijden. Soms vliegen er dingen uit omdat ze in onbruik raken en vervangen worden door nieuwere en meer geavanceerde versies. (Van totale onbruik is trouwens geen sprake; er zijn altijd nog gebruikende, conserverende musea.) Vaak vliegen er dingen binnen. Per saldo vliegt er meer het bestand binnen dan dat er uitvliegt; het huidige tijdsgewricht staat immers bol van de productie. Vandaar dat er zoveel bestand is - ook een ding trouwens. Wat er echter niet wijzigt, dat is dat het alle dingen zijn.

De erewacht, saluutschoten, parades, protocollen.
De wapens behoren ook tot de gemaakte dingen. Zie eens hoe ze het protocol zijn binnengedrongen. Zwaarden, geweren, kanonnen, granaten en katapulten.

Hoe kom je er op, nietwaar? De wortel ligt in de verbazing. Ik verbaasde mij er als kind over dat er bij de begrafenis van een vorstin of een staatshoofd kanonnen werden afgeschoten. Waar is dat nou voor nodig, dacht ik. Het slaat toch nergens op?
Dat “nergens” klopte ook wel. Want die kanonnen waren nergens op gericht. Dat kon ook helemaal niet, want in geen velden of wegen was er een vijand te bekennen.

Bij braderieën wordt het bier in plastic bekertjes geschonken.
Neem ook eens de verpakkingsvariatie in ogenschouw.

Elias gebruikt veel van Erasmus.

1530
Uit De civilitate morum puerilium.
Spuw met afgewend gezicht, zodat je niemand bespuwt of besproeit. Wanneer er een fluim op de grond is gespuwd, vertrap deze dan, zoals ik al zei, zodat niemand er van hoeft te walgen. Indien dat niet geoorloofd is, vang het spuwsel dan op in een doek. Het is onbehoorlijk om speeksel door te slikken, evenals om, zoals men sommige mensen ziet doen, na elk derde woord te spuwen, niet uit noodzaak, maar uit gewoonte.

In de tijd van Erasmus kende men het edele voetbalspel nog niet. Nu wel. Dit spel laat duidelijk zien dat de richtlijnen van Erasmus niet al te absoluut moeten worden genomen, en dat spuwen of spugen afhangt van de situatie. Tijdens de Tour de France wordt er gekwat. Maar ook op het voetbalveld wordt ruimhartig gespuwd, en hoewel het een gewoonte lijkt denken we eerder dat het een noodzaak is. Bij elke spelonderbreking doen de spelers nieuwe grondstof op uit plastic flessen die langs de zijlijn ruim voorradig zijn. Spugen of spuwen op het veld is ook maatschappelijk geaccepteerd. Spelers die in navolging van Erasmus de kwat zouden opvangen in een doek … die kunnen een ernstig onderhoud met de trainer tegemoet zien. Aan de andere kant is het richten van de fluim op de tegenstander, als was men een lama, natuurlijk wel weer een zondiging tegen de regels.

Naast het spuwen zijn er nog wel meer dingen die de mensheid gedurende haar hele bestaan bezig hebben gehouden en nog steeds bezighouden. Krabben, eten, kleden, neussnuiten, neus- en oorpulken, slapen, noem maar op. Het gebruik van een tandenstoker aan de eettafel is toegestaan mits …

De gemaakte dingen, werd zojuist gezegd. Daar gaan we verder op in. Maar eerst even, als een soort voorschot, de natuurlijke dingen, die ook, al naar gelang de cultuur, tot bepaalde omgangsvormen kunnen leiden. Denk eens aan de zon. Denk eens aan een rivier, de Ganges bijvoorbeeld. Denk eens aan bepaalde dieren. Ze worden tot symbolen die oproepen tot verering en die bepaalde rites vereisen. Het hangt er natuurlijk wel van af … ach, laten we dat met een voorbeeld duidelijk maken. Anders … Kijk, ons polderland zal nooit of te nimmer met een watervallen symbool gaan werken. Dat past ons niet. En omdat de polderbewoners doorgaans erg oppassend zijn zie ik het ook nooit gebeuren. In Zwitserland, daarentegen, is de waterval als symbool breed in zwang. Dat komt omdat men in Zwitserland ook echte watervallen heeft. Het is dus hun goed recht om daar gebruik van te maken, zowel in fysische als in symbolische zin.
In ons land ligt een molen veel meer voor de hand. In het gebied van de Westenwinden is het niet of nauwelijks windstil. De gratis windenergie wordt te gelde gemaakt bij het malen; koren of water. De waterhuishouding van Nederland draaide grotendeels op malende molens.

Het mes en de lepel, die komen bij verschillende auteurs reeds in de Middeleeuwen voor. En nog steeds vormen ze een onderdeel van de gedragsregels - immers het gerei wordt nog steeds gebruikt. Maar omtrent de nieuwste gebruiksmiddelen zul je de Middeleeuwers natuurlijk geen uitspraken horen doen. Die moet de moderne mens zelf verzinnen. Drie, vier willekeurige voorbeelden, t.w.:
- de walkman
- de mobiele telefoon
- de zonnebril
- het geven van rondjes

De walkman (1981)
Het is onbehoorlijk om in publieke ruimten de muziek van de walkman een zodanig volume te geven dat anderen zich er aan zouden kunnen storen. In bibliotheek, metro, tram, bus en trein lette men er voornamelijk op dat de doppen, bedoeld voor de oren, zindelijk in de schelpen van diezelfde oren zijn gehuisvest, zodat er geen geluiden worden gemorst. Verder is het zaak alert te zijn op eventuele non-verbale signalen in de omgeving om aldus te kunnen constateren dat er, ondanks alle voorzorg, decibellen worden prijsgegeven. De oplossing ligt bij dat soort situaties in de volumeknop.
In het verkeer moet ook de nodige voorzichtigheid worden betracht. Het binnenoorse volume van de walkman mag niet uitstijgen boven het volume van de signalen die buiten in het verkeer hun werk doen, zoals de claxon en de fietsbel (zie ook het manierenboek: “Heer in het verkeer.”). Daarenboven is het niet gepast om in het verkeer min of meer luidkeels met de muziek mee te doen. Etcetera …

De mobiele telefoon (1992)
Het is onbehoorlijk om in publieke ruimten de jubeltjes van de mobiele telefoon een zodanig volume te geven dat anderen zich er aan zouden kunnen storen. Liever wijzigt het waarschuwingssignaal van zinnelijk orgaan, bijvoorbeeld van het gehoor naar de tast.

De zonnebril (1975)
Het is onbehoorlijk om in het onderlinge verkeer een reflecterende bril te dragen die het de ander onmogelijk maakt uw oogbewegingen te volgen. De ogen zijn de spiegel van de ziel en dienen uit dien hoofde niet aan het gezicht te worden onttrokken.
En anders gaat u toch naar Hans Anders?

Het geven van rondjes (1967)
Het geven van rondjes is een verschijnsel dat bij uitstek de huidige welvaart en de hedendaagse consumptie-maatschappij kenmerkt. Men komt het tegen in etablissementen, die zich “kroegen” noemen. Onderzoekers hebben vastgesteld dat het zich gaandeweg steeds meer in protocol heeft verschanst. Ondanks de ogenschijnlijke vrijblijvendheid luistert “het proces” heel nauw. Degenen die het ritueel niet weten te verstaan lopen een grote kans om sociaal uitgestoten of uitgesloten te worden. Bij het afrekenen letten de deelnemers van de groep heel erg nauwkeurig op bedragen

Daarnaast zijn er nog de talloze takken van sport die met rituelen zijn omgeven. Neem bijvoorbeeld de balsport. Er zijn in de laatste decennia nogal wat ballen bijgekomen. Elk van de spelen die zich rondom zo’n bal (soms meerdere ballen) concentreren hebben hun eigen gedrags-manieren weten te ontwikkelen.

In India is de koe heilig. Dat voorbeeld is zo breed bekend, dat zelfs andere landen hun eigen symbolen als heilige koe kenschetsen. Het komt erop aan een globale (www.nogwat) taxonomische lijst te produceren van heilige koeien. Een lijst met een onwrikbare bovenbouw.

Hoe te gedragen bij Erasmus (geleend van Elias; blz. 86).
Zeven hoofdstukken.
1. van de geschiktheid van het lichaam (van ogen tot knieën; hoesten en lachen)
2. kleding
3. manieren in de kerk
4. maaltijden
5. ontmoetingen (zie de map “groet”)
6. spel
7. slaapkamer

Beschaving is een voortgaand proces. We nemen ergens een startpunt en kijken hoe we bij het “nu” van het huidige beschavingspeil kunnen uitkomen. Maar dit doet ons tegelijkertijd beseffen dat datzelfde “nu” geen eindpunt is in absolute zin, dus dat de ontwikkeling verder gaat. Alle aspecten van een bepaalde structuur van de menselijke relaties, van de samenleving, als weerspiegeling van menselijk gedrag, moeten er bij betrokken worden. En Elias rekent daartoe machines, wetenschappelijke ontdekkingen, staatsvormen. En ook nog een “enzovoort”.
Dat van die machines komt ons in onze context uitermate goed van pas.

Even verderop: correct maatschappelijk gedrag.


