De Zot.

In de blog: filosofie en literatuur reacties: 29 pdf print

Heel veel Blogs verzanden of verwateren hier in eindeloze discussies die met het start-blog weinig meer te maken hebben. De discipline om “bij” het onderwerp te blijven is er niet of nauwelijks. Het waaiert vaak uit. Is dat erg? Nee, integendeel. Want de verbanden die soms gelegd worden zijn een enkele keer - dus niet altijd - in literaire zin goed te pruimen. Soms - dus niet altijd - zijn ze vermakelijk. En hier en daar raakt iemand wel ’s een gevoelige snaar.

Het "bericht" is weer te vinden bij de reacties.


Tags
geen tags

Reacties (29)

   

Datgene wat we hier menen te constateren is niet nieuw. We weten het, we wisten het, en zullen het blijven weten. Op andere fora hebben we dit verschijnsel ook mogen meemaken. Het was ook de precieze reden om ons bij dergelijk fora aan te sluiten.
Je hoort of leest nog eens wat.
In datgene wat je zoal leest of hoort - zo spraken wij bij of met onszelf af - moet je literatuur zien. Met een dergelijke (averechtse?) Wending ligt het materiaal voor het oprapen.
Maar let wel, Filosofie.be is niet de enige aangever. Er zijn (beroeps)filosofen zat die “zelf” ook op de korrel kunnen worden genomen. Hegel b.v., met zijn eindeloze kurkentrekker. Leibniz met zijn monaden en met zijn Wereld, die “de beste van alle mogelijke werelden” zou zijn. De literaire spot die dit soort lieden ten deel valt is uitermate goed te consumeren.
De invalshoek “filosofie en literatuur” is dus gewettigd. En ook vrouwe Ursula schijnt ons daarin te ondersteunen wanneer zij rept van een eigen “filo-wereld”. Een wereld waarin dwazen als Deleuze en Lacan en vele anderen hun zotte bokkensprongen mogen maken.

Waarom zeggen wij dit?
Nou om een excuus te hebben voor een verhaal waarmee wij tijden geleden ’s een aanvang hadden genomen. Een verhaal dat wij vergeten waren. Maar eveneens en bovendien een verhaal dat wij vergeten waren “af te maken”.
Dat onaffe verhaal is onder het stof vandaan gehaald. Soms heeft inderdaad enige continuïteit. Maar het is ook doorspekt met terloopse invallen en associaties. Die nog in de “wachtrij” staan om een beetje in het keurslijf van het “verhaal” geregen te worden. Die terloopse invallen en associaties zijn te beschouwen als dagboek-notities.

Ziehier.

   

DE ZOT.

Over de achtergronden van de
zotternij

een spirituele thriller

(schatplichtig aan Erasmus)

   

Jullie begrijpen het niet, totaal niet, in de verste verte niet. En misschien is het ook maar beter om dat onbegrip gewoonweg voort te laten bestaan; het levert de mooiste resultaten op, het draagt het vruchtbaarst vrucht. Maar goed, ik ben nu eenmaal al begonnen om mezelf bloot te geven, dus laat ik het maar afmaken.
In een roman wou ik mijn politieke ideeën ontvouwen, in een roman, ja. Dat leek me van alle dragers of vehikels van politiek gedachtegoed mij het meest op mijn lijf geschreven. Me aansluiten bij een politieke partij? Zitting nemen in een gemeenteraad? In provinciale Staten? In de Tweede kamer? Desnoods waterschap?
Aan m’n hoela!
Zelf een politieke partij oprichten? En m’n denkbeelden in een programma vastleggen?
Lik m’n reet!
Me opstellen als politiek commentator? In columns en essays de politiek bekritiseren?
Je kunt me de kont kussen!
Nee.
Niks van dat alles.
Er komt niets van in.

Wat zei ik net? Ik zei dat ik begonnen was mezelf bloot te geven, en m’n dubbele bodem prijs te geven. Twee keer “geven”. En wat bedoelde ik daarmee? Nou?
Nou, dames en heren, daar bedoelde ik mee dat we zojuist, toen ik mijn ideeën ten toon spreidde, toen jullie (er) - min of meer verontwaardigd - commentaar en repliek (op) gaven, dat we toen IN mijn roman zaten. MIJN roman, ja. De roman is nog niet helemaal af, allerlei aanvullingen zijn van harte welkom. En die aanvullingen hebben jullie met jullie commentaar mij in de schoot geworpen. Waarvoor mijn hartelijke dank. Straks, als jullie jullie konten hebben gekeerd, ga ik dat onmiddellijk boekstaven, en later ga ik het uitventen over de diverse passages en personages in mijn onvolprezen roman. Eigenlijk heb ik jullie - de eerlijkheid gebiedt het mij te zeggen - een beetje misbruikt. Ik had een heel vaag en diffuus idee over politieke constellatie, ’t was een constellatie met mistige contouren. En toen dacht ik, kom laat ik dat idee eens in de week leggen bij een leuk gezelschap, op een gezellige avond. Wie weet krijgt mijn idee meer profiel, en worden de contouren wat scherper. Wie weet.
Ach, ik moet mezelf complimenteren. Dat vind ik uiterst vervelend, want ik complimenteer mezelf niet zo graag. Het is geen valse bescheidenheid, of zo; beslist niet. Het heeft meer iets te maken met proefondervindelijkheid. Altijd wanneer ik mezelf complimenteerde - zo heeft de proefondervindelijkheid me uitgewezen - werd ik achteraf getrakteerd op een depressieve kater met een duur van minstens twee weken. Maar - zo bleek uit een diepgaandere studie van het empirisch materiaal van de proefondervindelijkheid - diezelfde periode van minstens twee weken waren wel uiterst productief voor mijn schrijverij. Omdat ik de logica een warm hart toedraag, en derhalve, en dus, en dus ook bijgevolg trefzekere conclusies weet te trekken, kom ik dan ergo en mede derhalve en dus bijgevolg tot de trefzekere conclusie mijn eigen overschatting niet te moeten onderschatten - terwille van de schrijverij, bedoel ik.

En daarom zit ik nu met mijn potlood achter het toetsenbord. Om op te schrijven hoe het verloop van de discussie is verlopen.

De politiek dus. Waarom zou ik geen zitting nemen in een gemeenteraad, in een Staat van één van de provinciën of in een Tweede Kamer?
Aan m’n hoela!
Zelf een politieke partij oprichten? Een vlammend programma schrijven, van hoe het anders moet, moet, moet, moet?
Lik m’n reet!
Als politiek commentator in columns, essays, wellicht boeken de gang van zaken opiniëren?
Je kunt me de kont kussen!
Nee, ik heb gekozen voor de roman. De roman is de drager of het vehikel van het wel en wee in het politieke landschap. Maar ... eehh ... misschien heb ik dit al eerder gezegd, en (ver)val ik - mea culpa, mea etcetera - in herhaling.

Laat ik hem, mijn romanheld, een naam geven, dan krijgt ie smoel. Hij heette en heet nog steeds Steven Wende (misschien dat u die kende). De rest van het gezelschap kent hem als ietwat wonderlijk, enigszins eigenaardig, om niet te zeggen: een beetje maf of gek. Maar waarom zou je in een roman geen halve gare mogen opvoeren? Als je verhaalt over een discussie met alleen maar brave, middelmatige en grijze PvdA’ers valt er totaal niets te beleven. Zo’n vertelling belandt al snel bij het oud papier.
Dus Steven geeft te kennen van plan te zijn om op het CPB te gaan stemmen. (Dat had hij trouwens veel eens vaker gedaan, maar toen op schrift. Een nadere uitwerking was nauwelijks uit de verf gekomen. Maar kennelijk is het idee blijven doorsudderen in zijn hersenpan.)
Wacht; even een nadere contextbeschrijving.
Ik praat uit een periode van de naderende verkiezingen. Iedereen kon constateren dat de verkiezingen naderden. De media stonden er bolrond van. En ook aan de gewone huiskamers, waar situationeel de Janmodalers huizen, waren de politieke kwesties niet vreemd. Daarom situeert de roman zich in een gezellige avond met een gezellig gezelschap. Aanwezig is een gemêleerd gezelschap, waarvan de namen eventueel later - ‘k sluit ’t niet uit, zeg maar - nog wel ’s kunnen opduiken. Laat ik dat gezelschap de titel “klankbord” meegeven. Ze kunnen bestaan uit lieden uit je eigen omgeving. Maar verder zou je natuurlijk personen kunnen opvoeren - het staat de schrijver vrij; meer dan vrij, zelfs - uit de geledingen die ik hierboven herhaald heb afgedaan met “aan m’n hoela”, “lik m’n reet” en “je kunt me de kont kussen”. Sommige daarvan zijn uitermate amusant en interessant, of andersom (ik bedoel: gewichtig en vermakelijk). Stof en materiaal (in woord en geschrift) ten overvloede en voor het oprapen.

Zal ik er ’s eentje nemen? Ja?
Als ik er eentje neem dan wordt het Maurits Onderdijk.
Deze Maurits Onderdijk heeft na de verkiezingen een stemverklaring afgelegd in de VK van donderdag 23 november 2006. Maar ik, als schrijver in vrijheid, laat hem met zijn standpunten gewoonweg mee discussiëren in een burgerlijke, huiselijke discussie die ik, als schrijver in vrijheid, laat plaatsvinden op een tijdstip dat voorafgaat aan de verkiezingen.
Wat zegt Maurits Onderdijk in zijn artikel in een dagblad van donderdag 23 november 2006? Wat zijn zijn meest cruciale, zijn meest saillante punten?
Laat ik ze eerst maar eens gewoon en gortdroog, en dus niet romantesk, opsommen. Dat loopt in lijn met mijn bekentenis me bloot te willen geven. Als de roman aan bod komt, dan kleed ik Maurits Onderdijk wel weer romantesk aan of in. ’t Liefst onherkenbaar natuurlijk; want niemand hoeft te weten dat het om Maurits Onderdijk gaat, en dan zaai ik zijn inzichten wel weer uit over een breder maaiveld. Een schrijver moet van doseren weten, weet u? O, en het kan ook anders. Dan maak ik a.h.w. een bloemlezing van de opiniërende artikelen van niet alleen Onderdijk, maar ook van zijn soortgenoten. Daar zijn er genoeg van, je kunt te kust en te keur gaan bij een vleet. Stel gewoon een boeket van distels, brandnetels, paardebloemen en een enkele klaproos samen, en laat her en der uit de herkauwende monden van types à la Onderdijk een pluk uit dat boeket blaten.

“De banden tussen het maatschappelijk middenveld en de politiek, traditioneel intermediair tussen staat en samenleving, zijn erg los geworden. Niet langer is dat middenveld stevig maatschappelijk en politiek ingebed: het bestaat grotendeels los van partijen en doelgroepen van burgers wier belangen het pretendeert te vertegenwoordigen. Een los ensemble van professionele zaakwaarnemers, voortdurend op zoek naar adequate representatie bij een overheid waarvan het exclusief afhankelijk is.”

“Pardon, pardon, wat zegt u daar nu allemaal? Kunt u dat niet wat exacter uitmodelleren?”
“Uitmodelleren? Wat is dat?”
“Dat is een procedure die haar stap-voor-stap met discipline neemt.”
“O, en wat heeft dat voor gevolgen voor mijn zinsneden?”
“U moet niet naar de bekende weg vragen. U weet bliksemsgoed wat de gevolgen zijn. Uw hele betoog, opgebracht als een soort diagnose, valt in duigen.”
“Dat zie ik niet.”
“Ja, wat ziet u niet? Dat u naar de bekende weg vraagt, of dat uw betoog in duigen valt?”
“Beide.”
“Dan zal ik het u laten zien. Doe me in eerst even het genoegen om de zin aan het schoolbord achter u toe te vertrouwen. Dat schoolbord heb ik aangeschaft omdat hier wel eens vaker mensen langskomen met moeilijk te doorgronden zinsneden; vandaar dus. Ik zie graag dat u de tekst een beetje in de marge neerzet, laten we zeggen in een kolom binnen een derde van de bordlengte. Hier hebt u een krijtje.”

Na enige aarzeling werd de bewering inderdaad opgeschreven. Als volgt:

“De banden tussen het maatschappelijk middenveld en de politiek, traditioneel intermediair tussen staat en samenleving, zijn erg los geworden. Niet langer is dat middenveld stevig maatschappelijk en politiek ingebed: het bestaat grotendeels los van partijen en doel-groepen van burgers wier belangen het pretendeert te vertegenwoordigen. Een los ensemble van professionele zaakwaar-nemers, voortdurend op zoek naar adequate representatie bij een overheid waarvan het exclusief afhankelijk is.”

“De hele zin die u hier aan ons wilt verkopen lijkt wel op een ingekleedde vergelijking. Ja, en om te begrijpen wat u nu precies bedoelt moet in eerste instantie die vergelijking worden uitgekleed. Daarna kunnen we op die naakte vergelijking een soort algebra toepassen, zodat er allerlei ballast kan worden geëlimineerd. Vervolgens kleden we die vergelijking weer aan, en kijken ten slotte naar wat er zoal beweerd wordt. Zullen we het zo doen?”
“U bent hier de gastheer, u mag het zeggen.”
“Dank u. U voert een hele vleet aan entiteiten op; die loop ik stuk voor stuk met u na. We beginnen met het “maatschappelijk middenveld”. Naast de tekst, die u aan het bord heeft toevertrouwd tekent u een cirkeltje - niet te groot natuurlijk; anders is het bord te klein. In dat cirkeltje zet u de afkorting MV. Ja, we moeten de hulp inroepen van afkortingen, anders wordt het rondje te groot en het lei te klein.
- politiek
- intermediair
- staat
- samenleving
- partijen
- ensemble
- doelgroepen van burgers
- zaakwaarnemers
- overheid
Dat zijn er welgeteld tien stuks. Daartussen zouden relaties moeten gelden - stap-2 in mijn discipline. Ik probeer ze zo goed/kwaad mogelijk uit uw tekst te peuren:
- banden
- losstaan (2x)
- ingebed
- vertegenwoordigen
- representeren
- afhankelijk

“En wat bedoelt u met “de stijging is over het hoogtepunt heen”?

Maar nu ter zake, d.w.z. de punten.
Onderdijk heeft het in zijn artikel nog al op de modellen. En dat prikkelt één van de andere romanhelden (een andere dan Onderdijk, dus) behoorlijk. Die andere is met naam en toenaam bekend; hij heet Steven Wende, voor u intussen een bekende. Steven Wende wordt geprikkeld omdat hij zich heeft bekend tot het CPB, en komt uit dien hoofde meermalen in aanvaring met Maurits Onderdijk. Wie er wint? Tja ..., zou Martijn Montuur zeggen, tja .... U weet wel, Martijn Montuur, de kampioen van de interjecties. Enfin, afijn, gutgut, sakkerloot, tjakka, enwatdiesmeerzij - in het vervolg steeds genoteerd als ewdmz. Maar laat ik niet ontsporen, en me bezighouden met de vraag die ik mezelf heb gesteld: wie wint er. Tja ... een romancier hoort geen moralist te zijn. Een schrijver met een boodschap is in principe en ook uit beginsel een slecht schrijver. Een schrijver hoort de ethiek buitengaats te houden; het is aan de lezer (lectori salutem) om te beoordelen wie er kampioen is.
Maar nu de punten, dus ter zake.
- De politiek is in de greep geraakt van de technocratische economische modellenbouwers die zelf niet meer in de gaten lijken te hebben dat een model nooit iets anders oplevert dan wat je er in stopt.
- Stukje en beetje stoppen de modellenbouwers het Amerikaanse sociaal-economische model in de computer. Omdat het economen zijn.
- Ze (gemeenschappelijke doelen; SW) werden vervolgens in de regeerakkoorden en de molens van de modellenmakers verder vermalen tot één pot nat.
- De grenzen van het sociaal-economische beleid worden nu ook voor de PvdA berekend door de Haagse modellenmakers.

Tja (om nog maar eens, ... afijn), word je nu een kanaal of een rivier of een sloot of een beek overgedragen door een brug of door een bruggenbouwer? Maar dit terzijde. Je kunt ten slotte ook nog proberen zwemmend de overkant te halen. Nietwaar?
Die dingen van hierboven beweert Maurits Onderdijk allemaal. U begrijpt dat het koren op de molen is van z’n romanteske sparringpartners, waaronder Steven Wende en Andries Boegje. Want Wende en Boegje zijn uitgesproken voorstanders van modellen. Dat is precies hun reden om te stemmen op het CPB.

Goed, goed, goed, dit was de blootgevende achtergrond, die een romancier eigenlijk niet hoort bloot te geven. Mea culpa, mea etcetera. Nu een stukje uit de roman zelve.
(Ik heb trouwens wat hoofdbrekens gestoeid met de persoonsvorm(en). Dat gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen - en omdat ik de eerlijkheid een warm hart toedraag, zeg ik het ook maar even, al is het tussen haakjes.
Wie moet ik “ik” noemen in mijn verhaal? Moet ik überhaupt wel iemand “ik” noemen? ’t Is een bekende kwestie, zoals u weet. ’t Is een kwestie van het perspectief. Een Ik-persoon domineert, de anderen zijn figuranten. Op die manier zou de schrijver toch weer stiekem moraal en ethiek kunnen binnenloodsen. En we hadden juist afgesproken dat een schrijver dat niet hoort te doen. Hij zou dan slecht schrijven ... en ... tja ... ik wil beslist niet als slecht schrijver te boek staan.
Wikken en wegen, wegen & wikken ...
Weet je, dacht ik, ik hak de knoop door. Ik hak de knoop door m.b.v. een chargerement. Mijn “ik” heet gewoonweg Steven Wende, en op het kaft zeg ik net zo gewoonweg dat de schrijver van het verhaal eveneens Steven Wende heet. Dan mogen de lezers (lectori salutem) gewoonweg zelf uitzoeken hoe het nou helemaal zit.)

“Kom binnen, Hans, kom binnen. Leuk je weer te zien. Hoe was je vakantie? Leuk? Ach, leuk om te horen. Oh, kijk eens, Els is er ook. Kom jij ook maar binnen, Els. Als ik Hans niet weiger, dan kan ik jou zeker niet weigeren. Dus, treed binnen in mijn nederige stulp”
Ach, ze zijn het van me gewend, zo’n welkomstrede, ze nemen het voor lief, ze glimlachen er plichtmatig onder. Misschien doe ik zoiets te vaak, ik moet maar leren me aan te leren iets te minderen.
“Morgen ben je jarig”, zegt Hans, “maar morgen gaan wij op reis naar Roemenië, dus morgen zijn we er niet, niet hier in elk geval. Dus dachten wij, Els en ik, dan moeten we het vandaag maar even doen. Kijk, hier, wijn, een fles van mij - droge witte - en een fles van Els - rode.”
Zo druppelen ze binnen, allemaal op de vooravond, ’t is heel toevallig. ‘t Is of de duvel met het lot speelt. Ik heb nog net gelegenheid om voor Els en Hans koffie te zetten en in te schenken, en daar gaat de bel weer. Ariën, die niets van verjaardagen weet en wil weten - hij is er dus toevallig, maar heeft toevallig wel twee flessen wijn meegenomen, allebei rood. Dan, vlak daarna, Arie, die hetzelfde excuus heeft als Els en Hans. Hij heeft dan wel niet Roemenië als bestemming, maar ... eehh ... afijn ... ik weet ’t niet meer. En of de duvel er mee speelt, vlak na de laatste beltinkel weer een gong: Liesbeth met haar councelor Saskia - liever Sas. Ariën veert helemaal op door zoveel gezelschap, hij zoent en zoent, hij kweelt “wat leuk, wat leuk, wat leuk”, enzovoort, etcetera. Hij denkt dat alle belangstelling aan hem gewijd is en voelt zich overmatig in zijn Sas.
De koffie wordt afgezworen, de wijn is geboren.
Dan weer de bel. M’n docher met haar niggie - een felvlammende roodharige met hemelsblauwe ogen en een koppig Fries temperament. Zij waren op doorreis, en dachten maar even van de gelegenheid gebruik te moeten maken om bij papa, respectievelijk oom, langs te gaan. Daar zijn ze dan. Wijn? Nou één glaasje dan, want ... straks moeten we nog rijden, weet je.
Dan weer de schel. Wie is dat nou weer? Ach, kijk, het zijn Maurits en Andries. Kennen die twee elkaar, of is dit ook toevallig? Ik besluit om er geen vraag mee te belasten, maar al vrij vroeg in de avond voel ik aan m’n theewater dat Andries had gekozen voor de vooravond om op de verjaardag zelve niet in een te groot gezelschap te hoeven vertoeven. Andries houdt namelijk niet van grote gezelschappen, hij kan er niet mee uit de voeten, hij voelt zich ongemakkelijk. Deze toevallige vooravond moet voor hem een tegenvaller zijn.

Er wordt wat heen weer gekletst in diverse formaties. Sommige mensen kennen elkaar niet, dus die sommige mensen moeten zich op de één of andere manier nog nader identificeren. Maar verderop, na diverse wijnen - m’n dochter en m’n niggie hebben intussen besloten om in E. te overnachten; Hans heeft ze een slaapplaats aangeboden - komt het gesprek centraal op de dag na mijn verjaardag. En dat is de dag van de verkiezingen.
Dat belooft wat.
Sommige kasteleins te E. verbieden in hun kroeg het onderwerp van de politiek. Ze hebben er nare ervaringen mee. Maar hier, in zo’n huiskamer? In zo’n huiskamer met beschaafde lieden? Daar moet het kunnen. Ik was niet van plan om als gastheer de verkiezingen, en daarmee de politiek, van de agenda te verbannen. Integendeel zelfs.
Iemand stelt aan Hans en Els de vraag of ze de volmacht geregeld hebben, ze reizen morgenmiddag immers af. Dat hebben ze; de plaatselijke voorzitter van de VVD zal in hun naam mevrouw Verdonk van twee stemmen voorzien.
De stemming is gezet. Het veld splitst zich
De schaal van achterdocht.
Helemaal links de naieve, blanke ziel van Candide, helemaal rechts de paranoïde, met doortrapte, uitgekookte Hintergedanken. Met alle mogelijkheden daar tussenin, zoals “vertrouwen” en “het moet dan maar”.

Economische modellenbouwers?
Wat nou?
Bouwen die modellenbouwers hun modellen economisch?
De toonzetting van de Mauritsiaanse zin is uiterst negatief, maar - luidt de vraag - wat is er nou mis met economie in modellenbouw? Economie zweert bij schaarste, en als je de modellen schaars kunt houden aan begrippen (en dus: variabelen), dan zijn het goeie modellen. Simplex sigilum veri. En in de Middeleeuwen had William van Ockham - ook in het Latijn - al eens beweerd: entia non sunt multiplicanda sine necessitatum. The law of parsimony - om ’t maar even in een andere taal te staven.
Ach, ’t is allemaal een beetje kinderachtig, deze opmerkingen. We begrijpen bliksemsgoed wat Maurits bedoelt. Hij doelt op modellen die de economie willen simuleren (= nabootsen; = mimese). En daar heeft Maurits geen verstand van, hetgeen hij (onbedoeld?) duidelijk kenbaar maakt, en omdat hij er geen verstand van heeft gaat hij die modellenbouw op een vreselijk onsportieve manier afkatten. “Daarom zijn het economen”, krijst hij, “daarom zijn het economen”.
Waarom?
Nou, daarom!
Daarom kent geen reden. Als je van de trap afvalt ben je snel beneden.

“Ze (gemeenschappelijke doelen; SW) werden vervolgens in de regeerakkoorden en de molens van de modellenmakers verder vermalen tot één pot nat.”
Maurits is beslist geen literator, dat mag spreken. Maar als we even afzien van de esthetiek, en de zin op z’n boodschap benaderen, dan moeten we constateren dat er iets eigenaardigs staat. Dat de modellen van de modellenmakers zijn uitgerust met molens - ach, we zullen het Maurits vergeven. We hadden al gezegd dat hij geen verstand van de modellen en hun werking heeft, en om daar maar steeds op terug te komen, dat wordt vervelend. Waar het om gaat dat is dat het maalproces van molens een droog proces is. Het is stampen en vergruzelen en vermorzelen, er komt geen vocht aan te pas. Hoe kan zo’n proces nou resulteren in een pot nat? ’t Lijkt ons godsonmogelijk.
Even eerder had Maurits de modellenmakers verweten dat ze “zelf niet meer in de gaten lijken te hebben dat een model nooit iets anders oplevert dan wat je er in stopt”. Volgens mij is dat een onterecht verwijt; zo dom zijn die modellenmakers nou ook weer niet. ’t Ware beter als Maurits zijn eigen redenering eens onder de loep van dezelfde aantijging zou leggen. Dan zou hij misschien hebben kunnen bevroeden of zelfs onderkennen dat een droog maalproces zonder toevoeging van vocht nooit iets nats kan opleveren.

Dadelijk maar het gesprek van de gezellige avond in gaan?
Ik kan het ook anders doen. Ik kan mijn denkbeelden betreffende de rol van CPB ook eerst vastleggen in een soort essay, net zoals Onderdijk dat heeft gedaan m.b.v. een column. Maar ik kan ze ook ontvouwen in bijvoorbeeld een kort verhaal. Er zijn legio benaderingen en invalshoeken.
Kort verhaal?
OK, kort verhaal!

Ik heb vandaag stennis gemaakt op het stembureau. Nou stennis? Het was niet mijn bedoeling om stennis te maken; het liep er mijns ondanks op uit.
Wat is er gebeurd?
Luister!
Het was vandaag 22 november 2006, de dag van de verkiezingen. Ik begeef mij met een stemkaart naar het nabijgelegen bejaarden- of verzorgingstehuis, dat voor de gelegenheid is omgetoverd in stemlokaal. Mijn stemkaart overhandig ik aan een dame die in het dagelijkse leven werkzaam is bij de burgelijke stand van de gemeente. Ze leest mijn naam voor, een collega zoekt in een lijst en beaamt mijn aanwezigheid op die lijst. Daarna word ik - geloof ik - doorgestreept. Vervolgens doorgestuurd naar een meisje dat op de hoek zit van een scherm. Achter dat scherm bevindt zich de stemmachine. Ze zegt iets instruerends, iets wat ik niet heb weten te onthouden. Ik kijk op het scherm van de computer (een ander scherm natuurlijk dan het scherm dat mij afschermt van de officials en het andere stemvolk), en zoek naar de partij van mijn keuze.
Onvindbaar.
Dat meld ik bij het meisje om de hoek.
Ze raakt in ongerede, ze heeft dat nog niet eerder meegemaakt.
Terug naar de balie waar de kiezers worden ingechecked. Zij van de gemeente kan ook niet uit de voeten met mijn opmerking dat de partij van mijn keuze niet op het computerscherm is te vinden. Het moet er op staan bezweert ze, dat kan niet anders.
“Nergens is het CPB te vinden”, hou ik vol.
“Het CPB?’
Ze wil de kandidatenlijst erbij pakken, het biljet dat we allemaal thuis hebben gekregen. Maar zo’n biljet is niet voorhanden, ook niet bij collega’s. Tja!
“Haal de baas er maar bij”, zeg ik.
Ze belt, en er komt iemand opdraven. Ik mag meekomen naar een klein kantoortje, waar wel zo’n onvindbare kandidatenlijst op het bureautje ligt. We nemen plaats; ik zit tegenover een man met een fomfaaien sikje, vlezige lippen rondom een halfopenstaande mond, een bril met zo’n touwtje en klerkse ellebogen. Hij kijkt een beetje oenig.
“Vertel het nog eens”, vraagt hij, “wat is het probleem?”
“Ik heb lang nagedacht over de partij van mijn keuze. Alle programma’s heb ik gelezen, alle TV-programma’s die zich bezighielden met de verkiezingen heb ik bekeken, en uiteindelijk wist ik ‘t. Het moest onomwonden het CPB zijn; ik wil mijn stem kwijt aan het CPB.”
“Het CPB?”, vraagt de klerk, die zijn mond, waarschijnlijk zijns ondanks, iets verder laat openvallen, “het CPB? Is dat iets communistisch?”
“Waarom zou die “C”, want daar doelt u waarschijnlijk op, moeten verwijzen naar het communisme? Voor hetzelfde geld zou het iets christelijks kunnen zijn. Toch?”
“Mmm, waar staat die “C” dan wel voor? Wacht, wacht, geef maar in één keer de hele afkorting prijs, dan hebben we uw partij gehad.”
“Die “C” staat voor “Centraal”, en de gehele afkorting heet “Centraal Plan Bureau”. Had en hebt u nog nooit van het Centraal Plan Bureau gehoord?”
De klerk wordt enigszins zenuwachtig, draait een aantal extra fomfaaien in z’n sik en laat de bril van z’n neus vallen. Dankzij het touwtje blijft de bril ter hoogte van de plomp geknoopte knoop van zijn kleurvloekende stropdas hangen. Het suède van zijn ellebogen slipt over het formica bureautje.
“Er staat me iets bij, ja. Maar daar kun je toch niet op stemmen?”
“Waarom niet?”
“Waarom niet? Waarom niet? Omdat die partij niet voorkomt op de lijst die hier naast mij ligt. Die partij staat er niet op, en die partij heeft ook geen kandidaten. Dus ...”
“Maar alle andere andere partijen, die wel op uw lijst staan, stemmen op het CPB. Waarom mag ik, als kiezer, dan niet op het CPB stemmen? Nou?”
De klerk gooit wat extra oenen in zijn kijkers, gunt de mond meer openhanging en vergeet z’n bril op te zetten.
“Omdat die partij niet bestaat! Dat zeg ik net.”
“Ik vind dat kiezersbedrog; het is gedwongen winkelnering. Als ik mijn huis wil verkopen - ik noem maar een dwarsstraat - en ik vind spontaan op onderlingse wijze een koper, dan mag ik toch met die man of die vrouw of dat echtpaar - met of zonder kinderen - tot zaken komen? Dan komt er toch geen makelaar of een legioen aan makelaars aan mijn huisdeur kloppen om mij te vertellen dat ik het via hun had moeten doen? Ik weet: het is rotvolk, rotvolk met nieuw en analfabetisch geld, maar ... Maar, ze kunnen mij niet verbieden om mijn huis onderhands te verkopen, en dat weten ze.
En nu weer terug uit de dwarstraat naar de hoofdstraat van de politiek en de daarmee samenhangende verkiezingen. Waarom mag ik als kiezer niet rechtstreeks op het CPB stemmen? Waarom moet dat via de politieke partijen? Dezelfde politieke partijen, die om strijd met de slogan aan de haal gaan dat de burger niet betutteld mag worden? Schijnheilig is het, ronduit schijnheilig. Bovendien moeten die partijen coalities vormen en dus compromissen sluiten. Dat gaat tijdens een langdurige formatie met een over-en-weer-handje-klap van geven & nemen, en eventueel struikelende breekpunten. Zo noem ik dat in mijn woorden. Het CPB doet dat niet. De modellen van het CPB optimaliseren. Ze kiezen voor het optimum”. En dat optimum wordt alreeds in een paar seconden gebrouwen.”
Meneer De Klerk laat, voorzover dat nog mogelijk is, z’n mond wijder openvallen en wrijft z’n wrattige neus.
“Tja ...”
“Tja? Tja?? Daar heb ik niets aan, daar koop ik niets voor. Ik wil af van die politieke partijen, die intermediairs. Ze strooien ons, burgers of kiezers, zand in de ogen met hun kutprogramma’s. En heus, daarin verschilt links niet van rechts, daarin verschilt conservatief niet van progressief, daarin verschilt gelovig niet van seculier. Heus, daarin pissen ze allemaal in dezelfde pot. De pot van hun zogenaamde bestaansrecht. En dat bestaansrecht hebben ze allang niet meer. Er wordt toch zo ontzettend gezworen bij marktwerking? Zelfs de socialistische partijen nemen die goeroe-goeroe-wijsheden van de marktwerkers klakkeloos over. Nou, als die marktwerking dan toch als markt dient te werken dan moeten de politieke partijen beseffen dat ze als partijen zijn uitgewerkt bij de kiezersmarkt, en dat ze zichzelf moeten opheffen. Godverdomme!”
“Niet vloeken, meneer, niet vloeken. In het stembureau mag niet gevloekt worden, dat zijn de regels. Bovendien is het mij volstrekt onbekend dat politieke partijen, waarop u en ik kunnen stemmen, zelf ook stemmen. Dat wist ik niet. Ik ben redelijk bekend met het politieke reilen en zeilen in dit land. Dat weet men, en daarom ben ik ook hoofd van dit stembureau. Maar dat partijen zelf ook stemrecht hebben ...? Nee, mij onbekend.”
Zo ging het nog een tijdje door. Ik maakte me kwaad, kwader, kwaadst. Met als gevolg dat Meneer de Klerk iets aan oenigheid wist in te boeten. Wat me nog kwaaier maakte. Toen ben ik opgestaan, heb een hand gegeven, ben via de balie en het schermmeisje naar de computer gelopen en heb m’n stem gegeven aan Rudy Kousbroek.