Ach Geschiedenis, kom d’r ’s om. We beoefenen Geschiedenis om er iets uit te leren voor de toekomst, is ’t niet? Of dat ooit gelukt is en ooit zal lukken? Wie zal het zeggen?
Zit er lijn in de geschiedenis?
Dat is maar hoe je het bekijkt. Op micro-niveau, waar men de kans loopt te blijven steken in anekdotes, is het vaak een grabbelton. Toch moet, indachtig de opdracht van de Geschiedenis, ook in de anekdotes de gedachte voorzitten om te abstraheren. Nagel geeft een paar leuke voorbeelden.
Als er micro is, dan is er ook macro. De camera zoomt verder uit, zeg maar. De kreuken en de dippen, de pieken en de dalen, conflict, harmonie en dialectiek worden weggemasseerd en de grote lijnen krijgen de kans om in beeld te komen. De vraag is vervolgens waar die grote lijn of die grote lijnen aan is/zijn op te hangen. Zou het de technologie kunnen zijn? Zou het kunnen zijn dat het gedrag van de mensheid steeds meer wordt gereguleerd, voorgeschreven of gedicteerd door het technische vernuft? ’t Is een hypothese die de moeite van het proberen waard is.
Ik moet een gelukkig woord bedenken waarmee ik in staat ben alles in een enkel kader te proppen. Dat woord heet “instelling”. En waarom zou dat woord “gelukkig” gekozen moeten zijn? Omdat het vooreerst een dubbele betekenis vrijgeeft. Immers:
- een mens kan van een bepaalde instelling blijk geven (houding, gedrag);
- een apparaat, een toestel, een instrument, een werktuig kan steeds meer worden ingesteld (een video-recorder, een bel-apparaat, een boor, veel keukenapparatuur; afijn, te veel om op te sommen);
“Vooreerst” stond er. Dat was met opzet. Ter wille van die hypothetische geschiedenis-lijn laat ik het onderscheid varen. Of nu mens of apparaat wordt “ingesteld” is van hetzelfde laken een pak. (Zie ook “inrichting” bij Zinnen-01.)
Bronnen:
- Norbert Elias
- De geschiedenis van de technologie (Basalla)
- De geschiedenis van de landbouw (Bieleman)
- De geschiedenis der geneeskunde (Lindeboom; mij ter beschikking gesteld door mijn goede vriend Ariën Winkel)
- De biografie over Guido Gezelle (Michel van der Plas) - later toegevoegd
- William James - ook later toegevoegd
Door Norbert Elias wordt de instelling van het menselijk gedrag beschreven aan de hand van het begrip beschaving. De mensen legden het zichzelf op. Sterker nog, Elias heeft ’t over De maatschappelijke dwang tot zelfdwang. Ze moesten het niet alleen naleven, nee, ze wilden dat moeten. De Wil had daarbij een duidelijk recht van spreken. Men had nog altijd de vrijheid om uit het keurslijf (keurslijf? Dat is een ding (kuisheidsgordel?)) te springen. Maar omdat we in het maatschappelijk reilen en zeilen steeds meer vast komen te zitten aan de technische hulpmiddelen lijkt het wel of de instelling van dat soort middelen ons leven gaat bepalen. Voorbeelden te over.
Neem William James. Die gaat dieper in op de gewoonte en de gewoontevorming. Gewoonte is in onze context eenvoudigweg te vervangen door instelling. Allerlei menselijke handelingen, zegt James, verlopen min of meer automatisch. We zijn tot zulke werktuigelijke handelingen in staat omdat de machinerie van het zenuwstelsel door onze handelingen raakt ingesteld op de herhaling van die handelingen. Iedere reeks zenuwimpulsen in het brein slijpt zich door herhaling een soort bedding of “pad” uit. “Het karakter heeft zich als gips verhard en zal nooit meer zacht worden.”
Ja, het zijn zinnen die prachtig aansluiten (sic!) op onze inzichten. Nog even die gewoonte. Die zou door instelling zijn te vervangen. Maar hierboven repten we ook van de instelling van apparaten. Kent de gewoonte deze keerzijde ook? Hebben apparaten, toestellen, werktuigen en instrumenten een gewoonte? Nee toch? Maar kunnen we niet proberen er een creatieve draai aan te geven? Zodat die apparaten enz. toch een gewoonte is aan te meten? Kijk, we zijn ze gewoon, die dingen. Maar zijn die dingen ons ook gewoon? In steeds hogere mate, zou je kunnen zeggen. Dat komt o.a. door de ergonomische inzichten. Maar wat te denken van lerende functies? Een gebruiksding kan tegenwoordig leren en zich in steeds hogere mate de gewoonten van de gebruiker eigen maken. Datgene wat James hierboven zei van het menselijk brein dat kan ook van toepassing worden gebracht op de apparaten enzovoort. Er wordt door herhaald gebruik een bedding geslepen in die dingen. Daarmee krijgt zo’n ding een gewoonte.
We hebben (“hadden” moet ik zeggen) een tabel gecreëerd in het kader van een dichterlijke applicatie. De naam was landschap-gedrag-alg. We lopen de termen eventjes langs, waarbij we steeds die dubbele betekenis van “instelling” in ons achterhoofd meedragen. Hieronder staat een paar van die termen.
naam
ascese
attitude
gewenning
gewoonte
houding
instelling
manier
mentaliteit
mode
principe
protocol
rage
repertoire
respect
ritueel
routine
stijl
traditie
trant
trend
tucht
usance
wijze


Trouwens Roland Holst beweerde ooit ‘s:
een ritueel maakt een handeling tot gebeurtenis
Ritueel is dus ook aan de lijst toegevoegd.

Dit was even een tussendoortje. Ook alreeds in verband met ene Nietzsche opgevoerd. De “verbanden” zijn soms ondoorgrondelijk “klip & klaar”.


In zijn The GHOST in the MACHINE laat Arthur Koestler op blz. 317 een grafiek zien waarin hij de groei van de wereldbevolking tekent. De X-as loopt vanaf het jaar 0 tot en met het jaar 2035. Het boek is in 1967 verschenen; de curve is dus voor een periode van zo’n zeventig jaar een voorspelling. Nu, op dit moment zitten we al weer een tijdje in een nieuwe eeuw en dat geeft ons de mogelijkheid de helft van de voorspelling te controleren. En, ja hoor, Koestler had gelijk.
De groei van de wereldbevolking loopt zwaar exponentieel. Op dit moment gaat hij bijna als een raket omhoog, terwijl hij aan het begin van onze jaartelling bijna vlak was. Bij zo’n halve bladzijde grafiek krijg je onrustige en onbehaaglijke gedachten in de trant van “dat kan toch niet doorgaan” of “er moet toch een keer iets gebeuren”.
Koestler gebruikt de grafiek ook om er een visualisatie van de groei van andere grootheden in kwijt te kunnen. Drie stuks, t..w. kracht, communicatie en gespecialiseerde kennis. Ook die exploderen dus.
Maar waarom zou je je tot drie navolgers van die wereldbevolking moeten beperken? Eerder schreven we de volgende tekst. “Als we de lijn van “ingepakt zijn door de techniek” visualiseren (macro natuurlijk) dan zal blijken dat ie niet recht is. Eerder exponentieel. Sterk exponentieel. Een curve van inlijving, misschien wel zo krom dat we een logaritmische transformatie moeten uitvoeren. Anders krijgen we het geval niet op een enkel velletje. Corporatisme is een verboden staatsvorm, maar de praktijk schijnt, gezien deze kromme, niet naar dit verbod te luisteren.”
Toen wisten we nog niet dat we Koestler zouden tegenkomen. Zijn inzichten hebben we achteraf voor het citaat geplakt.

“Hoe te gedragen” hoeft niet uit de etiquetteboeken te worden opgehaald. Het gedrag wordt voorgeschreven door de dingen. De dingen stellen ons in. Goed, er moet wat voorbereiding worden gepleegd. De parameters kunnen nog op de persoonlijke maat worden toegesneden (soms door de secretaresse). Dat kan ook nog eens in lagen; een instelbare instelling? Maar eenmaal gearresteerd dwingen ze ons in het keurslijf. We moeten wel, we hebben het onszelf via die dingen opgelegd. Van een echt spontaan willen, dat nog kon opgaan in nagenoeg apparaatloze tijdperken, is nauwelijks meer sprake. En dat zal alleen maar toenemen.
Deze zienswijze noopt wel tot een soort herijking van de verschijnselen uit het verleden. Als ik ervan uitga dat er een lijn loopt van minder naar meer, dan zal zelfs dat weinige, in het zicht van de zienswijze, moeten worden omgetoverd naar … ja naar wat? Naar een soort aankondiging. Vandaar die Landbouwgeschiedenis erbij gesleept. Want de landbouw is toch wel een terrein waar zich de instrumentalisatie (mechanisering, desnoods) heel vroeg heeft voorgedaan. Bovendien is aan de hand van de landbouw de lijn heel mooi te ontvouwen. Niet dat die landbouw daar zo uniek in is. Je kunt ook de oorlog nemen, de wapens bedoel ik.
De hand aan de ploeg slaan. Wapens in ploegen omsmeden

De hele discussie over cultuurverschillen, over onoverbrugbare kloven, over verschillende werelden, dat is een veel te dik aangezette discussie. Zoiets als sociale controle is overbodig geworden. Straks, binnen niet al te lange tijd is de mensheid ingekapseld binnen de techniek. Een universele techniek. Goed, wellicht dat de bewegwijzering in de menu’s voor de ene gebruiker volgens de regels van de Koran loopt, en voor de andere overeenkomstig Bijbelse blauwdrukken, maar het blijven menu’s. Die terreur die de ene cultuur zegt te ondergaan van de andere cultuur - en de ander van de één - die terreur stoelt op een foute diagnose en bestaat alleen maar bij de gratie van die foute diagnose. Beide zogenaamde culturen (ik beperk me voor het gemak maar even tot een tweetal) staan dichter bij elkaar dan ze denken. Ze zouden moeten inzien dat er een gemeenschappelijke vijand is, een vijand die ze door hun onderlinge schermutsel alleen maar sterker maken. Die vijand is de technologie. Of is de technologie een vriend?
Op zich is de technologie neutraal. Die kiest, als we haar “op zich” nemen, geen partij. Maar zodra het begrip “op zich” opduikt is enige argwaan op z’n plaats. De technieken staan nooit “op zich”. Ze worden uitgevonden in of tijdens conflicten (oorlogen, concurrentiestrijden). Des te heftiger het conflict, des te scherpzinniger de uitvindingen. Conflict is de beste impuls voor creativiteit. U kent die grap over de Zwitsers? Na Wilhelm Tell eeuwenlang in vrede geleefd. Maar wat hebben ze uitgevonden? In al die eeuwen zijn ze niet verder gekomen dan de koekoeksklok.
Ok, ok, de conflicten waar we over praten hoeven niet alleen de oorlog te betreffen. ’t Kan ook gewoon concurrentie zijn. (Marketing is war.)