Ook nog een essay?
OK, een essay.

Het politieke stelsel is een aanbiedersmarkt, met marktpartijen.
In de economie wordt verkondigd dat als markten de producten van producenten niet meer hoeven, dat het dan beter is voor die producenten om over te stappen op andere producten, of om zichzelf maar op te heffen. Producten die hun functionaliteit hebben zien overtreffen door betere producten, of producten die een functionaliteit behartigen die overbodig is geworden ... ja, die producten onthoeven een behoefte. Als er CAD-CAM bestaat hebben tekentafels geen nut meer. Als kernreactors oerveilig energie kunnen produceren en hun afval kunnen verschonen dan mogen de windmolens, alsmede hun producenten, wegvliegen. Wie zou er nog telegraafpalen willen plaatsen - beter: wie zou zich nog willen aanbieden als plaatser van telegraafpalen? Wie zou zich nog MORSE willen aanleren - beter: wie zou zich in advertenties nog willen aanbieden met een MORSE-cursus? En vanaf het moment dat er verkeerslichten bestaan heeft het ook geen zin meer om de gebarentaal van de verkeersagent over te leveren.
QWERTY bestond om het tik-verkeer tussen de letterstengels te optimaliseren. Intussen zitten die letters niet meer vast aan stengels, maar aan toetsen die geen verkeersregels nodig hebben. Waarom dan niet QWERTY vervangen door ABCDEF? Waarom niet gewoonweg in lijn lopen met het alfabet? Omdat het vaak niet meevalt om de gewenning af te wennen. A cultural lag - zoals de antropologen dat noemen. Legacy - zoals de ICT dat noemt. Een atavisme - zoals de biologen dat noemen. De onnut ijlt na in inertiële gewoonten, rituelen, folklore, onderwijs, cursussen, canonisatie ewdmz. Misschien vaart een groot deel van de bevolking stilzwijgend op het adagium dat we “de traditie in ere moeten houden”. Maar toch, maar toch, het zal een keer gebeuren dat we er van afkomen. Als ’t niet geleidelijk wil, dan maar met de rollende koppen van revolutie en Guillotine.

Zo ook de politieke partijen. We zullen het zo wel zien.

O, zeker, ze verweren zich, ze verzetten zich. Push-market van de bestaande orde? Zoiets. Zienderogen blind voor de nieuwe ontwikkelingen houden ze zich stevig, bijna bokkig vast aan de heiligheid van het eigen goed.
RSV?
Fokker?
Goed, ala, schepen en vliegtuigen, ze zullen tot in een bepaalde lengte van dagen bestaansrecht hebben, à la. Ze zijn, zoals de tekentafels, nog niet logisch en op korte termijn weg te strepen. Maar ja, elders worden die vliegtuigen en schepen effectiever en efficiënter - of efficiënter en effectiever; weet ik veel - geproduceerd.
Zo heb je de “The Rise and the Fall of the Nations” en zo ook de fase die professor Lievegoed weet aan te staarten bij de consolidatie, te weten de teloorgang. Maar voordat de val en de teloorgang toeslaan weet de consolidatie vaak nog heel erg lang de executie uit te stellen (mortuarium, sterfhuisconstructie of dodencel?). De ondernemingen hebben zich geharnast in procedures, in gewoonten, in rituelen, in traditie, in “zo hoort het”, eventueel in ingesleten karakter. Je streept ze niet zo eenvoudig weg, ook niet na gebleken onnut. De inertie, weet u. Procedures nestelen zich in instituties, of - nog erger - in systemen, of - nog veel erger - in geautomatiseerde systemen, die, zo zegt de volksmond, een “eigen leven gaan leiden”. Ze zijn getransformeerd in realiteiten, die verondersteld worden recht van bestaan te hebben. Zie er maar eens van dat pek of die stroop af te komen.

Ons politieke stelsel is ook zo’n onderneming. We zullen het straks aantonen.

O, en de nieuwigheden? Die worden tegengewerkt. Dat hoeft niet altijd te geschieden door middel van een behoudende mentaliteit. Het kan, maar het hoeft niet, het hoeft steeds minder. De nieuwigheden worden, als was het natuurlijk, geijkt aan criteria, aan termen die nou juist met de indiensttreding van de nieuwigheden overboord konden. Waarom zouden uitvindingen door instanties gekeurd en gecontroleerd, aan voorschriften getoetst moeten worden, als die uitvindingen die toets en die keur en die controle en dat voorschrift reeds teboven zijn gekomen? CAD-CAM toetsen aan de ergonomische regels die voor de tekentafels opgingen?
Maar het zijn niet meer de kortzichtige ambtenaren die zoiets zouden kunnen gebieden. Was het maar zo. Zo’n ambtenaar kun je nog een verfrissende oplawaaier verkopen. Nee, het zijn de in “systeem” ingebakken procedures (AO, logistiek, workflow, time-management, en wat dies meer zij (in het verdere vervolg: ewdmz; maar dat was al eerder gezegd) die je langs nutteloze omwegen loodsen. Voor ambtenaren rest enkel de verzuchting van: “Tja, het werkt nu eenmaal zo, de computer, weet u. Wij kunnen er ook niets aan doen”. Zo’n ambtenaar heeft een alibi, een excuus, en blijft van een oplawaaier verschoond.

O, en het onderwijs. Wat daar niet allemaal gebeurt en gebeurd is. Dat onderwijs haalt zichzelf in, zonder dat de educatie het weet te beseffen. Die meten de stand af in termen, die met de nieuwe middelen allang niet meer van toepassing zijn. Het “nieuwe leren”, het “studiehuis”, het “spelenderwijs”, het “troelala, hopsasa Internet”, die ijken zichzelf wel. Dat hoeft niet meer in termen van atavistische, anachronistische en geërfde termen te worden beoordeeld. Dat oordeel zijn ze reeds “voorbij”. “Achteraf” heeft dus geen zin. In de verste verte van een nostalgisch verleden niet.
“Vergroeid met de computer wordt er weinig geleerd.”
Leren? Leren?
Wat nou “leren”!
Dat “leren” kan toch overboord? Evenals de “geleerden”. Want dat “leren” is alreeds in een WWW.ewdmz overgeplant. Lering hoeft niet meer getrokken te worden, da’s nergens meer voor nodig.
Het Centrum Brein en Leren heeft via een promovenda geconcludeerd dat er een positieve relatie bestaat tussen het spelen van bepaalde computerspellen en verbaal leren

Iets be- of veroordelen in termen van termen die hebben afgedaan, zou iets dergelijks ook niet kunnen gelden voor Godsbewijzen, die in de Middeleeuwen nog wel ’s oprispten? Dan zou ’t dus niet

Breng deze wijsheden van toepassing op ons electorale stelsel, en er zal blijken dat de vernieuwing de bijvoeging ”electoraal” overbodig maakt. Het zal hieronder worden aangetoond.

We hebben, zo bleek bij nalezing, twee keer gerept van gewoonte en traditie. Daar moeten we eigenlijk wat langer bij stilstaan. Wat pakken we als eerste?
Laten we gewoontegetrouw maar simpel & eenvoudig beginnen, dus met de gewoonte. Nee wacht, we stellen het uit, we stellen het uit. Bij een eerste of tweede nalezing, toen we al iets verder in het essay zaten, bleek dat dit onderwerp veel beter tot zijn recht kwam (en intussen is gekomen) onder een andere noemer. U zult dus nog even moeten wachten.

Eerst maar eens kijken hoe het politieke bedrijf op dit moment functioneert. We grijpen aan bij het fenomeen van de landelijke verkiezingen. In ons land doet een bonte keur aan partijen daaraan mee. Al die partijen hebben programma’s. Die worden via TV en vanaf zeepkisten gecommuniceerd. Maar ook op schrift, door de brievenbus. We kunnen als electoraat dus nalezen wat de partijen voor ogen staat, en we kunnen vergelijkingen maken tussen de diverse programma’s.
Op dat laatste wou ik wat dieper ingaan.
Het blijkt namelijk nogal lastig om zo’n vergelijking goed uit te voeren. De partijen presenteren hun programma’s op een onderling onvergelijkbare manier. De rubriceringen van de punten, de subpunten en de subsubpunten stroken nauwelijks met elkaar. Je moet van hot naar her, van kris naar kras en van hak naar tak lopen. Als het om twintig verschillende aanbieders gaat - geen uitzondering in de polder - dan bent u daar wel even mee zoet. De kans is groot dat u de weg kwijt raakt.
Het beste procedé om niet verdwalen, loopt als volgt.
Construeer, als koepel boven de twintig aanbieders, een moedervel. Dat is een blad dat alle rubrieken van die aanbieders dekt. Als een soort kleinste gemene veelvoud. Soms is het nodig om van naamgeving te veranderen; de hoofdjes, de subhoofdjes en de subsubhoofdjes. Mocht dat lukken dan kan vervolgens de inhoud - want daar gaat het uiteindelijk om, hoor je bijna alle voormannen keer op keer op keer zeggen - uitgevent worden over de superrubrieken van het moedervel. De inhoud van de aparte partijprogramma’s wordt herverkaveld naar de koepel; om vergelijkingen mogelijk te maken. Aangeraden wordt om de inhoudelijkheid in een matrix te zetten, een matrix met twintig kolommen. Daarna kan het echte vergelijken beginnen.
Zei ik net “construeer, als ...”?
Dat zei ik.
Waarom stel ik die vraag?
Ik stel die vraag omdat ik in eerste instantie had ingetikt: “reconstrueer, als ...”. Dat heb ik veranderd.
Waarom?
Omdat ik het te complotterig vond klinken. Tuurlijk, complottheorieën zijn erg in, zo in dat ik er maar liever niet in mee loop. Maar, omdat ik heb gemeend toch even op mijn eerste ingeving terug te moeten komen, verplicht het mij om uit te leggen wat ik met dat eventuele complot bedoeld kan hebben.
Daar bedoel ik mee dat het geheel aan politieke partijen, de aanbiedersmarkt, dat moedervel al lang en breed in kaart had gebracht. In een achterkamertje of in een torentje hebben de partijen - van links tot rechts, van progressief tot conservatief, van gelovig tot ongelovig - erover vergaderd en zijn toen tot de conclusie gekomen dat dat moedervel de verschillen tussen de verschillende partijen niet goed uit de verf liet komen. Geen smoel, geen profiel, geen contrasten; er gaapten geen kloven, er waren geen onoverkomelijkheden. Zo’n presentatie zou de eloctorale markt wel eens aan het twijfelen kunnen brengen over het nut van politieke partijen. En dat moest toch voorkomen worden, vonden alle politieke partijen. Want hun bestaansrecht - het primaat van de politiek? - stond voorop. Ja, en toen hebben ze besloten om het moedervel te verkwanselen naar individuele programma’s. Ze hebben, als poltiek kartel, de electorale markt (de afnemers, dus) verdeeld. Geheime afspraken, als het ware. Fraude?
En kijk dan eens hoe de marktwerking werkt. Als spin-off, zeg maar. Er is een gat, een gat in de kiezersmarkt. De meeste kiezers weten niet meer hoe ze moeten vergelijken, de meeste kiezers zien door de bomen het bos niet meer, de meeste kiezers kunnen niet op eigen houtje tot het moedervel geraken. Dus:

Stem wijzer
met de stemwijzer
of
koers waterpas
op het kieskompas

Maar, zoals gezegd, dat is te complotterig. ’t Is leuk om met zo’n gedachte te stoeien, ’t is leuk om op een wetenschappelijke manier te kunnen laten zien dat het macro (anoniem; als onzichtbare hand) wellicht zo werkt. Maar dat de individuele politici een dergelijke gehaaidheid aan de dag leggen om het stemvolk zand in de ogen te strooien? Nee, dat gaat te ver. Beschouw dat complotidee als een intermezzo.

Het laat trouwens onverlet mijn idee om het landbestuur in handen te leggen van het CPB. Het lijkt een waanzinnig idee, dat weet ik. Maar waarom zou je niet eens proberen het uit te werken? Hierboven zei ik dat nieuwigheden vaak worden geconfronteerd met beoordelingstermen, waarin ze niet be- of veroordeeld mogen worden. Omdat diezelfde termen met de revolutie totaal niet meer van toepassing zijn. Als je het zo ziet, dan is elk verweer, elk bezwaar tegen een CPB-regering om te buigen in een pro voor diezelfde regering. Alle zogenaamde nadelen blijken op de keper beschouwd stuk voor stuk voordelen.
In de eerste plaats, en dus vooropgesteld: de facto regeert het CPB al. Alle partijen laten hun programma’s doorrekenen door het CPB. Als de resultaten niet conform de beloftes zijn dan passen de partijen hun programma’s aan. Nederland, kennisland, loopt hiermee voorop in de wereld; geen enkel ander land kent zo’n werkwijze. Wat dat betreft kan de wereld nog iets van ons leren. Nederland, gidsland.
Vandaar dus mijn idee om die CPB-invloed op het bestuur te vervolmaken.
Dat was één.
Twee!
Ja, maar, het CPB heeft geen gezicht!
Zo zal het eerste bezwaar luiden.
En zoals gezegd, en zoals beloofd: dat is geen nadeel, maar juist een voordeel.
Het kan en het mag niet zo zijn, dat het iemand nog niet (of: nog niemand) is opgevallen dat er veel, en veel te veel gezicht in het politieke bedrijf rondwaart. De rek is er uit; dat zou iedereen moeten zien. Mocht het geen gezicht heten, dan wordt het wel imago, uitstraling of charisma of X-factor genoemd. Maar het komt allemaal op hetzelfde neer. O, en wat hangt er allemaal rond, rondom dat gezicht en dat imago en die uitstraling en dat charisma? Journalisten, opiniemakers, spindoctors, mediatrainers, juryleden van flutprogramma’s, een horde focus-groepers, cohorten adviseurs onder diverse noemers. Het zijn doorgaans lieden met gezichten, waarvan het imago nauwelijks charisme weet uit te stralen - maar dit terzijde. Elke wenbrauwfrons, elke oogopslag, elk handgebaartje, elk kuchje, elk trekkebekje wordt met het oog op de politieke debatten ingestudeerd met behulp van sparringpartners, meedenkers en focusgroepen, en later door een panel van journalisten, opiniemakers, spindoctors, mediatrainers, juryleden van flutprogramma’s, adviseurs onder eigenaardige titels geëvalueerd. Zum kotzen! Bah!
Een jurylid uit de kaste der BN-ers die door een plastisch chururg is opgezadeld met een zogenoemde facelift moet trouwens tijdens de evaluatie zelf ook oppassen. Zijn of haar trekkebekjes kunnen het gezicht omtoveren in een infernaal huiveringwekkende en angstaanjagende tronie. Bah! Jakkes!
O, en als tot een fractie een flink aantal verse leden mocht toetreden? Ja, dan moeten de nieuwelingen naar cursus. En wat is dat voor een cursus? Leren ze daar hoe de overheidsfinanciën in elkaar steken? Zodat ze bijvoorbeeld weten wat het verschil is tussen begrotingstekort, financieringstekort en staatsschuld?
Welnee!
Ze gaan allemaal naar een mediatraining. Zodat ze zich in de toekomst weten te verstaan met de journalisten en hun trucs. Die journalisten zelf zien daar overduidelijk brood in, dat kun je wel aan ze merken. Zelfs journalisten waarvan je ooit gedacht had dat ze van onverdachte huize waren. Dat is ook allemaal wel te begrijpen, want hun programma’s en hun interviews winnen aan attentiewaarde en dus aan kijkcijfers als de politieke sparringpartner gebekt is en van wanten weet.
Als het CPB regeert, dan zijn we van dat deerniswekkende, mensonterende gedoe af. De spin-off van de marktwerkende “oude” politiek zijn we dan ook kwijt. Dat is natuurlijk jammer voor de werkgelegenheid. De spindoctors en aanverwanten zullen zich moeten laten omscholen tot ... ja tot wat? Hoe dan ook, het CPB weet het mechanisme of de wet van Parkinson te doorbreken. Dat zogenaamde druk.druk.druk schept - volgens Parkinson - een horde voetvolk, om maar niet te spreken van hielenlikkers. Weg ermee, zo preekt het CPB.
Dat was twee.
Drie!
Ja, maar, het CPB heeft geen programma!
Zo zal het tweede bezwaar luiden.
Nee, niet zulke programma’s zoals de politieke partijen die opvoeren. Die dwars door elkaar heenlopen. Die, als ze apart door het CPB op consistentie moeten worden getoetst, nog wel eens blijken te rammelen. En die, als ze in constellatie moeten worden getoetst - wat in Nederland, coalitieland, altijd aan de orde is - helemaal zullen rammelen.
Maar het CPB heeft weldegelijk programma’s. Dat zijn computerprogramma’s. En die programma’s luisteren naar elkaar, ze vormen met andere woorden een consistent geheel. Ze hebben, in tegenstelling tot de politieke programma’s, een moederschema. Goed, toegegeven, een leek zal die programma’s niet kunnen lezen. Maar de programma’s van de partijen zijn, vooral als er vergelijkingen moeten worden gemaakt, net zo goed onleesbaar. Waarom zou het überhaupt trouwens nodig moeten zijn dat mensen - vooral de huidige mensen in het huidige tijdsgewricht - iets kunnnen lezen?
‘k Zal zelf het antwoord geven.
’t Is niet nodig.
Volledig overbodig.
De ontlezing houdt men niet tegen. De geschiedenis heeft het bewezen; restauratie werkt contraproductief. Al die pogingen om via canon en dergelijke het lezen, of - ruimer - de taal in ere te herstellen, laten slechts de stuiptrekkingen zien van een onomkeerbaar proces. Von Metternich exit. De mensen die op de bres staan voor “taal” praten voor eigen parochie. Ze doceren Nederlands of ze schrijven als Schrijver, en ... ze zien hun markt verloren gaan, en daarmee hun eigen bestaansrecht. Vind je het gek dat ze in de pen klimmen?
Maar goed, dit is een terzijde, die als een oprispende terloopsheid mag worden aangemerkt. Op de kwestie van de ontlezing en de taal komen we, wanneer de gelegenheid zich voordoet, nog wel ‘s terug.
Waar waren we?
Bij drie.
We moeten dus zeggen: dit was drie. Vier! Dan zijn we toe aan het derde vermeende bezwaar, want de telling van de bezwaren loopt eentje achter bij die van de punten. Dat komt omdat het eerste punt een vooropstelling was.
Dus: vier!
Ja, maar, met een CPB aan de macht kunnen we niet kiezen. Waar moeten we dan met onze stemmen naar toe?
Ook dit derde bezwaar is met gemak ten goede te keren. Met groot gemak, maar liefst. We kunnen “nergens” meer met onze stemmen naar toe. Papieren stemformulieren en electronische drukknoppen zijn verdwenen. En dat is een opluchting, dat zou een opluchting moeten zijn.
Let wel, hier wordt niet bedoeld dat mensen of burgers geen stem meer zouden mogen hebben. Natuurlijk, zeker, burgers en mensen mogen hun stem verheffen - dat wordt ze onder het CPB niet verboden, beslist niet. Maar die verheffing geschiedt niet meer in stemlokalen. Dat kan ook niet, want die lokalen zijn opgeheven.
En laten we nou wel wezen, het zat er toch aan te komen? Aan het stemgedrag viel en valt geen touw meer vast te knopen. Zelfs de meest professionele duiders laten het afweten. Hun duidingen lopen niet in lijn en zijn bovendien onnavolgbaar. We hebben een aselecte steekproef kiezers benaderd met de vraag of ze de duidingen van die zogenaamde professionals konden navertellen. Velen lieten het afweten. Degenen die het niet lieten afweten zijn onder te brengen bij twee categorieën:
1. de getrouwen; zij wisten vrij zuiver na te vertellen hoe en wat de duider(s) zoal geduid hadden.
2. de zwamneuzen; zij sloegen er een slag naar en vervingen de duidingen van de professionals door hun eigen duidingen, die nog minder kant noch wal raakten.
Categorie 2 was verreweg de grootste.
Ja, en dan te bedenken dat die kiezers het gewoonweg over zichzelf hadden. Ze schijnen zichzelf niet meer te kennen.
Goed, soit, politici zijn niet te vertrouwen. Ze beloven dit-en-dat, en als ze eenmaal op het pluche zitten (zo heet dat toch?) dan doen ze zus-en-zo, waarbij moet worden aangetekend dat dit-en-dat niet mag rijmen met zus-en-zo. Verder vindt het stemvee ook nog eens dat politici zakkenvullers ewdmz zijn.
Intussen hebben we dit al zo ontzettend, zo ontzettend vaak gehoord, dat we het niet meer geloven, niet meer kunnen geloven. Van de weeromstuit draaien we de zaak dus maar eens om, en maken van de politici die al die vuile stormen hebben weten te trotseren de heilige helden. Hoe dan die burgers en kiezers te kenschetsen? Vulnis, rasplebejers, uitschot, ewdmz?
Ach, dat gaat ook weer te ver. Dat heb je vaak met weeromstuiten; zwart wordt wit, en wit wordt zwart, grijze nuanceringen en tinten krijgen geen kans. Maar laten we, terwille van de duidelijkheid, toch maar eens aangrijpen bij het chargeren. Dat wil zeggen: we wijzen met het kwade vingertje gewoonweg naar die burger en vragen: “burger, wat wil je nou eigenlijk?”, “weet je eigenlijk wel wat je wilt, burger?”.
De vraag stellen is haar beantwoorden en daarmee gelijktijdig retorisch, en dat wil zeggen dat het antwoord klip en klaar is. Het antwoord luidt dus overduidelijk: NEE! De doorgaanse burger of kiezer weet van voren niet meer wat hij van achteren zegt, hij of zij kletst maar wat. Hoe dat komt? Tja, dan moeten we weer een duider aan het woord laten, en aan duiders hebben we - dat mag klaar zijn - een broertje dood. Maar in dit geval ben ikzelf de duider, en voor mezelf maak ik graag een uitzondering. Vandaar dat ik hier durf te beweren dat die kletspraterij is te wijten aan de toenemende individualisering. Wacht, eehh ... wacht even, dat zeg ik verkeerd. Ik bezondig me aan een zogenaamde pseudoverklaring. Individualisering kan nooit een oorzaak zijn, individualisering is een beschrijving. Een beschrijving met de pretentie een diversiteit aan verschijnselen te kunnen dekken of overkoepelen; hetgeen min of meer gelukkig kan uitvallen. Is “individualisering” een gelukkig gekozen begrip? Mmmwwwaaahhh, kweenie. Maar iets beters kan ik zo gauw niet verzinnen, dus we houden het op individualisering, met de belofte dat we en ik, als er zich een gelegenheid voordoet, er op terug zullen komen. Op dat laatste er, bedoelen we (en ik).
Hoe dan ook, hoe dan ook, de kletspraterij beschouwen we toch wel als één van de meest in het oog springende manifestaties van de individualisering. Waarbij ik, bij nader inzien (bni), wil opmerken dat “kletspraterij” - mocht het een begrip zijn - niet erg gelukkig is gekozen. ‘t Is niet neutraal, ’t geeft veel te duidelijk een waardeoordeel. Dat is niet des CPB’s, het CPB zweert namelijk bij neutraliteit, objectiviteit, waardevrijheid ewdmz. Daarom stappen we over van klets- of zwetserij naar mondigheid. Het begrip mondigheid voldoet aan de eisen, de criteria en de waarden&normen van het CPB.
Als we de mondigheid op de keper beschouwen, wat zien we dan? We zien dat het in de afgelopen decennia in volume is toegenomen. Met heel veel mondigheid is de mondigheid gepredikt. De preken zijn aangekomen. Neem alleen maar de assertiviteitscursussen, daar is bijzonder veel energie in gestoken. Iedereen mag z’n zegje hebben, ‘t is niet alleen weggelegd voor een selecte groep lieden, zoals bijvoorbeeld politici en bestuurders. Nee, iedere burger mag aan de mondigheid meedoen, moet aan de mondigheid meedoen. Iedere burger mag en moet een mening hebben, en mag en moet zo’n mening ook uit kunnen dragen. “Je moet (kunnen) zeggen wat je denkt.” En zie, het gebeurt ook.
Maar als iedereen de mondigheid ter harte neemt, wie moet er dan nog luisteren? Het luisterrijk moet met de toename van de mondigheid toch ontvolkt raken? Bovendien, wat valt er te luisteren? Als de uitlatingen, de beweringen, de uitspraken in hun overvloed bijkans smoren zal er inflatie optreden in attentiewaarde. Dat is een keiharde economische wet. Uitspraken, uitlatingen en beweringen kunnen alleen maar interessant zijn bij de gratie van schaarste. Bij een teveel aan mondigheid wordt het allemaal verdomd oninteressant. En zie, dat is wat er gebeurt. De mondigheid hoeft zich bij het bezigen van beweringen, uitspraken en uitlatingen ook nauwelijks meer te legitimeren. Uitspraken ewdmz hoeven niet meer onderbouwd te worden. “Je moet zeggen wat je denkt” is gedevalueerd tot blinde associatie. Bovendien zijn de meeste mensen, omdat ze zo druk in de weer zijn met de mondigheid, niet meer in staat om te denken; laat staan om een onderbouwing te leveren van hun beweringen ewdmz. Een duidelijk symptoom van deze ziekte - laat ik het maar eventjes een ziekte noemen; hoewel het niet des CPB’s is - is te vinden in de opmaat die aan de in de uitlatingen, beweringen en uitspraken vervatte meningen voorafgaat. Die opmaat klinkt “en dan heb ik zoiets van ...” (op puntje.puntje.puntje wordt gespecificeerd waarvan zoiets “zoiets” gehad zou moeten hebben). Ach, als je zoiets hoort, dan kun je het laten; je kunt er je schouders a.h.w. over ophalen; je kunt b.v. zeggen dat, wanneer je “en dan heb ik zoiets van ...” hoort, dat je dan iets hebt van zoiets van: wat nu gaat komen, daar is niet over nagedacht.