Peter Conrad.

https://en.wikipedia.org/wiki/Peter_Conrad_(academic)

Dat is een beetje een encyclopedie. Veel hap-snap, nooit echt tot in de diepte. Het loopt in overduiding wel heel gemakkelijk van citaat naar citaat. Maar desalniettemin, dat hoofdstuk over “Wapens En De Mensheid” met Remarque e.d. levert genoeg info.
Twee punten.
In de eerste plaats de vraag hoe het komt dat de spiegel die kunst en literatuur de opkomst van de techniek en de machines (zie ook Modern Times van Chaplin) hebben getoond niet gewerkt heeft.
En ten tweede: waarom worden er nu, nu die techniek overexponentieeel heeft huisgehouden, geen spiegels meer voorgehouden? Hoe kan dat. Waarom moeten we voor dat soort inzichten te rade bij het interbellum?

Hij laat zijn historische lijn ook te dicht bevolken op een enkel punt door alleen te rade te gaan bij het interbellum. Zo creëert hij op het gekozen scharnier een oncontroleerbaar zwaartepunt (als bij een wip-wap?); die lijn kan laten springen wat ie wil. De uiteinden zijn te ijl en te dun.

Guido Gezelle. Blz. 57. Statuta diocesis Brugensis, dat voorschriften bevat voor de clerus van een Belgisch diocees. Op welke aspecten zijn deze voorschriften van toepassing? Op:
- tucht;
- levenswandel;
- ambtsuitoefening;
- heilige deugden;
- kleding;
- wereldse vermaken;

Het Postmodernisme is bijvoorbeeld zo’n stroming die ons plompverloren op een punt in de historie neerzet; op een manier alsof er daarvoor geen geschiedenis had bestaan. Als een donderslag bij heldere hemel zijn daar opeens allerlei maatschappelijke verschijnselen. Het Postmodernisme gebruikt een veel te korte polsstok, dat is het.
Je krijgt trouwens de indruk dat de stroming veeleerder een sociologische is dan filosofische. Met deze herschikking loert er dadelijk een bruikbaar vooroordeel om de hoek. Namelijk de onleesbaarheid van sociologische teksten; iets moeilijk zeggen terwijl het met groot gemak gemakkelijker kan. Als zodanig willen we de tekst van Lyotard eens beschouwen, en kijken wat het oplevert. Het postmoderne weten.

- In het tijdperk van de informatica is de vraag van het weten meer dan ooit de vraag van de regering.
- In dat geval (als kennis als geld wordt opgevat) zou de transparantie er net zo voor staan als het liberalisme. Het liberalisme verbiedt niet dat sommige van de geldstromen dienen om besluiten te nemen, terwijl andere slechts dienen om te betalen. Zo kan men zich ook kennisstromen voorstellen die van dezelfde kanalen gebruik maken en van dezelfde aard zijn, maar waarvan sommige bestemd zijn voor de “beslissers”, terwijl andere dienen om de voortdurende schuld, die iedereen heeft aan het maatschappelijk verband, af te lossen.

Staan we bij de maatschappij in het krijt? Met kennis? Hoe moet dat begrepen worden? Dat de maatschappij iets van ons te weten mag krijgen? We, de leden van de maatschappij, hebben een informatieplicht - mogen we (leden van de maatschappij) het zo uitdrukken? Waarom niet, eigenlijk. We zijn verplicht bekend te zijn bij de burgerlijke stand. Met naam, adres, woonplaats en nog veel meer. Als we een onderneming beginnen is het de Kamer van Koophandel die gelegitimeerd is het één en ander te weten. Het bezit van een auto veroordeelt de burger tot het vrijgeven van allerlei kentekens. Je mag van de maatschappij ook niet onverzekerd rondlopen. Dus, zo gek is de bewering van Lyotard niet. Als je je als lid van de maatschappij een bepaalde bewegingsvrijheid gunt (links, rechts; omhoog, omlaag) dan zal dat aan die maatschappij betekend moeten worden. Zou je dat vertikken, dan resten er twee mogelijkheden. Die van vrijbuiter of outlaw, en die van zoutpilaar. Er zijn mensen - leden van de maatschappij; dat wel - die van beide mogelijkheden gebruik maken, net zoals het uitkomt. Ze leven in onmin met het maatschappelijk keurslijf, het juk wordt te zwaar, zeg maar. In manische perioden lappen ze alles aan hun laars. Maar daar staan depressieve perioden tegenover waarin ze zich transformeren naar de onbenader-baarheid van een steen.
Er is nog een derde mogelijkheid. Promoveren naar beslisser. De status in de wacht slepen op grond waarvan je het recht krijgt toegemeten de maatschappij in een bepaalde richting te sturen. In die hoedanigheid hoef je geen kennis af te staan, nee de kennis stroomt naar je toe. Er wordt in jouw informatiebehoefte voorzien.

De patte stelling is verdreven
en in nieuw licht opgeheven

Zou de rationaliteit de ontideologisering hebben beïnvloed? (Van Dam)
Alsof de ontideologisering al bestond. Maar een extra impuls heeft ondervonden van Rationaliteit.
Zou er altijd al zo’n wetmatigheid hebben bestaan? Dus niet alleen in het tijdperk waar Van Dam van rept.
Dus:
rationaliteit --> ideologisering

of

rationaliteit <---> ideologisering

Een voetnoot van Elias.

... meen ik dat het misschien tot het begrip van het woordgebruik bijdraagt, wanneer ik hier in een noot de volgende toelichting geef op mijn gebruik van begrippen als “gedragsstandaard” of “modellen van de affect-modellering” en dergelijke.
Toen ik aan dit boek werkte, gebruikte ik aanvankelijk begrippen als “veranderingen van het gedrag” of “wijzigingen van de menselijke affecten”. Dergelijke uitdrukkingswijzen stemden zowel overeen met het woordgebruik bij de dagelijkse omgang tussen mensen als in aangrenzende wetenschappelijke gebieden als psychologie of sociale psychologie.
Maar toen werd mij langzamerhand duidelijk dat dit soort uitdrukkingen ontoereikend was om te beantwoorden aan de stand van zaken waar ik me empirisch mee bezighield. Wanneer ik bijvoorbeeld op grond van mijn materiaal ontdekte dat het in een bepaalde eeuw ook in de bovenlagen gebruikelijk was vlees slechts met een mes in stukken te snijden en vervolgens met de handen naar de mond te brengen, terwijl dit enige tijd later, als onbetamelijk werd gevoeld, dan ging het niet alleen om veranderingen van het individuele gedrag - hetzij van één enkel mens, hetzij van vele mensen afzonderlijk. Het ging in dit geval veeleer om een verandering van de maatschappelijke regels of voorschriften voor het gedrag. Ik moest dus begrippen standaardiseren die helder en duidelijk tot uitdrukking brachten dat het onderzoeksobject niet zonder meer de veranderingen van het individuele gedrag van mensen was - dit natuurlijk ook -, maar in de eerste plaats de veranderingen van de maatschappelijke gedragsstandaarden of van de patronen van affectcontrole.
Om het woordgebruik nog duidelijker te maken wil ik er graag aan toevoegen dat men de gedragsstandaarden van twee kanten kan bekijken. Ze kunnen ten eerste van de kant van de individuele mens gezien worden als maatschappelijke regelingen, normen of controles waar de enkeling door socialisatie - en dat wil tegelijkertijd zeggen: ook in het kader van zijn persoonlijke individualisering - op afgestemd wordt. Dit is het ene perspectief. Ten tweede kunnen de gedragsstandaarden gezien worden als representanten van een bepaalde fase van maatschappelijke ontwikkeling. Dit is een andere perspectief, waar dan uitdrukkingen als “trap” of “niveau” betrekking op hebben. Maar wat door deze uitdrukkingen wordt aangeduid is identiek met datgene waar begrippen als “norm”, “standaard”, “regulering”, “model” enz. betrekking op hebben. Alleen het perspectief is verschillend. Denk bijvoorbeeld eens aan een standaard van het gedrag of een trap van ontwikkeling waarbij het nodig is de neus in een zakdoek te snuiten. Men gebruikt daar niet meer zijn vinger voor Zelfs wanneer men alleen is, is het dan pijnlijk de vingers te gebruiken. Dit is daarom een goed voorbeeld van wat ik wil zeggen. Het individuele gedrag en gevoel is in dit geval veranderd, omdat de maatschappelijke standaard van het gedrag en het gevoel in verband met de wijze van menselijk samenleven is veranderd. Ik had natuurlijk in plaats van standaard ook “norm” kunnen zeggen, maar het begrip “norm” werd toentertijd, en misschien ook nog tegenwoordig, door sommige sociologen en filosofen als iets absoluuts en fundamenteels behandeld, en mij was er veel aan gelegen aan deze metafysicatie van sociale regelingen en controles te ontkomen. Het ging er immers in dit boek onder andere juist om te tonen hoe en waarom in het verloop van de maaatschappelijke ontwikkelingen standaarden of “normen” van het individuele gedrag veranderen.