Reken even mee.
1. de wereld raakt exponentieel overbevolkt; er komen m.a.w. steeds meer mensen bij - de groei groeit.
2. de wereld moet, om wat voor redenen dan ook, steeds democratischer worden; d.w.z. o.a.: mondiger.
Hoewel het met het rekenen tegenwoordig slecht gesteld is, moet een kind toch op zijn vingers kunnen natellen, dat het een keer uit z’n voegen zal barsten. De wereld kan het niet meer houden, al die mondigheid.
Ja, en dan komt er de roep om een sterke man - zo leert de geschiedenis. En aan die roep zal op een zeker moment gehoor worden gegeven - zo leert de geschiedenis. We weten van diezelfde geschiedenis tevens hoe die sterke mannen te werk zijn gegaan; beslist niet kinderachtig. Als we dus iets van de geschiedenis willen opsteken dan moeten we dit soort verschijnselen - waar de geschiedenis bol van staat - zien te overkomen, zien te boven te komen, zien te transcenderen en wdmz. Derhalve:

denk vooruitstrevend met ons mee
en stem dus op het CPB

Onze “sterke man” is m.a.w. het CPB.
De democratie gaat ten onder aan een teveel aan democratie. Plato, geloof ik. Zouden we heden ten dage in zo’n fase verkeren? Het kan niet anders of het moet bijna wel zo zijn. Hoogste tijd voor een machtsovername door het CPB.
Dit was vier.
Vijf!
Ja, maar onder het CPB weten we niet meer wat links en rechts is.
Zo zal het vierde bezwaar luiden.
Dit is wederom geen nadeel, maar een voordeel.
Trouwens, links en rechts hebben meer met elkaar te maken dan men zo op het eerste gezicht zou vermoeden. Doorgaans hoort links tegenover rechts te staan, of - wat ook kan - rechts tegenover links. Maar laten we niet vergeten dat ze beide dezelfde dimensie hanteren, de zogenaamde links-rechts-dimensie. Links en Rechts wonen dus in dezelfde straat. Goed, toegegeven, Links huist op nummer 13 en Rechts op nummer 69. Maar wat betreft die straat zijn ze elkaars gelijken. In diezelfde straat kunnen ze elkaar ook wel eens tegenkomen, laten we zeggen ter hoogte van nummer 41, waar toevallig de man of de vrouw van het Midden woonachtig is.
Het revolutionaire van (de partij van) het CPB is dat die gehele dimensie wordt weggegooid. De straat wordt gesloopt, met de grond gelijk gemaakt en vervangen door een allee die er loodrecht op staat. Een allee, ja! Om aan te geven dat het om een koninklijke weg gaat.
Nietzsche hanteerde in dit verband (in dit verband? Afijn, het wordt straks wel duidelijk. Geduld!) het begrip “Jenseits von ...”. Je kunt het ook in het Nederlands vertalen en dan staat er: “aan gene zijde van ...”. Maar het Duitse Jenseits treft de toon iets beter, vinden wij en ik.
Ach, je kunt het op zovele kwesties van toepassing laten zijn. Ik heb een goede vriend, die aan schilderkunst doet en bovendien rasatheïst is. Hij dweept met zijn atheïsme op een irritant ronkerige manier. Hij preekt a.h.w. het Ware Atheïsme, en staat niet toe dat anderen een ander soort atheïsme aanhangen dan hij.
Laat ik proberen aansluiting te zoeken bij de kwestie waar het om ging, te weten links-rechts. En laat ik tevens proberen een verband te leggen, om uw geduld niet langer op de proef te stellen.
De kunstschilder zet zich af tegen de gelovigen, die het Leven zien als nuttig, zinvol en uitgerust met een doel. Hij stelt daar, vanuit atheïstische overwegingen, lijnrecht tegenover: nutteloos, zinloos en doelloos. Je krijgt wel eens de indruk: uit pure recalcitrantie. Maar - “lijnrecht” verraadt het al een beetje - nuttig en nutteloos wonen in dezelfde straat, net als zinvol en zinloos, en net als doelvol en doelloos. Jenseits verplicht ons om die straat met de sloophamer te slechten, en er een nieuwe straat - sorry: allee - loodrecht op te ontwerpen. En die allee beweert domweg dat zowel nuttig als nutteloos, zowel zinvol als zinloos, zowel doelvol als doelloos niet van toepassing zijn op het Leven. Doel, nut en zin doemen op binnen het Leven. Het drietal begrippenparen is niet houtsnijdend, niet steekhoudend, niet saillant als ze zich willen ontfermen over het Leven. Ach, en het prefix “a” van het atheïsme zegt toch al voldoende? God is niet van toepassing. Zou er zoiets bestaan als ontheïsme (kan daarmee op deïsme zijn gedoeld?) dan wordt dat net zo goed verworpen. We kunnen het aan de straatstenen van de nieuwe allee niet kwijt.
Dit hele relaas was bedoeld om het verschil tussen enerzijds “on-“ en “-loos” en anderzijds “a-“ duidelijk te maken. Met de vergaarde kennis weer terug naar links-rechts. Wat zegt Maurits Onderdijk daarvan. Het volgende. “De begrippen links en rechts werden op de mestvaalt van de geschiedenis gedumpt. Nederland werd een soort éénpartijstaat.”
Toe maar, toe maar.
Maurits wil koste wat het kost links-rechts handhaven. Ons manifest om het CPB te laten regeren zal hij niet onderschrijven en zeker niet ondertekenen. Onderdijk is een ouderwetse conservatieveling. Gepokt en gemazeld in links-rechts en rechts-links is hij niet meer bij machte om dat juk van zich af te werpen. Wat moet dat trouwens met die mestvaalt van de geschiedenis? Geschiedenis is Geschiedenis, en verhaalt over het gebeurde. Maar is alles wat er gebeurd is een mestvaalt? Natuurlijk, er kunnen vreselijke dingen gebeurd zijn, dingen die liever niet waren gebeurd. Maar toch, het blijft Geschiedenis, neutrale Geschiedenis. De Geschiedenis heeft ook geen bedoelingen. Zoiets lees je wel eens bij, of hoor je wel eens van hooggeleerde deskundigen. Expliciet zullen ze het niet beweren, dat niet. Maar tussen de regels door kun je niet anders dan het zo te verstaan. Een bepaalde stroming in de Geschiedenis zorgde er voor dat ... Een andere stroming voorkwam dat ... Die Geschiedenis, die weet wat. Zo schijnt de Verlichting zichzelf als Verlichting te hebben uitgevonden om een nieuw licht te werpen op de samenleving.
Hoe dan ook, Maurits wil niet af van de door hem gekoesterde dimensie. De éénpartijstaat onder leiding van het CPB wijst hij dus duidelijk af. Zou hij nog te overtuigen zijn? We wachten de gezellige avond af.

We zijn toe aan punt zes en zijn daarmee beland bij het vijfde bezwaar.

“Van je fouten kan je leren.”
“Kan? Het hoeft dus niet?”
“Eehh ... foutje, ik moet het anders zeggen. Herstel! Herstel! Van je fouten moet je leren. Zo is het! Zo is het!”

Dit stukje als intro op het vermeende bezwaar dat modellen niet met fouten weten om te gaan; dat kunnen alleen mensen. Modeluitkomsten kunnen niet ter verantwoording worden geroepen. Men kan een model niet naar huis sturen.
Alweer mis.
Modellen weten veel beter met fouten om te gaan dan mensen. Ze vergelijken op gezette tijden - hoe die tijden precies gezet moeten worden? daar komen we nog op terug, als ons de ruimte is gegund - voorspellingen met resultaten. En daar trekken die modellen dan lering uit.
O, ’t is dynamisch. De output van een modelexercitie levert weer een deel van de gegevens voor de volgende ronde; en die volgende ronde stopt de resultaten weer min of meer gedeeltelijk in de ronde die op de volgende ronde volgt; enzovoort. Zo weten de modellen ook uitstekend om te gaan met de spanningsvelden die nog wel eens kunnen oprispen tussen korte termijn en lange termijn. Niet dat de modellen dat smooth wegsmeren, dat niet. Potverteren en houtjebijten, dus pieken en dalen, ze zullen blijven bestaan. Maar de modellen zorgen er wel voor dat het niet te piekerig en te dalerig wordt. En wat is “te”? Ja, dat hangt van de conjunctuur af; en die conjunctuur zit als variabele ook in het model. Het heeft te maken met de verwachtingen voor, met de hoop op, met het vertrouwen in de toekomst van de burgers. Deze variabele, door scha en schande wijs geworden, weet lering te trekken en wordt dientengevolge steeds “lerender” - beter: wijzer.
De dynamiek, die in de modellen werkzaam is, houdt in dat van de oplossingen niet verwacht mag worden dat ze statisch zijn en voor alle eeuwigheid gelden. Beslist niet! Want eeuwig in balans, dat is de hond in de pot, dat is futloos, dat is Jan Salie, dat haalt de wet van de zelfgenoegzaamheid of van de remmende voorsprong van stal. De modellen worden niet aan het werk gezet met de opdracht om een sluitend, natuurlijk evenwicht te bewerkstelligen. En wat is trouwens een natuurlijk evenwicht? Is er dan niets meer te doen, of zo? Ligt de samenleving dan waterpas? Nee, godsonmogelijk, dat kan niet. Want de samenleving is als een stromende rivier, die alleen kan stromen omdat ze niet waterpas ligt. Een evenwicht is er slechts in termen van externe criteria, d.w.z. van een logica die zelf buiten het model vertoeft. Het is onzin om metaregels, regels over een systeem, in een systeem op te nemen. Als zodanig is een modelsysteem (modelsysteem? Vooruit maar) in principe altijd onvolledig, in zekere zin uit het lood geslagen en nooit “af”. Een “af” model is onwijs. Het model dat wij voorstellen is wijs.
Vele malen wijzer dan mensen, zelfs wijze mensen, ooit kunnen worden, ooit zouden kunnen worden. Het meest wijze wat een “wijs” mens nog te berde kan brengen is gelegen in de wens het landsbestuur over te dragen aan het CPB. En dat is precies wat wij en ik hier proclameren en proberen te onderbouwen.
“Van je fouten kun je leren.”
Dat zeiden we al.
Je kunt het wel eens noteren uit de monden van de huidige politici, die nog van vlees en bloed zijn. Of ze het doen? Ach, vaak is het een doekje voor het bloeden, een laf excuus. Meestal herinneren die politici zich hun uitspraken of beslissingen uit het verleden nauwelijks of niet meer. Dan moet er een parlementaire enquete aan te pas komen, die zich aan waarheidsvinding te buiten mag gaan. O, en ze zijn er ook heel erg gewiekst in de fout terug te spelen naar een voorganger die intussen buiten dienst is. Nog gewiekster is hun spel met de context. Uitspraken e.d. uit het verleden, daarmee geconfronteerd, zouden “uit hun verband zijn gerukt”.
Welnu de modellen, vooral de laatste en meest geavanceerde versies, hebben van dat hele gedoe geen last. Hun uitspraken, beloften (lees: voorspellingen) van destijds staan allemaal, gedateerd, opgeslagen in geheugens, mitsgaders de gegevens van de context. Vanzelfsprekend worden de verschillen tussen voorspellingen en uitkomsten genoteerd. Vanzelfsprekend, want daar vangt het “leren” aan. En mocht het, ondanks die lering, later nog niet helemaal perfect uitpakken, dan kan die “lering” op haar beurt daar weer lering uit trekken, door nieuwe algoritmen te genereren m.b.v. genetische algoritmen. Enzovoort. Alles zeer dynamisch - natuurlijk, zeer zeker, zeker in de tijd gezien.
Daarom hoeven modellen, in tegenstelling tot “menselijke” bewindslieden of kabinetten, ook nooit naar huis gestuurd te worden. Al die lering, die niet eens in het pluche, maar binnen integere circuits gebaard is, zomaar weggooien? Doodzonde, doodzonde!

Hoe langer je erover nadenkt, des te meer ideeën borrelen er op. Ik heb het tot dusver alleen maar gehouden bij het CPB. Maar je hebt ook nog het SCP, het Sociaal Cultureel Planbureau. Er bestaat een Ruimtelijk Planbureau. Een natuur- en milieuplanbureau. En misschien zijn er nog wel meer van dat soort Bureaux.
En wat te denken van de SER, de Sociaal Economische Raad? En de WRR, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid? De Gezondheidsraad? Wie weet, en wellicht zijn er nog meer Raden.
Naar ons en mijn idee moet dat alles bijeen. Hoe? In welke constellatie? Dat weten we nog niet precies, daar wordt nog over nagedacht. Maar we zijn intussen al wel zover om te beseffen dat het een goed oplosbare klus is - je kunt je vingers er bijna bij aflikken.

We gaan nu over naar het zesde bezwaar, oftewel punt zeven.
Dat zesde bezwaar brengt de menselijkheid in het geweer. Een CPB-landsbestuur zou onmenselijk zijn. (Menselijkheid en onmenselijkheid verwijzen trouwens over en weer naar elkaar.) Wat onder (on)menselijkheid te verstaan? Hoe te definiëren?”
“Niets menselijks is mij vreemd”, kun je wel eens iemand horen beweren, die meent zijn wijze jaren te hebben bereikt. Valt daar ook het onmenselijke onder?
Me dunkt!
Maar, maar ... moeten we niet eerder en oorspronkelijker aanvangen? Gewoonweg bij “mens”? Maar welk mens? De mens of Een mens? (Of, om in de vraag dezelfde tegenstrijdigheid als van daarnet te huisvesten: De onmens of Een onmens?)
De eerste is wel erg hoogdravend. Degenen die het project oppakken om De mens vast te stellen lopen een erg grote kans om zich te vertillen. De mens, als constante door alle tijden en over alle plaatsen heen, De mens als absolutum, wie is dat? Liever hielden we ons aan Een mens. Dat lijkt veel praktischer. Je kunt hem tegenkomen in allerlei alledaagse uitspraken als “een mens is nou eenmaal ...”, “een mens kan nou eenmaal niet ...”, “ach, het is ook maar een mens” ewdmz. Zulk soort opmerkingen zullen terloops en tussen neus & lippen worden gebezigd - meestal als een soort geruststelling, als een uitstapje, als ewdmz, mocht er zich een menselijke of intermenselijke kwestie voordoen.
Toch zijn we begonnen bij De mens.
En, inderdaad, na verloop van tijd moesten we zeggen “oei”. Oei, oei, oei!
Want we raakten steeds verder verstrikt in ons naspeurwerk, steeds dieper. Alle bevindingen zijn te boek gesteld, en dat waren er nogal wat. We kwamen tot de conclusie dat ze niet pasten in wat normaliter een essay wordt genoemd. Het verhaal zou uitdijen tot een boekwerk, en dat is niet de bedoeling van een opstel. Goed, de tekst is niet weggegooid, dat niet. We hebben het bewaard, dus opgeslagen, om het eventueel later nog ’s te kunnen gebruiken. In dit relaas nemen we alleen de krenten uit de pap, de hoofdlijnen zogezegd.
Wie passeerden er allemaal de revue?
Niet de eersten de besten. Dat kwam omdat de eerste de beste doorverwees naar anderen, die op hun beurt ook weer doorverwezen.
Wie was de eerste de beste?
Ene Martin Buber.
Eén van zijn geschriften draagt als titel: “De vraag naar de mens”. ’t Leek ons een prima uitgangspunt, ’t sloot uitstekend aan op onze bedoelingen. En ja hoor, de eerste de beste Buber bracht ons in zijn verhandeling al vrij snel naar lieden die beslist niet tot de eersten de besten konden worden gerekend, zoals b.v. Kant, Hegel, Marx en Nietzsche. Dan zit je al snel in het circuit, lijkt ons of mij.
Buber zelf deelt zijn vraag naar De mens in bij de wijsgerige antropologie. Dat zouden, volgens hem, de anderen ook hebben moeten doen. Doordat ze dat min of meer hebben nagelaten komen ze niet of nauwelijks toe aan de essentie van de vraag. Zelfs Kant niet, die de vraag uiteindelijk heeft bedacht.
Buber zet, met andere woorden, zijn antwoord op de gestelde vraag uit in de juiste richting. En waar komt hij dan mee? Met Tussen - inderdaad: “tussen” met een hoofdletter. De vraag naar De mens moet zijn oplossing niet krijgen vanuit een opvatting van de mens in isolement, de mens op zichzelf, en ook niet vanuit een opvatting van de mens in een betrouwbaar functionerend “geheel”, maar moet het zoeken in het tussenmenselijke, in het mens-met-de-mens. Dat is volgens Buber de ware derde weg, een weg loodrecht op de weg die loopt van individualisme naar collectivisme. Dit alles “om der wille van de bevrijding der relatie”.
Toe maar, Doe maar.
Is het tussenbeide door Buber als eerste bedacht? Of grijpt hij terug op een vroeger Arcadië? Zoals hij het opschrijft lijkt het erop alsof hijzelf het geestelijk vaderschap wil claimen. Bovendien is ie kortzichtig; hij stopt bij het duale, bij “Ik - Gij”. Waar zijn “hij”, “wij”, “jullie” en “zij”? Die hogere verdiepingen van het tussen-zijn bereikt Buber in geen velden of wegen. En dan praten we nog niet eens over de wervelende spiraal, waar de dialectiek zo beroemd om geworden is en die meervouden in hogere orden kent. De dialectiek die ons voert naar, clique, groep, gilde, clan, “de onderlinge”, collectief, instanties, instituten ... ewdmz ... via corporate governance naar maatschappij, cultuur ... tot en met geschiedenis.
Als hij ergens opmerkt dat de taal voor dit (duale) gebeuren slechts teken en medium is, en dat al het geestelijke door dit gebeuren is verwekt, dan zou hij die taal en dat geestelijke toch eens wat beter moeten bekijken - eehh: bekeken moeten hebben. Want de taal kent buiten de zes persoonlijke voornaamwoorden ook namen voor geledingen, waar we er net een paar van noemden. Die zijn er allemaal niet voor niets. Ons “Geestelijke” heeft er genoeg mee te stellen. Verbanden en relaties zat, zouden we zeggen. Wat dat betreft komen de mensen in de huidige en - vanzelfsprekend - complexe maatschappij goed aan hun trekken. Dit alles “om der wille van de bevrijding der relatie”?

Door aan te vangen bij de eerste de beste Buber hebben we willen laten zien hoe:
- de vraag naar De mens tot een ramp kan leiden;
- moeilijk de vraag naar De mens is;
Waarom - zo vragen we ons af - zou je er überhaupt aan (willen) beginnen?
Even terugkijken in de tekst. Waar was het om begonnen?
Om het CPB-landsbestuur; dat zou onmenselijk zijn.
Toen rees de vraag naar De Mens. Want als je iets onmenselijk wilt noemen dan moet je op z’n minst een idee hebben van wat De Mens is? Toch? Vooral De Mens in al zijn intermenselijkheid, in al zijn Tussen-heid - om nog maar eventjes bij Buber aan te klampen. Is het Homo homini lupus? Of is het Liefde? Of: welke andere Genegenheid dan ook?
Ach, en dan landen we aan bij denkers die het gelukt is om het Maatschappelijke in de steigers te zetten; denkers die het verder hebben geschopt dan Buber met zijn duale “Ik - Gij”. Want het Maatschappelijke huisvest in haar hogere spiralen meervouden van meervouden, tot in de zoveelste macht. Daar tref je gemeen-schapheden die bij nader uitpluizen alleen maar onbegrip kunnen opwekken. Onbegrijpelijke instanties.

Maar dat is het huidige heden.

Maar laten we eerst, voor alle begrip, maar ’s te rade gaan bij een stukje vroeger. Wie vinden we daar, wie kunnen we daar vinden? Lieden als Hobbes, Locke, Rousseau, Montesqueu ewdmz. En dat zijn beslist niet de eersten de besten. O zeker, ook zij hebben kunstmatige nulpunten moeten verzinnen; ze hebben analyses van maatschappijen waarvan door overlevering iets bekend was moeten laten voorafgaan door startblokken, door verzonnen maatschappijen waarvan niets bekend was - vandaar het woord “verzonnen”. Er wordt - heel natuurlijk, maar ook kunstmatig - teruggegrepen op “de natuurmensen”. Waren die elkaar ten goede of ten kwade gezind toegenegen? En wat was en is ten goede? En wat was en is ten kwade?
We weten het niet.
Luister naar wat Rousseau Hobbes voor de voeten werpt.

“De fout van Hobbes is dus niet dat hij de staat van oorlog (homo homini lupus? SW) tussen onafhankelijke mensen die sociabel zijn geworden (onafhankelijk? sociabel? Waar haalt ie het vandaan? SW), heeft gepostuleerd, maar dat hij heeft verondersteld dat die toestand natuurlijk was voor de soort en haar als oorzaak heeft voorgesteld van de kwalen waarvan zij (in feite) het gevolg is.”

Ja, wat was er nou eerder? De kwaal, of de staat van oorlog?
Wij zouden tegenwoordig, heel volks, zeggen: dat is een kip-ei-probleem. Baarde de kip van de oorlogsstaat eieren met kwalen (Hobbes)? Of broedde een kwaal-ei een oorlogskip uit (Rousseau)? Bovendien moet je je afvragen of de mensen in die primitieve of preprimitieve maatschappijen in staat konden worden geacht een kwaal als een kwaal aan te merken. ’t Lijkt ons en mij dat zoiets pas achteraf - met de bekende wijsheid-achteraf - heeft kunnen gebeuren. Dus ook min of meer kunstmatig en verzonnen?
Hoe breien we nu een mouweind aan die zogenaamde menselijkheid van De Mens? Want met de kip-ei diagnose mag duidelijk zijn geworden dat we er niet helemaal, of helemaal niet, uitkomen.
De knoop doorhakken?
Hoe?
Door onderzoek. OK, maar dat is moeilijk en lastig. Je kunt niet vanuit experimentele overwegingen mensen vanaf de geboorte isoleren en in een laboratorium opvoeden. Daar is, vanuit moralistische overwegingen, de ethiek tegen (hoe komen we trouwens aan ethiek?). Maar er zijn wel eens dingen in het wild gebeurd, dus huns ondanks, die zo’n situatie heel dicht wisten te benaderen. De wolvenkinderen uit India, bijvoorbeeld. Dat was in 1920. Er is verslag van gedaan. Duidelijk blijkt dat deze exemplaren van homo sapiëns niet het gedrag lieten zien dat we gewoon zijn van mensen; ze gedroegen zich als wolven. Waren ze dus onmenselijk? Opnieuw die vraag naar de (on)menselijkheid van De Mens. Met als antwoord: De Mens is maakbaar, De Mens is kneedbaar, De Mens is plooibaar, De Mens kenmerkt zich door culturele plasticiteit. (Daar moeten we natuurlijk niet te ver in gaan. Stel de kinderen waren i.p.v. door wolven door adelaars opgevoed. Hadden we ze dan vliegend kunnen aantreffen?)
En hoe wordt hij, De mens, op enig moment in de Geschiedenis dan gemaakt, gekneed, geplooid, geboetseerd?
Natuurlijk en vanzelfsprekend door de op dat moment vigerende beschaving. Het is de beschaving die De Mens polijst tot de menselijke mens van het geldende tijdsgewricht. Beest? Dan wordt het beestachtig. Primitief? Dan wordt het primitief. Feodaal? Dan wordt het feodaal. Verlicht? Dan wordt het verlicht. Noem alle stromingen die door geschiedkundigen, sociologen ewdmz onderkend worden maar op.
Democratisch?
Dan wordt het dus democratisch.
De beschaving schaaft en polijst het modelmens dat gewenst is. De beschaving schept, voor zolang ze duurt, een traditie, die De Mens gewoontegetrouw doet wonen in een gewoonte, en doet wennen aan die gewoonte. En de gewende gewoonte is De Mens eigen. ’t Is zelfs eigen aan wolvenkinderen.
Wanneer worden menselijke handelingen tot gewoonte?
Op die vraag moeten we toch even ingaan, anders wordt het verhaal, dat per slot van rekening op een CPB-regering wil uitkomen, wel heel erg algemeen.
Welnu, handelingen worden tot gewoonte als ze uit hoofde van de traditie vanzelfsprekend zijn, als er niet meer bij hoeft worden nagedacht. De relatie tussen enerzijds affector en anderzijds effector hoeft het hersen-honk, dat zo kenmerkend is voor homo sapiëns, niet meer aan te doen. De link tussen input-output, of stimulus-respons, of sensoriek-motoriek mag na vele overbruggingen gewoonweg (ja: gewoonweg) vergeten worden. De routine kan a.h.w. uit het brein van het hoofdprogramma verhuizen, en als subroutine afdalen naar het autonome zenuwstelsel in het ruggenmerg.
Zodoende wordt het brein geschoond en komt er ruimte vrij voor nieuwe dingen. Maar dit terzijde. (Nu we trouwens toch bezig zijn met een terzijde, dan kunnen we - nu de gelegenheid zich nu toch voordoet - ons ook wel de luxe permiteren van een volgend zijpad. Aan de hand van de vraag: hoe krijgen we routines afgeleerd als ze overbodig zijn geworden en geen enkel nut meer dienen? Moeten ze remigreren naar het brein? Zodat ze een ontwenningskuur kunnen ondergaan? Zodat ze operabel zijn voor en door het verstand? Zodat de nadenkendheid er een nieuwe release van weet te brouwen, die vervolgens na enige af- en aanleeroefeningen weer af kan afdalen?)
Goed, nu weer verder met de afgaande beweging. Wat valt daar nog meer van te zeggen? We nemen William James en sluiten bij hem aan. Zijn “mental physiology” vertelt dat de machinerie van ons zenuwstelsel door de herhaling van onze handelingen raakt ingesteld. Als we ons aankleden, als we piano spelen - wat we dus, terwille van de voorbeeldigheid, herhaaldelijk doen - dan ontwikkelt zich een automatisme, een werktuigelijkheid, die er zorg voor draagt dat de zenuwimpulsen zich als een rivier een bedding slijpen. ’t Is zelfs zo, dat als we bij deze handelingen steeds zouden moeten nadenken, de aankleding en het pianospel nergens op lijken.
James verheft deze individuele gewoontevorming ook naar macro, naar “samenleving”. Opgeteld zijn alle individuele gewoonten het vliegwiel van de samenleving. Aangezien de fysiologie in elkaar zit zoals ie in elkaar zit moeten we daar in opvoeding en scholing “gewoonweg” op inspelen, en de beddingen van de waterstromen verheffen naar een maatschappelijk bestel. Tot ons aller nut en heil, zeg maar.
Even nog, voor alle begrip, de verhouding gewoonte-traditie. Gewoonte leggen we neer op het micro-niveau, zijnde de individuele mens. Traditie ligt op het macro-niveau en moet dus gezien worden als een kenmerk van hogere eenheden, zoals Maatschappij of Samenleving of wellicht Cultuur. Zeker, het is zo dat gewoonte en traditie samenhangen. Veel gewoonte is te verhalen op traditie, en veel traditie is te verhalen op gewoonte. Enerzijds vertegenwoordigt de traditie de Macht der Gewoonte. Anderzijds houdt de gewoonte de traditie in ere.
Maar de afstand tussen macro en micro, tussen samenleving/maatschappij en individu is heel erg groot. ’t Kan niet anders of daar moet nog het één en ander tussen liggen; de polen kunnen elkaar niet anders bereiken dan door mediatie. Hoe heten de intermediars?
Mediëren of intermediëren kan grosso modo op twee manieren; op, laten we zeggen, een “softe” en op een “harde” wijze. Nee, wacht, wacht ... laten we dat niet doen. Laten we het m.a.w. anders doen. Als volgt.
We gaan in die mediatie lagen onderscheiden; een soort getraptheid. Op grond waarvan? Hoe? Naar de mate van concretisering (of andersom: naar de mate van vrijblijvendheid). We starten bij de pool van de traditie, d.w.z. bij de minst concrete of de meest vrijblijvende kant. Daarna volgen - iets concreter en iets minder vrijblijvend - het ritueel, de ceremonie, de zeden, de etiquette, ewdmz, zoals “fatsoen moet je doen”. We schuiven dan op naar discipline en procedure en plicht. En eindigen dan bij instellingen, wetten en regels, om aan te kunnen sluiten bij de gewoonte. Dit hele systeem valt trouwens onder het NIG, het Nederlands Instituut voor Gewoontevorming.

Om nog wat dieper op de Traditie in te steken gaan we shoppen bij Popper. Waarom juist bij Popper, zult u vragen. Dat is omdat Popper een degelijk en deugdelijk filosoof is, die z’n hand niet omdraait voor de exacte wetenschappen. Hij probeert, zelfs wanneer het ingewikkelde materie betreft, de zaken altijd zo eenvoudig mogelijk te zeggen. Hij zweert bij “simplex sigilum veri”. Hoe anders is dat bij de zogenaamde cultuurfilosofen. Die gaan uit van het principe: waarom zou ik het eenvoudig zeggen als het moeilijk kan. Van nature zijn zaken als Maatschappij, Samenleving, Cultuur en Traditie aangelegenheden van cultuurfilosofen, sociologen, antropologen (in het vervolg: culturalisten) terwijl mensen als Popper zich voornamelijk bezighouden met wetenschapsleer. Maar Popper stapt de grens wel eens over en zegt dan - hoewel het zijn terrein niet is - toch verstandige dingen. Het lijkt ons en mij daarom beter om ons met Popper te verstaan, dan met dat leger van culturalisten die alleen maar, als in een kippenhok, door elkaar heen kakelen en als zodanig geen onderscheid meer weten te maken tussen enerzijds kip en anderzijds ei. Op enig moment komen we nog wel over dat leger te spreken. Eén van hun voormannen heeft ons eens een onschatbare dienst bewezen door in een artikel zijn soortgenoten met foto en naam de revue te laten passeren. Het artikel zelf raakte kant noch wal, maar intussen weten we wel zo ongeveer waaruit dat leger bestaat. We kennen dus onze Pappenheimers, en we spotten ze.
Verder met Popper, want daar ging het per slot van rekening om. Zijn voordracht - het was een voordracht - draagt de naam “Towards a rational theory of tradition”.
In aanvang wordt al snel duidelijk dat Popper, die bekendheid geniet als rationalist, zich toch niet afkeert van de traditie. Een maatschappij of samenleving kan niet zonder traditie, en een appèl van de anti-traditionalisten om de traditie af te schaffen ziet hij - Popper dus - als een onmogelijkheid. Want de afschaffing van een traditie baart gewoonweg een nieuwe traditie. Wat dat betreft loopt Popper in lijn met andere denkers, zoals b.v. Hegel met zijn beroemd geworden begrip van de “Aufhebung”. Een nieuw regime (synthese) draagt altijd nog, zij het in “aufgehobene” vorm, de erflast of de nalatenschap van de overkomen tegenstelling. Zelfs revoluties hebben te maken met een verleden - een verleden dat ze graag als juk van zich af hadden willen schudden -, want het is juist dat verleden waar revolutie révolte van is. Een omwenteling is altijd omwenteling van ... . Het omgewentelde spreekt a.h.w. een hartig woordje mee.
O, en ook Marx voorzag zijn stelling, dat mensen hun eigen geschiedenis maken van de clausule “maar wel op basis van voorafgaande omstandigheden”. Het is m.a.w. fictie om te geloven in tabula rasa, in een sociaal vacuüm.
Iets dergelijks geldt ook voor Kuhn, met zijn paradigma’s. Een nieuw paradigma, tot stand gekomen na een zogeheten paradigmashift, zal altijd nog sporen in zich dragen van het oude en overkomen paradigma.