Dat beweert Norbert in een (voet)noot. Elders is al ’s gezegd dat voetnoten in dorre teksten nog wel ’s soelaas kunnen bieden. Dat was in verband met zekere Hegel. Maar hier, bij Norbert Elias, doet ie ’t ook - soelaas bieden, bedoel ik.
Want let ’s op hoe Elias zich hier verslingert aan begripsverwarring, hoe hij kronkelt, hoe hij zich verslikt, hoe hij in lijn loopt met datgene wat de culturalisten verweten kan worden. Niet kunnen redeneren, “paarden achter wagens spannen”, hysprot, dingen uitleggen/verklaren a.d.h.v. begrippen die zelf eerst verklaar/uitgelegd zouden moeten zijn, en nog veel meer.
Die noot of voetnoot moest Elias in het leven roepen om zich te verstaan met kritiek (de kritiek van een vertaler). Die kritiek zal hij niet voor niets hebben gekregen. Die vertaler moet in de hoofdtekst her en der, of hier en daar, onbestemde gevoelens hebben gevoeld. In de geciteerde voetnoot komt Elias aan die kritiek tegemoet.
Tegemoet?
Welnee, hij wordt ontmaskerd, hij ontmaskert zichzelf.
Nieuwe begrippen komen aan bod. Daar zijn culturalisten, zoals iedereen intussen weet, heel erg sterk in. In de index komt metafysicatie niet voor. Toch wordt het gebruikt in de alibiliserende voetnoot. Wat zou er mee bedoeld kunnen zijn? Reïficatie? Pseudoverklaring? Hypostase of hypostasiëring? Het ten onrechte verheffen van een beschrijving tot een verklaring?
Als dat laatste het geval is dan zou het begrip “norm” niet gebruikt mogen worden. Want Norbert wil ontkomen - zo zegt hij dat - aan de verdingelijking - zo zeg ik dat - van sociale regelingen en controles. Terwijl sociale regelingen, en daarmee controles, op enige moment in het civiliserende proces worden ingesteld - terecht of ten ontrechte; daar gaat ’t niet om. Als ze eenmaal zijn ingesteld - of het nou de Inquisitie of de NMA betreft; daar gaat ’t niet om - dan hebben de mensen van de Mensheid zich te verstaan met een Ding, zijnde de instantie van de instelling. Die instellingen zijn a.h.w. geïnstantieerd.
Als je zo ‘t ziet dan is die hele spagaat van Elias niet nodig. Trouwens en bovendien, dat hele geschrift van ruim 800 bladzijden, waar die strapatsen schatplichtig aan waren, is eveneens overbodig. OK, er zitten leuke passages bij of in. Vooral als hij Erasmus opvoert. Maar daar blijft ’t verder toch wel bij. Met de voetnoot - in een epiloog nog wel - straft hij zichzelf af.
Een instelling geschiedt, wordt bewerkstelligd door instrumenten (zie het instrumen-talisme). De NMA, de NVWA, de RDW behoren daartoe. Maatschappelijke instrumenten, nietwaar? Maar ook een vork, een stofzuiger(zak) en een adaptor. Als er messen bestaan - als gerei - dan is het heel goed voorstelbaar dat het vlees daarmee wordt gesneden. Als er nog geen vorken bestaan - als gerei - dan is het heel goed voorstelbaar dat het gesneden vlees met de hand (ook een gerei?; het gewone handwerk?) naar de mond wordt gebracht. Pas als die vork breed in zwang is kan het handwerk worden verfoeid. Pas als de stofzuiger breed in zwang is kan er op stoffer-en-blik worden neergekeken.
Vul aan de hand van deze vingeroefeningen de verdere geciviliseerde voorbeelden met allerlei ingeburgerde kleuring maar aan of in.

Die Elias, die Elias. Pfff!
Maar hij heeft navolgers. Niet zo zuinig ook.
Zo heb je hier ter lande een zekere Isaäc Meerkoet. Eén van de betere in het gilde van de culturalisten. Driek Mantel - eerder reeds behandeld - heeft een groot respect voor hem. Culturalisten onder elkaar, zeg maar. Driek vertelde Isaäc in een persoonlijk onderhoud dat die-en-die (wie, dat weet ik niet meer) een aardige, of zelfs een “ontzettend” aardige man was. Isaäc gaf als antwoord dat je “aardig” niet zou mogen gebruiken. Driek vond dat de moeite van het vermelden waard. Het leek er op of Driek iets had opgestoken.
Bij De Ommekeer weten we door analyse al in de lengte van welke waarde je moet hechten aan adjectieven. Voor “aardig” geldt dat het nietszeggend is, geen enkele informatie geeft en beperkt zou moeten blijven tot breiclubjes en borreltafels.

Steeds meer zijn de zeer fijn gedifferentieerde Westeuropese maatschappijen met hun hoge mate van arbeidsdeling afhankelijk geworden van de conditie dat ook de onderste agrarische en stedelijke groeperingen hun gedrag en hun activiteit reguleren vanuit inzicht in vervlechtingen op langere termijn en over grotere afstanden. Deze groeperingen zijn dan niet meer zonder meer de ‘onderste’ maatschappelijke lagen. Door de arbeidsdeling wordt het maatschappelijk apparaat zo gevoelig en gecompliceerd, en wordt het geheel zozeer bedreigd door storingen op elke plaats van de lopende banden die er doorheen lopen, dat de leidende groeperingen, die het eigenlijk voor het zeggen hebben, onder druk van de eigen selectiestrijd gedwongen worden tot steeds grotere terughouding tegenover de massa van de bevolking.
Het civilisatieproces is kennelijk, net als het collectiviseringsproces, onmiddellijk verbonden met de groeiende interdependentie tussen mensen, of met de verder-reikende en meer intense ‘externe effecten’ van hun daden op anderen. En in zijn meest recente fase werkt dit civiliseringsproces ook steeds sterker door in de arbeidende klassen.

Zo citeert Meerkoet Elias. Om er zijn eigen “collectiveringsproces” aan vast te kunnen knopen. Of ermee te legitimeren?
Waarom nu juist deze zinsneden aangeroepen? Je kunt met het grootste gemak uit het oeuvre van Elias je soelaas halen bij vele andere passerende alinea’s.
Maar, om bij het punt van het citaat te blijven, wat staat er nou helemaal?
Iets is “afhankelijk geworden van de conditie dat ...”.
Wordt een conditie niet juist geponeerd vanwege - onder de voorwaarde van - een afhankelijkheid? Afhankelijk worden van een conditie ... is dubbelop en dus redundant en daarmee overbodig. Als je een conditie in het leven roept, dan roep je gelijktijdig de afhankelijkheid aan.

A --> B

A impliceert B. Als A dan B. B hangt af van A.
Goed, dat hoeft niet 1-op-1. Het kan in zekere mate. Dan geef je waarschijnlijkheden mee.
Wat moet A voorstellen?
Dat moet je een beetje uitpuzzelen of uitspinnen, want de zinnen tonen bij Elias nogal wat vervlechting - trouwens een koosbegrip van Elias; mijn hemel wat laat Elias allemaal wel niet vervlechten of inspinnen.
A dus. Dat zijn “de zeer fijn gedifferentieerde Westeuropese maatschappijen met hun hoge mate van arbeidsdeling”.
Dat moet ingekort worden. De entiteit waaraan hier gerefereerd wordt zal “maatschappij” moeten heten. Daar heb je er heel erg veel van - van die maatschappijen, bedoelen we - waaronder de WestEuropese. Het UoD beperkt zich dus tot de entiteit maatschappij.
Zoals iedereen weet van Aristoteles heeft elke entiteit kenmerken. Welk kenmerk heeft Elias hier op het oog? Die moet ergens te vinden zijn in “fijn gedifferentieerd” en “hoge mate van arbeidsdeling”. Onder welke titel of noemer toveren we daar een, niet voor misverstand vatbaar begrip uit? Het moet een begrip zijn dat in een bepaalde mate van toepassing is. Dat is per definitie het geval met een begrip. Verscheidenheid is immanent aan Het begrip.
Ja, verzin ’t maar ‘s, zo’n aansprekend begrip.
Duidelijk is wel dat ’t in de economie moet worden gezocht. Zowel differentiatie als arbeidsdeling wijzen naar de economie. Maar in het kader van het economische hoofdstuk waar deze dingen besproken en uitgelegd worden (meestal bedrijfs-economische processen genaamd) zijn er meer begrippen/termen in zwang. Een beetje bedrijfsecononische theorie zou die termen en begrippen graag in hun onderlinge samenhang - zeg: in een nomologisch netwerk - willen presenteren, om tot een fundamentele uitleg te komen.
Daarvoor is het b.v. nodig dat het begrip differentiatie z’n tegenhanger (of spiegelbeeld) kent, zijnde de integratie. Een volledig geïntegreerd productieproces verzorgt van oerstof tot en met (consumenten)product de gehele lijn - die meestal in ec. geschriften als verticaal worden verbeeld. De verschakeling telt hier één. Terwijl een gedifferentieerd proces misschien wel tien stappen of schakels kan tellen.
Als er een verticale beweging is dan moet er ook een horizontale zijn.
Hoe heten de polen van deze horizontale lijn?
Die doen het met de begrippen parallellisatie en specialisatie. Een volledig geparallelliseerd proces brengt “alles” aan de man. Voor zover je je daarbij een voorstelling kunt maken. Of zou de staatsgeleide productie, die ooit nog wel ’s opgang heeft weten te maken, van zulks een voorbeeld kunnen zijn?
Volledige specialisatie staat daar lijnrecht tegenover. Die kent veel meer figuren. De diversiteit zou aan de hand van allerlei invalshoeken, optieken, perspectieven heel goed taxonomisch indeelbaar kunnen blijken te zijn. Maar dat stellen we ons hier niet tot taak. We moeten niet te veel uitweiden, want dan zouden we afdwalen van Elias en Meerkoet. De enige invalshoek die hier genoemd wil zijn is de markt. De markt met zijn doelgroepen. De markt met “voor elk wat wils”.
Met het eenvoudige kader van de productieprocessen is de economie in een keurslijf van een matrix gehesen. Horizontaal de rijen, verticaal de kolommen. Zo’n matrix laat van tijd tot tijd een bepaald gezicht zien. Aan de hand van zo’n gezicht kun je andere economische begrippen/termen in stelling brengen. Je kunt entiteiten plaatsen. Zoals daar zijn: branches, productschappen, bedrijfsschappen, KvK-codes, overheidsinstanties komen dan in beeld. Maar ook bewegingen kun je in zo’n plaatje, met b.v. pijlen, kwijt. Branchevervaging. Monopolievorming. Verzin ze maar. “Gat in de markt?”

Nu weer terug naar Elias, waarbij Meerkoet zo volgaarne wil aanklampen.
Als Elias zo graag verstrengeling, differentiatie en arbeidsdeling wil opvoeren, prima. Maar een adept van Elias, zijnde Meerkoet, mag in de tijdgeest van onze tijd wel toch wel een beetje specifieker zijn. Bijvoorbeeld door aan de hand van de geschetste matrix een soort maatschappij-index te opperen. En niet zo hopeloos globaal te blijven.
Welke ingrediënten zou zo’n index allemaal wel niet mogen bevatten?
- de diversiteit van de productieprocessen, uitgedrukt m.b.v. een matrix-operatie;
- het aantal overkoepelende instellingen;
- het aantal toezichthouders;
-

Wat Elias ‘de dwang tot vooruitzien en de zelfdwang’ noemt, doet denken aan de idealen van ‘zorg voor de toekomst’ en ‘fatsoen’ die de negentiende-eeuwse filantropen de armen en arbeiders van hun tijd wilden inprenten. Het is ‘meestal onder zware sociale druk’, dat leden van de lagere standen hun opkomende affecten weten te beteugelen en hun gedrag intomen. De veranderingen voltrekken zich niet enkel doordat de welbewuste pressie van geestelijken, of later filantropen en ten slotte maatschappelijk werkers bereidwillig wordt aanvaard, zoals een eerdere en ‘naïeve’ generatie van historici en onderzoekers veronderstelt.

We kennen natuurlijk allemaal de beroemde dialoog tussen de bisschop van Roermond en meneer De Goede, eigenaar van de grote aardewerkfabriek in Maastricht: “Houd jij ze arm, dan houd ik ze dom.” En inderdaad, bij de “openbare uitleg van het zijn” door de bisschop hoor je meeklinken: “Het is allemaal veel ingewikkelder dan je denkt. Laat dat maar aan ons over.”’

   

VANUIT NOG WEER EEN ANDERE INVALSHOEK.

Hoe zat ‘t ook alweer met de hysterèse? Of met de electromagnetische inductie?
Daar worden oorzaken van onstaan tegengewerkt. B.v. omdat de oorzaak z’n eigen historie nog meezeult, zodat er sprake is van naijlen, uitblijven, vertraging, soms speling of tekortkoming. Zijn de gevolgen daarmee mechanistisch oorzakelijk? Of zijn ze voorzienig en daarmee teleologisch? Zijn ze opdat, en niet omdat? Met de aanvoegende wijs van: werke tegen?
Het is een heel erg interessant weetje. Lenz heeft ‘m geformaliseerd in de zgn wet van Lenz.
Zou je die ook niet buiten de natuurkunde te gelde kunnen maken?
In de culturele antropologie bijvoorbeeld?
Als dat het geval is dan kunnen de langdradige inzichten van b.v. Norbert Elias bij het grof vuil.

Maar terwijl aldus enerzijds deze bovenlagen - en bovenlaagfuncties hebben zoals gezegd in allerlei opzichten West-Europese naties als geheel - ertoe dringen en gedrongen worden om hun bijzondere gedrag en hun specifieke driftreguleringen als distinctieve kenmerken met alle kracht te handhaven, dringt anderzijds zowel hun eigen positie als de structuur van de hele beweging waarvan ze deel uitmaken, ten slotte steeds meer tot afzwakking van de gedragsverschillen. Dit dubbele karakter blijkt duidelijk uit de expansie van de West-Europese civilisatie. Deze civilisatie is het onderscheidende en superioriteit verschaffende kenmerk van het Westen. Maar tegelijkertijd produceren de West-Europeanen onder druk van hun eigen concurrentiestrijd in grote delen van de wereld een verandering van de menselijke relaties en functies in de richting van hun eigen standaard. Ze maken grote delen van de wereld van zich afhankelijk en worden tegelijkertijd zelf daarvan afhankelijk - een steeds weer waarneembare ontwikkeling die immanent is aan de toenemende functiedeling. Enerzijds werpen ze door allerlei instellingen en door strenge bewaking van hun eigen gedrag een barrière op tussen zichzelf en de groepen die ze koloniseren en die ze volgens “het recht van de sterkste” zien als een lager soort mensen; anderzijds zorgen zij met de expansie van hun maatschappijvormen ook voor uitbreiding van hun gedragsvormen en instituties. Grotendeels zonder het te willen (cursivering van De Ommekeer) werken ze in een richting die er vroeg of laat toe leidt dat de verschillen zowel in maatschapppelijke sterkte als in gedrag tussen kolonisatoren als gekoloniseerden kleiner worden. In onze tijd beginnen de constrasten al duidelijk af te nemen. Al naar gelang de kolonisatievorm, al naar gelang de positie van een gebied in de functiedeling en niet in de laatste plaats al naar gelang de eigen geschiedenis en structuur van een gebied voltrokken zich in enkele gebieden buiten West-Europa vermengingsprocessen, die verwant waren aan de processen die eerder geschetst zijn aan de hand van het hoofse en het burgerlijke gedrag in verschillende West-Europese landen. Ook in de koloniale gebieden drongen al naar gelang de positie en de maatschappelijke sterkte van de verschillende groepen West-Europese gedragswijzen van boven naar beneden door, en soms zelfs al van beneden naar boven - wanneer men dit ruimtelijke beeld wil vasthouden - en versmolten dan tot nieuwe unieke eenheden, tot nieuwe variaties van uniek gedrag. De contrasten in het gedrag tussen hogere een lagere groepen nemen af met de uitbreiding van de civilisatie; de variaties of nuances van het geciviliseerde gedrag worden groter (de cursivering is van Norbert himself). Deze beginnende transformatie van oriëntaalse en Afrikaanse mensen in de richting van de West-Europese gedragsstandaarden vertegenwoordigt de laatste golf van de civilisatiebeweging die bij het schrijven van dit boek te zien was. Maar in deze golf begonnen zich al aanzetten af te tekenen van nieuwe en verdergaande golven in dezelfde richting; want wat in de koloniale gebieden als opklimmende onderlaag dichter bij de West-Europese bovenlaag kwam, waren in eerste instantie meestal de bovenlagen van de desbetreffende bevolkingsgroepen.
Intussen merkt men in West-Europa tegelijkertijd de golfslag van de corresponderende beweging waarvan eerder sprake was ....

Eerst een terzijde. Dat hebben we ons wel ’s vaker veroorloofd. We hopen van ganser harte dat we straks, na al die omzwervingen, weer kunnen aansluiten bij de oorspronkelijke doelstelling van onze exercitie. Zijnde de Taxonomie. ’t Zal een hele puzzle worden, dat wel.
Wat behelst het terzijde? Het heeft te maken met het culturalisme van de culturalisten. De persoon die de aanleiding vormde tot deze benaming heette Norbert Knast. Maar bij Norbert is het niet gebleven. Het verschijnsel - zo dachten we te kunnen constateren - is veel en veel breder uitgezaaid. Overal zagen
we metastasen opwoekeren. Eén van de kenmerken van het culturalisme was “ze kunnen niet concluderen”. Zo concludeerden wij, van De Ommekeer. Die conclusie werd handen&voeten gegeven aan de hand van de lawaaierige hoeveelheid “conclusie-materiaal”.

Even citeren.

Het valt ontzettend op dat het trekken van conclusies bij dat soort lieden niet in pacht is. Ze weten niet eens wat concluderen is. Dus vaart “het concluderen” onder een diversiteit aan noemers of termen. Zoals daar zijn:
- doordat
- omdat
- naar aanleiding van
- dit betekent ook ...
- zodat
- vandaar ook dat ...
- teweeggebracht
- vanwege
- niettegenstaande (dat)
- in weerwil van
- impact (heel veel impact)
- effecten
- je ziet dan ook dat ...
- en kijk ’s naar ...
- gaan hand in hand
- op grond van ...
- daarom dan ook dat ...
- brengt met zich mee dat ...
- vanzelfsprekend gevolg van ...
- dat wil zeggen dat ...
- ’t veronderstelt dat ...
- teneinde dat ...
- als gevolg van
- context
- beogen
- ewdmz; “iets” heeft effecten.
- Op de vraag “welke effecten” komt als antwoord “de enorme economische impact”

Ze buurten bij de grabbelton van de wereldgebeurtenissen, plegen een willekeurige, meestal populistische of opportunistische, selectie en harken die vervolgens naar hun inzichten toe. De wens is de vader van de gedachte. Zo ken ik er nog wel een paar. Een paar? Duizenden zijn ‘t ‘r.

Daar is Nobert er eentje van. Een hele illustere, dat wel ja.
Aan de hand van het citaat van Norbert is de lijst van die andere Norbert met gemak aan te vullen.
- enerzijds zus, anderzijds zo;
- maar gelijktijdig, of tegelijkertijd ...;
- dringen en gedrongen worden;
- dringt anderzijds zowel hun eigen positie als de structuur van de hele beweging waarvan ze deel uitmaken;
- onder druk van ...;
- blijkt duidelijk uit ...;
- werken in een richting die er vroeg of laat toe leidt dat ...;
- al naar gelang zus, al naar gelang zo, al naar gelang dit, al naar gelang dat; heel veel “al naar gelang”;
- vervlechting, heel veel vervlechting (niet in dit citaat trouwens); d.w.z.: veel “houtje-touwtje” en spinnerag en “aan-elkaar-lullen”; hoewel, merkwaardig genoeg, de dialectiek ontbreekt
- ... in deze golf begonnen zich al aanzetten af te tekenen van nieuwe en verdergaande golven in dezelfde richting;
- vul maar aan;

We sluiten dit “terzijde” af. Misschien moeten we de terloopse tekst naar elders copiëren. Misschien moeten we de tekst vervlechten met of in de teksten die zich met het culturalisme van de culturalisten bemoeiden.
Hoe dan ook, met het beëindigen van het terzijde zijn we - hoewel nog niet terug bij de Taxonomie - weer beland bij de doelstelling van het citaat. Die doelstelling had tot doel te laten zien dat de natuurkunde met groot gemak, met korte mededelingen en met empirische onderbouwingen z’n verschijnselen beter weet te verklaren dan het culturalisme de hunne. We vroegen ons af of Lenz met zijn wet niet iets over cultuur te berde zou kunnen brengen. Toen kwam Norbert Elias op de proppen.
Is er in de tekst van Elias iets te ontwaren dat van doen kan hebben met het verschijnsel “tegenwerking van de oorzaak van het ontstaan”?
Wacht, eerst even uitpluizen.
Er doet zich in de wereld - in de meest algemene zin - een verschijnsel voor dat om een verklaring vraagt. Dat verschijnsel zou een oorzaak moeten hebben. Want voor niets gaat de zon op. Heel vaak lukt ’t om die oorzaak op te sporen. Zo ontwikkelt zich de (beschaafde?) mensheid. Als je door onderzoek de stellige regels van de oorzaak-gevolg-relaties heb weten te specificeren, dan kun je er gebruik van maken in de geciviliseerde wereld. Onder andere door de oorzaak op te wekken, en te profiteren van het gevolg. Alles in alle beschaafdheid natuurlijk.
Nu blijkt echter dat die gevolgen, die ontstaan, kunnen knabbelen aan hun oorzaak. Zodat de gevolgen minder gevolg hebben dan gedacht.
In een notendop?