Eventjes een intermezzo. We laten iemand aan het woord uit het gilde van de culturalisten, die we beloofd hadden te spotten. Aan onderstaand citaat kunt u zien dat we aan die zelfopgelegde belofte gestand hebben gedaan. Luister naar wat Maartje Drentel te melden heeft.

“Want zolang de toekomst nog ongerept is en de regering maagdelijk,
lopen we de kans dat straks alles fundamenteel anders is en niets ooit
nog hetzelfde.”

’t Is goed om even te zeggen dat deze zinnen zijn gebaseerd op een nieuwe opvatting van of over de tijd.

“Anders dan we traditioneel denken gaat de tijd niet voorbij, maar
blijft hij stilstaan.”

’t Valt prima in ons betoog - ik moet eigenlijk discours zeggen; dat is de gebruikelijke gewoonte binnen het gilde.
In de eerste plaats is het m.i. en o.i. niet zo dat in het traditionele denken “de tijd voorbij gaat”. Zelfs tradionalisten kunnen de tijd nooit en te nimmer voorbij hebben zien komen. Goed, OK, de korte wijzer kan op de wijzerplaat de 2 of de 6 of de 12 passeren; dan zien die 6 of die 12 of die 2 de wijzer langskomen. Wellicht kunnen ze elkaar groeten met een tingeltje, met een stukkie muzak of met een riedeltje carillon. Maar dat is iets anders dan de tijd zelve.
En dat a.d.h.v. nieuwe inzichten (over de toekomst) de tijd gaat stilstaan? Afijn! Kijk, een klok kan stilstaan; dan loopt ie niet meer. De onrust is er a.h.w. uit. Maar de onrust valt uit de tijd zelve niet te slopen.
Laten we de eerste zinsnede van hierboven nemen, daar was het om begonnen. We pakken “de maagdelijke regering”. De maagdelijkheid van een regering is een volstrekte onmogelijkheid; elke regering - hoe nieuw ook - torst een erflast, een legacy, een nalatenschap. En die erflast ewdmz wordt alleen maar zwaarder; de bevolking, maar ook de regering zelf, jukt onder het juk van ooit gemaakte afspraken, vastgelegd in grondwet, wetten, regels, zorgvuldige procedures, contracten en - niet in ‘t minst - de staatsschuld. Daar komt nog eens bij dat de regering werkgroepen heeft ingsteld die ons, de bevolking dus, de canon van onze cultuur willen inprenten. We worden geacht onze erflaters te kennen. Om? Om ons met onze cultuur te (kunnen) identificeren, en aldus die cultuur te continueren. En niet om de toekomst de kans te geven straks alles fundamenteel anders te laten zijn en niets ooit (nooit iets?) nog hetzelfde.
Kortom, de uitlatingen van een lid van het gilde der culturalisten staan haaks op de bevindingen van Popper, Marx, Hegel en Kuhn.
Tot zover het intermezzo.

De belangrijkste reden om Popper in verband met de traditie en het toekomstige CPB-landsbestuur op te voeren, is gelegen in het feit dat hij - Popper dus - een verband legt tussen traditie en instituties. We hadden dat verband zelf ook al wel in de smiezen, maar het is - vanuit traditionele overwegingen - veel verstandiger om aan te sluiten bij iemand die zijn naam gezet heeft.
Maar, eeehh, dan maakt Popper, naar onze en mijn bescheiden mening toch wel een foutje. Een nuttig foutje, omdat het ons denken op scherp wist te stellen. Dat is ook de waarachtig stiekemse reden om hem hier op te voeren. Hij - Popper dus - laat de traditie mediëren tussen instituten en personen (of - misschien beter - burgers). Dat zou toch juist andersom moeten zijn? De instituten staan toch juist tussen traditie en burger? Ja, en misschien is het nog anders. Namelijk zo, dat traditie + instituten + ... ++ ... +++’ tussen burger(s) en burger(s) in staan. Het verkeer tussen burger(s) en burger(s) wordt meer en meer geregeld door tussenkomst, en door tussenkomst binnen - of via - tussenkomst, en door ... enzovoort. Dit alles “om der wille van de ondersteuning der medemenselijkheid”.
Het menselijk onderling kwam bij Buber niet verder dan ik-gij. En dan is het een “zuivere”, “echte” relatie, niet besmet met mediatie. De filosoof Jean Paul Sartre gelooft daar niet in. Zelfs in een op het oog duidelijk duale relatie ziet hij mediatie, namelijk het lichaam. We kunnen nooit rechtstreeks “bij” de ander zijn of komen; ziedaar het lot van de menselijke existentie. Maar dat lot wordt aan zijn lot overgelaten, het spiraliseert in dialectisch helse cirkelgangen naar ongekende hoogten - door geen mens meer te begrijpen. De “Critique de la raison dialectique” is onnavolgbaar; onnavolgbaar is ons lot. Dat lot voert, drijft ons in de maalstroom van een vloed aan instellingen en instanties. Er komen er steeds meer bij, en dat gaat maar door. Bureaux, instituten, verenigingen, organisaties, platformen, commissies, diensten, stichtingen, organen, lichamen en - de nieuwste sterren aan het firmament - de autoriteiten.
(Reden genoeg, trouwens, voor de sociologie om het verschijnsel te dopen met een naam, t.w. institutionalisering. Ook reden genoeg voor de sociologie om door te draven, en de institutionalisering als oorzaak aan te wijzen voor de toename aan instituten. Net zoals ze b.v. in de deconfessionalisering een oorzaak zien voor het teruglopende kerkbezoek. Net zoals ze steeds ongezondere kooplust en hebzucht een gevolg laten zijn van het consumentisme. Net zoals ze de bureaucratisering de gestapelde en onleesbare formulieren, de vodderige beleidsnotities en de omslachtige procedures nawijst.)
Wat doen die instituten van de institutionalisering eigenlijk met ons, mensen - het ging nog steeds om de (on)menselijkheid? Raken ze ons? Kunnen we er omheen? Als we i.p.v. instituut het begrip instantie nemen, en dat begrip op z’n etymologie aankijken, dan zien we een glimp van een antwoord. Instantie is afgeleid van het Latijnse instare, en dat betekent “op iets staan”, dus “eisen”. En die dwang geldt zowel voor de ene kant als voor de andere kant - de partijen, dus.
Een voorbeeld.
Kortgeleden heeft de overheid, uit hoofde van de institutionalisering, een nieuwe Autoriteit in het leven geroepen, t.w. de NCA. Dat is de Nederlandse Consumenten Autoriteit, die consumentenkwesties onder de hoede neemt. Omdat we volop in het tijdperk van het consumentisme leven, hebben wij - consumenten, dus - daar allemaal mee te maken. Maar worden genoemde kwesties ook al niet door de Nationale (of Regionale) Ombudsman behartigd? Of handelt deze laatste alleen akkefietjes af die te maken hebben met de overheid? Uit de tijd dat Onderdijk in dienst was kan ik me nog iets consumentistisch herinneren. Bubblelota. Maar het kan zijn dat er zich intussen een afsplitsende herstructurering heeft voorgedaan.
Er zijn nog andere vaarwateren. De consumentenbond bijvoorbeeld, of De alternatieve consumentenbond. Wat doet die anders dan wat de NCA zou moeten doen? De TV biedt programma’s aan als Breekijzer en Kassa en Radar en Opgelicht en Max; en probeert conflicten op te lossen. Er schijnt nog zoiets te bestaan als een Nederlands Federatie die de belangen behartigt van cliënten en patiënten. Wat te denken van VWA, de Voedsel & Waren Autoriteit. En daarbuiten is er toch ook nog gewoon de Rechter? Of de Consumenten Kamer van het hof?
Ander willekeurig voorbeeld.
Vertrouwenspersonen.
In bedrijven, op ministeries, bij instanties/instituten ewdmz zijn vertrouwens-personen werkzaam. Ze hebben een gewone, vaste baan, maar voor enkele tientallen procenten zijn ze vrijgemaakt voor vertrouwenswerk. Het zijn lastige procenten, want ze moeten concurreren met andere instanties, zoals daar zijn: de ombudsman, de klachtencommissie, het bureau “ongewenste intimiteiten”, de vakbond en wellicht de ondernemingsraad. Toch staan ze voor hun taak.
Vandaar dat de vertrouwenspersonen de handen in elkaar hebben geslagen en zich hebben verenigd in De Nederlandse Bond voor Vertrouwenspersonen - een soort branche-organisatie, zeg maar.
Wat zou daar zoal worden besproken in de vergaderingen van die organisatie?
Het profiel?
Want dat moet de Bond natuurlijk scherp neerzetten. Wat is het unieke van de vertrouwenspersonen in vergelijking met de andere instanties, die in dezelfde vijver vissen? Waarin onderscheiden ze zich? Ze willen beslist niet te boek staan als afschuifinstantie of afvalinstantie, als vertrouwen “in last resort”. In dit gehele proces, om het profiel boven tafel te krijgen, wordt de bond vanzelfsprekend bijgestaan door een focusgroep of wdmz. En verder heeft dit soort beraadslagingen een pracht van een spin-off, geheten saamhorigheid, gemeenschapszin of “wij-gevoel”.
Maar wij, als mensen die op zoek zijn naar ons “gelijk” - en in tweede instantie naar de (on)menselijkheid van De Mens -, waar moeten wij zijn?
O, en wij, mensen, zijn niet alleen consument, en wij, mensen, zoeken niet alleen vertrouwen; nee, wij zijn ook nog eens aandeelhouder. Als zodanig staan we geconfronteerd tegenover/met de directie van het bedrijf, dat wij punt-1 vertrouwen en waar wij punt-2, terwille van het consumentisme, koersstijging van verwachten. Hoe geven we die confrontatie gestalte?
Via een via.
Maar welk(e) via?
Moeten we ons aansluiten bij de bende van de hedgers, van de private-equity’s; van de woelmuizen of van de sprinkhanen of van de haaien? Ja, en als we dan toch bij het dierenrijk hebben aangeklopt, waarom dan niet een aantal andere exemplaren opgevoerd? Kijk, we hoeven niet een hele ark binnen te slepen of te loodsen; dat zou de zaak onnodig compliceren. Maar gieren, jakhalzen en hyena’s passen o.i. prima in de context van het verhaal. Met al deze dieren of beesten aan de hand zijn we in staat het aandeelhoudersveld keurig te segmenteren. Da’s ontzettend nuttig voor het overzicht. O, en dan hebben we er nog eentje. Te weten het huisdier, laten we zeggen een trouwe viervoeter. Dat beest is loyaal en loopt keurig aan de riem van het bedrijfsbeleid. Eigenlijk zou dit beestensoort, via kluifjes van extra dividend, wat beter beloond moeten worden, vond kortgeleden de directie van een grote onderneming. Maar dat feest ging niet door omdat de rechter er een stokje voor stak. Waar bemoeit zo’n ... afijn, laat maar.
Eén van de trouwste viervoeters is het paradepaardje van het gouden aandeel. Dat aandeel is in eigendom van de Staat of de Overheid. D.m.v. dit soort aandelen beschermt de natie zich, uit overwegingen van nationalisme, tegen vijandige bedoelingen van andere naties die, soms maar liefst via hun eigen staatsinstellingen, het crème de la crème van onze nationale trotsen willen komen wegstelen.
Aan de hand van de beesten is het ons gelukt wat orde te scheppen in het veld van de aandeelhouders. Bij welk dier zouden we ons willen of moeten willen aansluiten? Dat is toch wel het huisdier, zouden we zeggen. Dat dier is gedomesticeerd en staat de menselijkheid van De Mens het meest na. Vandaar! Wellicht zouden we een poging moeten wagen om de andere dieren - de haai, de hyena, de woelmuis, de jakhals, de sprinkhaan, de slang, de gier - naar het voorbeeld van het huisdier te modelleren. Via b.v. een domestificatie-regime. Zo’n regime kan niet meer worden gedicteerd door een code van een blad tabak. Dat is een veel te goedmoedige, een veel te lieve code; een code die niet uit de voeten kan met de nieuwe ontwikkelingen. Nee, het zal wat scherper moeten. Code gifscheut?

Maar, alle gekheid op een stokje, met alleen het (weliswaar gediversificeerde) aandeelhoudersveld zijn we nog niet uitgepraat. Want we kunnen ook nog steeds vertrouwen op de oude weg van de Raad van Commissarissen? Doen we mee met het rekenwonder van de VEB, die trouwens zelf op zijn beurt ook wel ‘s bemiddeling van node heeft via de Bedrijfskamer van het hof? Mocht die bemiddeling in de ogen van één van de partijen niet kloppen, dan kan die partij het qua bemiddeling hogerop zoeken in een cassatie, via een bemiddelende advocaat-generaal met een scoringskans van 0.9, bij de Hoge Raad. O, en er schijnen nog andere wegen te zijn die wellicht niet naar Rome, maar wel naar een standpunt leiden. We kunnen ons, via vakbonden en/of ondernemingsraden, achter het personeel scharen. We kunnen vertrouwen op bepaalde instituten zoals Autoriteiten die op hun beurt, direct of via een minister, tot uitspraken en/of beslissingen kunnen komen. Die soms, op hun beurt, weer tot aanvaringen met Europese instanties kunnen leiden. Waar dan ook weer, via de Europese Commissie, en eventueel via-via het Europese Hof, originele uitspraken van te verwachten zijn.
Mochten we (nee, geen “ik”, maar een “we”) er niet uitkomen, uit al die wegen, omwegen, tussenwegen, kruip- en sluipdoorwegen dan kunnen we altijd nog terecht bij een intermediair bemiddelingsbureau dat een keur aan counsellors of consultants in dienst heeft. Die schijnen, hebben we via-via en via-via-via van horen zeggen, ontzettend deskundig te zijn in de routes der wegwijsheid.
(Trouwens, Sartre, met zijn onnavolgbare Qritique de la raison dialectique, krijgt van de onnavolgbare praktijk toch wel een beetje gelijk. Of niet?)
Tot zover de voorbeelden. Mochten er nog meer voorbeelden, als intermezzo’s oprispen, dan wordt dat tussentijds wel aangekondigd. Nee, wacht, wacht ... dat hoeft niet tussentijds. We zitten er immers al middenin.