Die dingen zie je ook in het citaat van Elias. Z’n “enerzijds ... anderzijds”. Het cursieve “De contrasten in het gedrag tussen hogere een lagere groepen nemen af met de uitbreiding van de civilisatie; de variaties of nuances van het geciviliseerde gedrag worden groter” heeft de gedaante van een wet, die doet denken aan Lenz.

Niet alleen de begrippen van de cultureel antropoloog Norbert Elias kunnen we onder loep nemen en plaats laten maken voor β-varianten. Het β-jargon wordt dan a.h.w. gesubstitueerd in het γ-jargon.

The Hysteresis Loop and Magnetic Properties
A great deal of information can be learned about the magnetic properties of a material by studying its hysteresis loop. A hysteresis loop shows the relationship between the induced magnetic flux density (B) and the magnetizing force (H). It is often referred to as the B-H loop. An example hysteresis loop is shown below.
Zie:

https://www.nde-ed.org/EducationResources/CommunityCollege/MagParticle/Physics/HysteresisLoop.htm


The loop is generated by measuring the magnetic flux of a ferromagnetic material while the magnetizing force is changed. A ferromagnetic material that has never been previously magnetized or has been thoroughly demagnetized will follow the dashed line as H is increased. As the line demonstrates, the greater the amount of current applied (H+), the stronger the magnetic field in the component (B+). At point "a" almost all of the magnetic domains are aligned and an additional increase in the magnetizing force will produce very little increase in magnetic flux. The material has reached the point of magnetic saturation. When H is reduced to zero, the curve will move from point "a" to point "b." At this point, it can be seen that some magnetic flux remains in the material even though the magnetizing force is zero. This is referred to as the point of retentivity on the graph and indicates the remanence or level of residual magnetism in the material. (Some of the magnetic domains remain aligned but some have lost their alignment.) As the magnetizing force is reversed, the curve moves to point "c", where the flux has been reduced to zero. This is called the point of coercivity on the curve. (The reversed magnetizing force has flipped enough of the domains so that the net flux within the material is zero.) The force required to remove the residual magnetism from the material is called the coercive force or coercivity of the material.
As the magnetizing force is increased in the negative direction, the material will again become magnetically saturated but in the opposite direction (point "d"). Reducing H to zero brings the curve to point "e." It will have a level of residual magnetism equal to that achieved in the other direction. Increasing H back in the positive direction will return B to zero. Notice that the curve did not return to the origin of the graph because some force is required to remove the residual magnetism. The curve will take a different path from point "f" back to the saturation point where it with complete the loop.
From the hysteresis loop, a number of primary magnetic properties of a material can be determined.
1. Retentivity - A measure of the residual flux density corresponding to the saturation induction of a magnetic material. In other words, it is a material's ability to retain a certain amount of residual magnetic field when the magnetizing force is removed after achieving saturation. (The value of B at point b on the hysteresis curve.)
2. Residual Magnetism or Residual Flux - the magnetic flux density that remains in a material when the magnetizing force is zero. Note that residual magnetism and retentivity are the same when the material has been magnetized to the saturation point. However, the level of residual magnetism may be lower than the retentivity value when the magnetizing force did not reach the saturation level.
3. Coercive Force - The amount of reverse magnetic field which must be applied to a magnetic material to make the magnetic flux return to zero. (The value of H at point c on the hysteresis curve.)
4. Permeability, - A property of a material that describes the ease with which a magnetic flux is established in the component.
5. Reluctance - Is the opposition that a ferromagnetic material shows to the establishment of a magnetic field. Reluctance is analogous to the resistance in an electrical circuit.
Een volk (de culturele evenknie, de meme, van “A ferromagnetic material”) is b.v. heerszuchtig. Andersom mag ook: vredelievend. Het gaat om een potentie, een vermogen, een dispositie, een neiging, een drang, een streven. Het is stand. Geen beweging. Als zodanig wordt er teruggegrepen op een onderscheid dat elders (ik dacht i.v.m. de Economie) werd gemaakt. We werden daarin bijgestaan door een “bij-wijze-van-spreken”-analogie, t.w. foto-film. Nog weer elders, bij Popper, kregen we te maken met woorden die eindigden op ...baar. Nu eindigt heerszuchtig niet op ...baar, maarmaarmaar, ’t komt dichtbij. Popper haalde i.v.m. ....baar (of ...able) een vaas van stal. Een breekbare vaas gaf alleen maar een mogelijkheid te kennen, terwijl een gebroken vaas cash-value had - en dus werkelijker is. Bij diezelfde Popper vroegen we ons af of de tegenstelling niet kon zijn onstaan omdat de vertijdelijking (pardonnez le mot) vergeten of buiten schot gebleven was. Die vraag blijven we ons afvragen. Vandaar ook dat ie hier herhaald wordt.
Hoe mag de cash-value i.h.g.v. heerszuchtig heten? Onder welke noemer zal het Streven tot uiting willen komen?
Oorlog?
Welja, oorlog.
Stront aan de knikker?
Meestal is het zo dat de knikker de stront opzoekt en in futiele aangelegenheden een aanleiding vindt. Dat weten de polemologen wel. En de rijdende rechter ook.
Maar goed, eerst maar ’s systematisch.
We starten de uitleg van de electrische hysteresis - in het kader van een herdefiniëring van de Geschiedenis - bij de definities, waar de gebruikte termen worden uitgelegd. De curven van de grafiek komt later wel. Dus we beginnen met de stand (structuur), daarna komt de beweging (functie).

Retentivity.
Eerst de eigen prille, spontane ingevingen. Dat werkt ’t beste. Ze kunnen misschien onnozel zijn of de plank misslaan. Maar dat geeft niet. We kunnen onze natte duim altijd nog op de vingers laten tikken door allerlei naspeuringen.
(Ziehier een variant van onze “lerende” instelling, die ook bij de andere definiërende termen te gelde kan worden gemaakt.)
Wat geeft de spontaniteit in?
Houdbaarheid en behoudzaamheid. Misschien terughoudendheid?
Is dat wat?
Sluimerend Atavisme?
Een rudimentie in de kiem gesmoord?
Remanentie? “Dat wat blijft bestaan na uitschakeling van de veroorzakende werking.” (Veroorzakende werking? Wat is dat? Laat eerst maar.)
Geheugen? Herinneringen die zijn in te prenten?
Reminiscentie?

Afijn, de spontaniteit kan tot de meest lukrake invallen komen.

Het moet alles bezien worden als een kenmerk van het materiaal. In de natuurkunde kunnen stoffen aan de hand van de zgn. Schaal van Pauling geordend worden naar magnetiseerbaarheid. Ferromagnetische stoffen scoren het hoogst.
Zo zou je dat ook met personen kunnen doen. De licht ontvlambaren - zij met de korte lontjes - het hoogst? De onaantastbare ongenaakbaren het laagst? Hier echter betreft het geen personen of clubs of verenigingen of gildes of kuddes of roedels, maar volkeren. Dat ligt ‘m aan de keuze van het voorbeeld. Het ging om “in de vaart der volkeren”. Het kenmerk viel op heerszuchtigheid. Die kan op allerlei manieren worden gemagnetiseerd of aangezwengeld. Bij volkeren met een heerszuchtige aard gaat dat gemakkelijker dan bij vredelievende volkeren. Eigenlijk heb je het dan niet over Retentivity. Want die Retentivity is gemeten op een bepaald punt. Het is de afstand van het punt waar de curve de y-as snijdt tot de oorsprong. Het kenmerk zelf heet Permeability of De Retentivity is slechts een moment uit het leven van 
We zouden er nog wel meer schei- of natuurkundige termen tegen aan kunnen gooien. Maar dat laten we. We proberen het te doen met het vijftal van hierboven, waarvan we er intussen een tweetal hebben gehad.
Die Residual Magnetism of Residual Flux zegt die trouwens iets nieuws i.v.m. of t.o.v. de eerste twee? Nee. Het is gewoonweg de Retentivity op punt o van de x-as.
Reluctance. Dat is de weerstand van Ohm. Z’n spiegelbeeld heet geleiding. Materialen zijn met behulp van de Van der Pauwmethode een soortelijke weerstand toe te bedelen. Maar dat is precies datgene wat met ook al is uitgedrukt. Doorlaatbaarheid is de inverse van weerstand. De vorm van de curves in de grafiek hierboven verschillen al naar gelang het materiaal. IJzer is geleidbaar. Rubber is eerder een isolator; het houdt weinig vast. Dus zijn de curves van beide materialen verschillend. De curves van het HAKENKRUIS (het logo van de onbuigzamen) en yin-yang (het logo van de softies) verschillen ook.
Rest de Coercive Force. Da’s ook weer een afstand. Van o op de x-as tot het punt waar de curve diezelfde x-as snijdt.

Als je het zo bekijkt zit er nogal wat inflatie of spurieuze koppeling in dit vijftal begrippen/termen/grootheden. Het zouden er best wat minder kunnen en mogen zijn. Ze gaan daar in de natuurkunde de culturalisten toch niet naäpen? Je hebt een schaal van oorzaak (H) en een schaal van gevolg (B). Die werken op elkaar in via de zogenoemde werking. Dat moet ook wel. Anders hadden we het ene niet oorzaak en het andere niet gevolg kunnen hoeven noemen. Voor hetzelfde geld verwissel je het span oorzaak-gevolg voor inductie-toestand.
Maar er is nog een derde variabele. Dat is de variabele van het “al naar gelang”. Het “al naar gelang” van het materiaal, van de stof. Al naar gelang de eigen- schappen (permeability, doorlaatbaarheid, weerstand) van het materiaal lopen de bewegingen van de werking anders. De bewegende curves drukken dat uit. Daarna mag je punten en lijnstukken benoemen, zoals daar zijn: coercivity, saturation, residual magnetism.
Wat zou de geschiedkunde zoal kunnen opsteken van dit verhaal?
Dat moet voorbeeldsgewijs geschieden. Door bepaalde geschiedkundige bewegingen te ijken aan de begrippen van de electriciteitsleer. (Zoals elders Aristoteles geijkt kon worden aan de informatica?)
Neem nou b.v. de gearceerde curve in de grafiek. Die start in de oorsprong en is derhalve een beweging. ’t Is goed om dat nog even te onderkennen. Daarnet hadden we het over stand-beweging en foto-film. Daar kan een verkeerde conclusie uit worden getrokken. N.l. dat de x-as stand aangeeft en de y-as beweging. En dat is niet zo. ’t Zijn beide standen. Hoewel “stroom” of “flux” beweging veronderstelt.
Zo geldt dat ook voor de V&W-rekening in de economie. Het “van-naar” van de beweging is met de rapportage tot staan gebracht en geslonken-gekrompen tot een standmoment. Het gebeurlijke is dan a.h.w. gearresteerd. Behalve als de stroombeweging aan de hand van een curve (met eventuele pieken en dalen) is getekend. Met de vinger of de natte duim van dezelfde hand kun je ‘m bewegend nalopen.
Maar ja, maar ja, dat bewegend nalopen is dat op de x- en de y-as ook niet te volvoeren? Jazeker, even goed! Die H van hierboven kun je op de x-as verzinnebeelden met een soort sleepschuif. Op de y-as hoor je dan het aantal decibellen. Hoe dat luistert in het negatieve geval? Iets met implosie? Geen idee. We moeten het maar ’s aan een discjockey vragen.
Dus, dat hele onderscheid tussen stand en stroom?
Kunstmatig?
Komt stand-versus-stroom ook onder andere noemers of titels voor? Wellicht een titelnoemer waarbij we ons licht kunnen opsteken?
Wat te denken van synchronisch versus diachronisch?
Dat stel stamt niet uit de natuurkunde. Het is, dacht ik, het breedst in zwang bij de geschiedenis, de geologie - voorzover geologie geen geschiedenis is en geschiedenis geen geologie - de antropologie, de taal. De diachronie bestudeert z’n verschijnselen door de tijd heen. Om eventueel iets van continuïteit te kunnen ontwaren of te onderkennen. Maar eventuele breuken mogen ook. Het hoeft m.a.w. niet steedswaarts geleidelijk te gaan. Het gaat kortweg om de x-as van de tijd. Meestal verkort tot t.
Het synchronische heeft die t niet nodig. Die t kan buiten de grafiek verblijven. Het synchronische blijft staan op een punt.
Maar ja. Maar ja.
Werk je je met zo’n statement niet in de nesten?
Want blijven?
Dat doe je in de tijd.
En een punt?
Een punt is een abstractie en bestaat niet als zodanig. Het doet de bewegende dynamiek van de tijd onrecht aan. De tijd is niet terug te brengen tot een punt.
Of valt ’t allemaal wel een beetje mee. Worden er geen spijkers op laag water gezocht? Waarom zou er niet geabstraheerd - en dus gereduceerd - mogen worden? Het gaat om beelden (om frames?). De film van de werkelijkheid kan in verschillende tempi worden afgedraaid. Versneld, bijvoorbeeld. Zodat je in een paar (nieuwe?) seconden een bloem uit z’n knop ziet bloeien. Vertraagd, bijvoorbeeld. Zodat je in vele (oude?) seconden de redenering van een politicus als “stomvervelend” of “zeurend” tot je door kunt laten dringen, met de gedachte “waar heb ik dat eerder gehoord”.
Terugdraaien kan en mag eveneens. Om de niet-onomkeerbare tijd van Prigogine te verzinnebeelden of te framen. Om een gebroken ei vanaf de vloer naar boven te laten springen en in de “hele” en “ongeschonden” toestand te laten belanden in de koesterende handpalm van een ontvanger - als zinnebeeld of frame van de entropische tweede wet van de thermodynamica.
Van hot-naar-her kan ook. Met knip-en-plak-werk de gebeurtenissen editorisch zodanig lijmen dat jouw “oorzaak-gevolg” gelijk krijgt.

Maar als je even afziet van de trucjes en foefjes van de techniek, dan is over het algemeen de t diachronisch gegund aan de x-as. Die t telt in eenheden. Dat mogen, al naar gelang de context, nanoseconden, seconden, minuten, uren, jaren of eeuwen zijn. De y-as stelt een andere grootheid voor, die eveneens in eenheden telt - daarom was het een grootheid. Het kunnen aantallen zijn. Dus 1, 2, 3 .... Maar er zijn ook andere tallen beschikbaar. Tientallen, honderdtallen, duizendtallen .... Verder zijn er ook kengetallen; dat zijn getallen die iets weten. Er moet natuurlijk wel worden aangegeven waar die tallen op slaan. De entiteiten, waaraan ze als attribuut of eigenschap of kwaliteit beklijven, dienen m.a.w. gespecificeerd te worden. Dat kunnen mensen, dieren, bepaalde mensen of bepaalde dieren zijn. Maar het mogen eveneens levenloze dingen zijn; stoffen bijvoorbeeld.
Wat er in algemene zin gebeurt in de grafiek is dat x en y tegen elkaar worden afgezet. Hoe meet y als x=0; hoe als x=10; hoe als ... enzovoort. Als de x-as t vertegenwoordigt, dan laat de curve van de grafiek zien hoe y verloopt of vaart. B.v. de groei van de wereldbevolking, de winstgevendheid van een bedrijf en noem maar op. Als t mist dan gaat het om een verband tussen twee grootheden; bijvoorbeeld tussen lengte en gewicht van mensen in een bepaald land in een bepaalde leeftijdscategorie. Dat zou je synchronisch mogen heten. Zo’n verband is er met het gegeven voorbeeld in zekere mate - dus niet perfect. Doorgaans weegt een veertigjarige Nederlander van 1.90 meter meer grammen dan een vijftigjarige Nederlander van 1.65 meter. Je hebt evenwel ook bulletjes en bonestaken die roet kunnen gooien in de doorgaansheid. De maat of norm wordt doorgaans aangegeven aan de hand van de BMI; een kengetal dat luistert naar de naam Body Mass Index.
In het geval van het synchronische wordt t niet gerepresenteerd op één van de assen x of y. T blijft buiten schot. Maar het moment van t moet - weliswaar buiten de grafiek - toch vermeld worden. Want het zou kunnen blijken te zijn dat het verband op een later tijdstip van t een andere gedaante vertoont. Bijvoorbeeld omdat een steeds omvangrijker deel van de bevolking, die we hier op het oog hadden, luistert naar de BMI.

Hoe rijm je, in godsnaam, het diachronische met het synchronische?
Er is een antropoloog die daar een antwoord op heeft proberen te geven. Het was een structureel antropoloog, dus geen cultureel antropoloog. Een cultureel antropoloog kun je maar beter niet vertrouwen - de Margaret Meads, bedoel ik. Aan een structureel antropoloog kun je evenwel of eventueel wat meer serieuze aandacht besteden.
Vandaar Claude Lévy-Strauss; zo heette hij.
Hij heeft ’t over “a time referent of a new nature”. Daar betreft ‘t een twee-dimensionele tijdsreferentie, die gelijktijdig (sic) zowel diachronisch als synchronisch is en dienovereenkomstig de karakteristieken integreert van enerzijds langue en anderzijds parole (ook weer zo’n onderscheid!). In meer linguïstische termen: het is alsof een phoneem (zijnde de kleinste geluidseenheid die nog betekenis heeft; “au” in auto, rauw, jou en jouw) al was geconstrueerd uit al z’n variaties.
Claude voert deze nieuwigheid op in het kader van een speciaal onderwerp. Zijnde de mythe. Bizonder interessant, vooral voor antropologen. Maar in het huidig kader zou ik van de mythe willen afzien, en het nieuwe tijdsinzicht als überhaupt, algemeen en omvattend willen beschouwen. Als ik me eerst door de teksten van die geheimzinnige en obscure mythe zou moeten laten heenbazelen dan rest er geen tijd meer voor de nieuwaardige tijd.
Die zou tweedimensioneel zijn. Is dat voorstelbaar en aanschouwelijk te maken in een assenstelsel? Dat moet wel; die dimensies vragen er om. Dus een x-as en een y-as. Hoe te benoemen, die x en die y?
Beweging en stilstand?
X en y staan loodrecht op elkaar. De grootheden zijn ongecorreleerd. Zouden ze dat wel zijn dan zit er spurieuziteit in. X en y worden gebruikt door een derde grootheid z die verondersteld wordt z’n gedrag te kunnen verhalen op x en y, of te laten verklaren door x en y. Dat zal proefondervindelijk moeten blijken. Het is belangrijk om die x en die y trefzeker en raak (saillant, houtsnijdend en steekhoudend?) te selecteren; en niet lukraak. Zodat de grootheid z, die meestal priller is dan x en y, z’n identiteit leert kennen en zich verder weet te ontwikkelen. Om wellicht de mensen van de Mensheid tot heil en nut te kunnen strekken.
De nieuwe tijd van Strauss zou dus moeten weten terug te vallen op x (beweging; parole) en y (stilstand; langue)?
Met een vraagteken (?), zeker!
Want dat “terugvallen op” - met een meer technische term “regressie” genoemd - zat al in dat paar, x en y. Y probeert zich te verhalen op x. Het gedrag van y wil z’n oorzaak of samenhang kennen. Y wordt daarom ook wel eens f(x) genoemd; y wordt dan verondersteld een functie van x te zijn.
(Waarom trouwens altijd x en y? Die letters staan achteraan in het alfabet. Wil je een nieuwe grootheid opvoeren (z bijvoorbeeld) dan ben je door de letteren heen. Maar goed, niet zeuren. Er valt wel een mouw aan te breien.)
X en y worden bij dat soort analyses niet verondersteld ongecorreleerd te zijn. Integendeel, er wordt juist gezocht naar correlatie. De grootheiden mogen dan wel loodrecht op elkaar zijn afgebeeld, maar je mag niet zeggen dat ze daarmee ongecorreleerd zijn - zoals daarnet fout of abusievelijk werd opgemerkt. O, en dan moet in dit kader ook nog een ander onderscheid aan bod komen - het jongt aan met die onderscheiden. Namelijk het onderscheid beschrijvend-voorschrijvend. Voorschrijvend wordt ook wel normatief genoemd.
Dit nieuw aangehaalde onderscheid lag al een beetje op de loer toen we oorzaak en samenhang gezamenlijk opvoerden. Ze zijn namelijk niet van eenzelfde orde. In het geval van oorzaak wordt er verondersteld sprake te zijn van eenrichtingsverkeer. Bij samenhang hoeft dat niet. Samenhang of correlatie is “losser” dan oorzakelijkheid.