Helemaal bovenaan hebben we gezegd: “We hebben, zo bleek bij nalezing, twee keer gerept van gewoonte en traditie. Daar moeten we eigenlijk wat langer bij stilstaan. Wat pakken we als eerste?
Laten we gewoontegetrouw maar simpel & eenvoudig beginnen, dus met de gewoonte. Nee wacht, we stellen het uit, we stellen het uit. Bij een tweede nalezing, toen we al iets verder in het essay zaten, bleek dat dit onderwerp veel beter tot zijn recht kwam (en intussen is gekomen) onder een andere noemer. U zult dus nog even moeten wachten.”
Is het tot z’n recht gekomen? Intussen, dus?
Nwaahh, kweenie.
We zouden nog graag, onder de noemer van de (on)menselijkheid “- zesde bezwaar; punt zeven - wat verder in willen gaan op de “gewoonte”. Gewoonte kan n.l. ook onder een andere titel of noemer varen. Dan heet het “gebruik”. Gebruik wordt doorgaans van toepassing geacht op dingen en zaken. In een gebruik wordt voorgeschreven hoe een werktuig, een instrument, een apparaat ewdmz gehanteerd moeten worden om tot effect te komen. Hoe gebruik je een mes, een vork, een lepel. Hoe gebruik je een toilet of een douche of een imbecilomobilullofoon. Zie zo’n werktuig of apparaat gewoonweg maar als een verlenging in het verlengde van de effectoren.
Bni (bij nader inzien) is dit toch ietwat kortzichtig neergezet. Het doet voorkomen alsof de gebruiksdingen alleen zijn voorbehouden aan de motoriek. En dat is niet zo. Ook aan de sensorische kant bestaan instrumenten. Een gehoorapparaat, een bril. Dat zijn voorbeelden van de eenvoudigste soort. Maar je hebt ook sonar, radar, microscoop en Hubble-telescoop. Al deze dingen kunnen worden beschouwd als verlengingen van de zintuigen.
Hoe dan ook, hoe dan ook, door gebruik en gewoonte te koppelen zijn we toch wel een alleraardigst aanknopingspunt op het spoor gekomen. Op dat punt kruisen zich de volgende vragen. Is het zo - zo luidt de eerste vraag - dat we bij het ter-dis-gaan het mes, de vork en de lepel gewoonweg gebruiken om de maaltijd op een beschaafde wijze te nuttigen? Of is het zo - zo luidt de tweede vraag - dat het mes, de vork en de lepel ons voorschrijven, mischien wel dwingen, hoe er beschaafd gegeten moet worden? Dus niet met je tengels?
Zeg ’t maar.
Wij, mijn collega Andries en ik - Steven Wende -, zijn te rade gegaan bij Norbert Elias en - dankzij Norbert Elias - bij Erasmus. En daar hebben we, Andries en ik, het antwoord gevonden. En dat antwoord geeft een duidelijk “ja” op de laatste vraag.
Mes, vork en lepel zijn voorbeelden van de eenvoudigste soort. Maar ja, je moet nu eenmaal simpel & eenvoudig beginnen. Aan de hand van het bestek hebben we gemeend te kunnen aantonen dat bestaande cultuurgoederen - als we het zo mogen noemen - ons “instellen”. Maar die instelbaarheid heeft gaandeweg de geschiedenis aan proportie gewonnen. Het huidige park aan instrumenten, gereedschappen, werktuigen, apparaten ewdmz barst ervan. Een mobiele telefoon moet je voor gebruik eerst instellen, de remote control van een T.V-toestel moet je eerst vertellen onder welke knoppen zich de zenders bevinden. En zo geldt ’t ook voor wasmachines, videorecorders, P.C’s met handige F-toetsen en nog handigere macro’s, ovens, magnetrons - loop uw woning (woning; jazeker) maar na. ’t Is trouwens ook niet nodig om die instelling eigenhandig ter hand te nemen. Leveranciers zijn marktvriendelijk genoeg om de apparaten en instrumenten te leveren met een kant en klare instelling. En dat zal doorgaans de instelling zijn van de algemene doorsnee-burger; defaulte verstekwaarden, omdat uzelf verstek hebt laten gaan.
Ja, en dan hebben we het met de gegeven voorbeelden alleen nog maar over de huishouding. Buiten het eigen huis bestaan b.v. ook nog fabrieken, waar zich machines bevinden; machines die multifunctioneel kunnen worden ingesteld.
Andere voorbeelden.
Een muziekinstrument moet voor gebruik eerst worden gestemd, d.w.z. ingesteld. De schroeven in de krul van de viool spannen de snaren dusdanig dat de strijkstok er de juiste tonen aan weet te ontlokken. En zo strakt of slapt ook de pianostemmer met zijn sleutel de innerlijke snaren van de vleugel, zodat b.v. de fis-toets bij aanraking een echte, en geen valse fis ten gehore brengt.
Maar genoeg hierover. ’t Gaat in wezen om de andere kant, daar was het ons om begonnen. Kijk, dat we de mogelijkheden aangrijpen om soms - zeg - uit hoofde van de efficiëntie onze gebruiksmiddelen in te stellen naar onze eigen en hoogst-persoonlijk geïndividualiseerde parameters, of om soms uit luiheid de verstekwaarden te accepteren, soit. Maar de andere kant, laten we zeggen de tegenkant, speelt van de weeromstuit de slagen terug. Zo werkt dat nou eenmaal met de wet van actie-reactie. En die reactie of weeromstuit doet ons instellen, doet ons voorschrijven, doet ons gehoorzamen, doet ons de macht uit handen geven. Gaat het machine- en instrumentenpark ons overheersen? Bijvoorbeeld uit hoofde van de marktwerking en het consumentisme? ’t Is veel te gemakkelijk om daar “ja” op te zeggen, veel te gemakkelijk. Wie weet, misschien laten we ons graag instellen, laten we ons graag de dingen voorschrijven, laten we ons graag de macht uit handen geven. Dat alles terwille van het gebruiksgemak of het gebruikersgemak.
Laten we nog even teruggrijpen op William James, die beweerde dat de gewoonte met zijn werktuigelijkheid er zorg voor droeg dat de zenuwimpulsen zich als een rivier een bedding slijpen. Dit proces zou je, met een beetje goede wil, ook in de dingen kunnen onderkennen. Door het vele gebruik (en in “gebruik” hadden we voor het gemak eventjes een synoniem gezien van “gewoonte”) gaan de dingen, d.w.z. de apparaten, de instrumenten ewdmz, staan naar de gebruiker. De violist, of de violiste hanteert daarom zo graag het eigen instrument, omdat dat instrument zo lekker in de hand ligt en “weet te luisteren”. Kan zoiets ook niet opgaan voor de vertrouwde auto? Of voor het lievelingsbestek? De gebruiks-dingen gaan naar de gebruiker staan, ze worden bijna automatisch gecustomized, ze leren a.h.w. van de gebruiker. Als we dit principe in de gaten hebben, wat let ons er een deugd van te maken? En de gebruiksdingen uit te rusten met een lerend vermogen? In database-pakketten zijn - al sinds geruime tijd - optimizers werkzaam die de query’s, de zoekopdrachten van hun Pappenheimers “herkennen”, en zich daaraan aanpassen, zodat er sneller gezocht kan worden. Hoe klunzig die zoekopdrachten soms ook geprogrammeerd mogen zijn. De optimizers, tegenwoordig ook wel cookies geheten, nemen die klunzigheid voor lief en presenteren of tracteren hun gebruikers gewoonweg het best geknede koekje van eigen deeg. Dat mag nog eens individualisering heten.

We spraken hierboven - nog steeds binnen het kader van de (on)menselijkheid - over institutionalisering. Dat fenomeen baarde instituten; instituten waar wij, mensen, op aangewezen zijn, willen we de traditie in ere houden. Maar tegelijkertijd hebben we onderkend dat het begrip “instantie” veel beter inzichtelijk werk verrichtte vanwege het Latijnse “op iets staan”. Zou je iets dergelijks ook niet mogen zeggen van “instelling”? Instelling, dat is eigenlijk nog veel mooier; want dan hoef je niet te rade te gaan bij een dooie taal. Wij, mensen, in al onze menselijkheid stellen de instellingen in, en laten ons daarna door diezelfde instellingen instellen. En zo gebeurt het toch ook? Dialectisch wellicht? Welaan, kijk om u heen.

DJING-DJONG

er is een update voor uw nieuwe installatie

Ja, en het mooie van het begrip “instelling” is dat het zowel kan opgaan voor de tastbare dingen (de fysieke instrumenten, werktuigen, gereedschappen, toestellen en apparaten), als voor het minder grijpbare sociale (de instituten, de instanties, de organen ewdmz). Zo hebben we slechts één begrip, onder welks noemer beide fenomenen zitting kunnen nemen. Nee, ho, ho, ho! ‘t Is andersom: door slechts een enkel begrip te hanteren, blijkt dat we nooit hadden mogen spreken van onderscheiden verschijnselen, omdat ze reeds in den beginne van hetzelfde laken een pak waren. Zo is ‘t. Het Simplex sigilum veri van de begrippenschaarste. We kopen er twee voor de prijs van één. We slaan twee vliegen in één klap.
Dat de juiste toon is getroffen en de gevoelige snaar is geraakt valt te illustreren aan het begrip “apparaat”. Dat begrip wordt van toepassing ge(br)acht op zowel het fysieke als op het sociale. We kennen enerzijds een telefoonapparaat en een radioapparaat, maar anderzijds ook een poltie- en een ambtenarenapparaat. En werd het voormalige Sovjetregime niet gekenmerkt door apparatsjiki?
Als we het a.d.h.v. deze scherpzinnige analyse allemaal zo mogen bekijken, dan wordt het hoog tijd om weer ’s een treffend gevoelige tik uit te delen aan het gilde van de culturalisten. Die vinden - OK, de één meer dan de ander - dat de rek uit de individualisering is verdwenen. De boog van de individualisering staat met andere woorden te strak gespannen. Ieder voor zich en God voor ons allen? Nee, liever niet; het zou onze seculiere maatschappij schaden en wellicht ontwrichten.
Hoe dan ook, hoe dan ook, in de geschriften van de culturalisten viert het begrip ”individualisering” hoogtij. Goed, OK, de één denkt er zus over, en de ander zo. Maar dat het thema an sich volmondig aan de orde is, dat kan niemand ontkennen. Zelfs een culturalist niet. Basta! En wijzelf hebben er ons hierboven toch ook aan bezondigd?
Maar, maar, maar? Wat blijkt uit onze analyse? Een analyse, die wijzelf - Andries & ik - scherpzinnig hebben durven noemen? Daaruit blijkt dat de mensheid in de loop der jaren helemaal niet geïndividualiseerd is, of kan zijn. Dat is godsonmogelijk als we kijken naar de enorme toevloed aan instanties, instituties, instellingen en ook inrichtingen. Die dingen fnuiken toch de vrijheid? En vrijheid is nou juist een goed waar het individualisme niet zonder kan, waar het indivualisme zich aan laaft. Hoe komt het dan dat culturalisten als ze het discours van de individualisering binnenstappen, daar geen oog voor hebben?
Om dat goed te kunnen uitleggen dachten wij, Andries en ik, er goed aan te doen om eventjes zitting te nemen in een sessie van de metaforie. Zie het als een intermezzo; hier komt ie.

Waar was het allemaal om begonnen? Even terugkijken.
Het ging om de menselijkheid of de onmenselijkheid van De Mens. We zeiden: De Mens is maakbaar, De Mens is kneedbaar, De Mens is plooibaar, De Mens kenmerkt zich door culturele plasticiteit. Ja, en die maakbaarheid, die plooibaarheid en die kneedbaarheid blijken in het huidige tijdsgewricht realiseerbaar te zijn met behulp van techniek. Blijft er dan nog iets van De Mens over?
Toch wel. Alleen, het is een nieuw Mens. Maar niettemin: een Mens.
Opvoeding, scholing, taal, allerlei canonisatie, waar de huidige tijdgeest zo voor in de bres springt, achachach. Zouden het allemaal weemoedige en nostalgische stuiptrekkingen zijn? Stuiptrekkingen, die eigenlijk de komst van De Nieuwe Mens verbeiden? Wellicht is ’t het beste en het raadzaamste om op dit soort bespiegelingen te reageren met “het zal mijn tijd wel duren” of met “après moi le déluge”.
Die nieuwe Mensen vormen in hun onderlinge altezamen natuurlijk ook een hele nieuwe samenleving. Of moeten we zeggen: maatschappij? Eehh, daar moeten we - omdat het i.h.k.v. dit intermezzo beslist niet onbelangrijk is - toch eventjes wat nader op ingaan. Lees je b.v. artikelen of andere geschriften van culturalisten, dan valt het op dat beide begrippen door elkaar heen worden gebruikt; ze lijken inwisselbaar. Kloppen we bij de buurlanden aan dan blijkt er geen sprake te zijn van dubbelheid. Duitsland kent alleen Gesellschaft, Engeland alleen society, Frankrijk alleen société.
Toch lijkt het verreweg het beste en het nuttigste om beide begrippen uit elkaar te houden. Het Nederlands levert daarbij dus het beste aanknopingspunt. Naast kennisland en gidsland is Nederland ook nog eens het land van de Calvinistische preciezen, het land met de puntjes op de i. Dan hoef je b.v. geen toeren uit te halen zoals de Amerikaanse Rawls ze uithaalt met “een maatschappij is een sociaal samenwerkingsverband”.
Van de economie leerden we het onderscheid tussen stand en stroom. De economie kent zogenaamde stand- en stroomgrootheden. Een balans geeft stand aan, een V&W stroom. Een balans is een foto, een V&W is een film - om maar eens een metafoor uit een ander domein te recruteren.
Zou deze tegenstelling ons niet kunnen helpen om het onderscheid tussen maatschappij en samenleving te verhelderen?
’s Proberen?
Voor de maatschappij is dan duidelijk de stand weggelegd, overduidelijk. Met de foto Maatschappij worden de maatschappelijke instituten of instellingen of instanties ewdmz in beeld gebracht: staatsinstellingen, overheidsinstellingen, semi-overheidsinstellingen of ZBO’s, PBO’s (Publiekrechterlijke Bedrijfs Organisaties; de bedrijfs- en productschappen), maar ook de private instellingen. En er is zat, in overvloed maar liefst.
Als de stand naar Maatschappij gaat, dan rest er voor Samenleving de stroom, de beweging. Dat kan niet anders.
Die twee zijn op elkaar aangewezen. Het leven - liever met een hoofdletter; dus het Leuven - sluit beide in. ’t Zou geforceerd en gekunsteld zijn te denken dat het Leven ze als componenten tot een eenheid smelt. Het Leven is eerst en vooral een geheel. Het Leven wordt niet in elkaar gezet. Maar je mag bij analyse wel spreken van invalshoeken, en daarmee Maatschappij en Samenleving als aspecten ontwaren, die apart onder de loep kunnen worden genomen.
Nu we toch metaforisch aan de gang zijn dan kunnen we voor hetzelfde geld ook wel even aankloppen bij de rivier. Van die rivier is vaker gebruik gemaakt. William James deed het - zie hierboven. En Herakleitos illustreerde zijn Panta rhei aan de hand van een rivier; je kon niet voor de tweede keer in dezelfde rivier stappen.
Panta rhei: alles stroomt.
Maar ja, die bedding dan?
Die staat toch?
Ziedaar het metaforische materiaal dat wij uit de zitting van de sessie wisten