Terug naar Lévy-Strauss. Wat zijn de eenheden van die twee assen? Hoe tellen die twee assen?
Bij y zou je kunnen denken aan structuur. Liever: de mate van structuur. Het is algemeen bekend dat Duits en Nederlands zich grammaticaal (of syntactisch?) meer laten insnoeren dan b.v. Engels. Om welgevormde Nederlandse of Duitse zinnen te maken moet je aan meer voorwaarden voldoen (in het Duitse geval zelfs aan naamvallen) dan in het Engelse geval. Bij programmeertalen kun je ook zoiets waarnemen. ALGOL is strenger dan FORTRAN. De eenheden van die y moeten dus de noemer strengheid meekrijgen?
Zou kunnen.
Maar misschien kun je ook hoger reiken dan de loutere syntax. De syntax houdt zich bezig met zinnen en bewaakt de welvorming. Met zinnen worden - macro? - verhalen geschreven. Als die verhalen de geschiedenis weten te overleven in sprookjes, sagen, legenden, mythen, gralen, dan zou je de taal die dat op z’n naam heeft staan ook punten kunnen geven. Maar moet dat onder het mom van strengheid?
Nee!
Dat zou niet luisteren.
Luistert Bestendigheid beter? Bestendig tegen wat? Tegen de tand des tijds? Weten te overleven? Geen verval en teloorgang kennen? De consolidatiefase tot in eeuwigheid weten te rekken?
Als je deze invallen zo bekijkt dan kan die y-as te kust en te keur bij een diversiteit aan ingrediënten. Stel dat we die allemaal aanslepen en er een prachtige maaltijd mee weten binnen te halen?
Stel hè?
Dan rukken we schaaltechniek uit de kast die er een metriek uit tovert. Een nul voor de vluchtigheid van een scheet. Honderd voor de fermste handhaving. En alles wat er tussenin zit of hangt.
Diezelfde procedure zou je bij de x-as (parole) moeten willen hanteren. Eerlijk is eerlijk.
Eerst natuurlijk de naam. Hoe mag die x-as zich heten?
In welke mate een taal praktisch verandert? Met welk gemak worden nieuwe woorden, leenwoorden, slogans, beeldende frames, en dergelijke opgenomen? Ontvankelijkheid? Open staan voor?

***

Het volk is aldaar een schone lei. Het gaat om “A ferromagnetic material that has never been previously magnetized or has been thoroughly demagnetized” die de gestippelde lijn geacht wordt te gaan volgen.

Halsstarrigheid. Die laat zich (graag?) door verdrukkingen opladen. Zoekt misschien de verdrukking op?
Stroom zoekt de weg van de minste weerstand. Misschien zou ze dat niet moeten doen. Want op die manier wordt het materiaal, waardoor de stroom geleid wordt, niet gehard. Het blijft een doetje. Maar ja, je kunt de natuur en de natuurkunde natuurlijk niet afrekenen op moralistische en menselijke inzichten, waar de brede weg het moet afleggen tegen het smalle pad. Dat zou tegennatuurlijk zijn.

Zou er straks zoiets als absolute supergeleiding kunnen worden uitgevonden? Of ontdekt? ’t Schijnt in theorie mogelijk te zijn bij een afkoeling tot de absolute temperatuur van 0 graden Kelvin.

Ri(e)tenuto in de muziek; ingehoudenheid; langzamer, maar minder langzaam dan het lineaire doet of deed verwachten.

Hij vond zijn verzadigingspunt, zijn terugroep, zijn Barbarossa (Canossa) in Stalingrad. Net zoals Napoleon die in Waterloo vond.

Op hun schreden terugkeren. Schrijden?
Opzwepen, ophitsen, oppoken met allerlei middelen totdat het verzadigingspunt is bereikt. Dan breekt de hel los.

Menskunde, volkerenkunde, etnografie, antropologie gebruiken vaak de familiestructuur om dingen uit te leggen

N.B. organismisch (corporatistisch; corporatisme (Musolini), opereren, anatomie, morfologie, voetbalstrategie (voetbal is immers oorlog). Voetbalcoaches die lezingen geven voor managers uit het bedrijfsleven (marketing is war; immers).
Synchronisch, diachronisch?
Teleologisch: vitalisme, animisme? (een Koninklijke Hoogheid, die zich met bomen verstaat.)
“Nature does nothing in vain.” “God dobbelt niet.”
In vain? IJdeltuiterij is de natuur vreemd?
In de Kunst (kunst met een grote K) kom je dat soort ijdeltuiterij trouwens wel ’s tegen. “l’ Art pour l’Art”?

   

Steven,

23 bladzijden in lettertype Calibri corps 10 …
eugh… heb een middag- en twee koffiepauzes op kantoor nodig gehad om het te lezen!
(Er zijn wel drie facturaties blijven liggen, niet verder zeggen.)

   

Ik doe graag een duit in je zakje

To get into heaven, don't snap for a seven
To get into heaven, don't snap for a seven

It ain't necessarily so

George Gershwin

   

De diaretische vorm helpt niet echt, maar dat van die docerende culturalisten was mooi geanalyseerd. Het chagrijn dat er mee tot uitdrukking komt is mogelijk zelf weer normatief, de zingeving van jezelf is nu eenmaal toegeven aan de eigen normatiek (conclusie)
Ik snap wel dat door de zingeving te zoeken in de taxonomie de afstand tot het absurde geminimaliseerd wordt, wat op zich prettig kan zijn, a view from a distance.

   

Steven Wende,

Je noemt volgens mij enige zaken die bij evolutie een rol spelen. Mij lijkt dat onbegonnen werk omdat alles bij evolutie een rol speelt. Je had het over instellingen, maar de veronderstelling dat die iets specifieks instellen is onjuist omdat iedere instelling algemene gevolgen heeft. Je had het over messen en vorken. Je zou ook lepels kunnen noemen die alles door elkaar roeren, helemaal als ze de vorm aannemen van machines die leren hoe machines te maken die leren hoe ze moeten leren.
https://www.technologyreview.com/s/603381/ai-software-learns-to-make-ai-software/
Om ook maar eens de gebiedende wijs en eerste persoon meervoud te gebruiken: we heben de toekomst maar af te wachten en we mogen al blij zijn dat we sommige rampen zien aankomen en ook nog kunnen afwenden. Misschien kunnen die machines ons helpen dat nog een tijdje vol te kunnen houden.

   

“… ze kennen de eenvoudige regel “garbage in, garbage out” niet. Dat betekent dat als je een redenatiesysteem of een redenatieapparaat of een redenatiemachine voedt met rotzooi - in casu een zwakzinnige duiding of een diagnose die de plank misslaat - het resultaat (ergo de conclusie) eveneens fladderatsj is. Wanneer zowel de input als de verwerking niet deugt, dan kan de output rechtstreeks naar de papierversnipperaar.”

Steven, als jij dit vertelt tegen je kunsten/schilderbroeder tijdens een huiselijk eetmaal, springt die dan niet op om met brede gebaren een Da Da gedicht ten berde te brengen?

https://www.youtube.com/watch?v=ZsMyHNUCgM4

Ik vroeg je al eens in welke zin het Omnium en daarna bij uitbreiding de fenomenologische ‘wereld’ meer geëigend is dan een zinveld. Dat was toch iets wat jij vooropstelde. Vervolgens had je het over een nomologisch veldwerk wat natuurlijk weer interessant was.

Maar als ik in het einde van je blogtekst lees dat ”de eenvoudige regel “garbage in, garbage out” geldt, dan is dat door het Omnium, het nomologisch veldwerk e.d. toch niet zo’n eenvoudige regel.
Want soms geldt die eenvoudige regel, en soms heeft die regel geen geldigheid. Dat hangt af van zijn Omnium, zijn nomologisch veldwerk of haar zinveld zoals de DaDa-isten in het videofragment aantonen.

(Een BEETJE discipline tussen die velden mag toch wel? Of is dat verboden? Uit hoofde van het POMO?)

   

Ik denk dat uiteindelijk zal blijken dat men het discours helemaal niet wil,maar de macht wil hebben de ander hard te kunnen negeren. Daar is de hele evolutie van controlemechanismen op gericht, geen rekening met andersdenkenden te hoeven houden, want weet je anders is die controle helemaal niet nodig.

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie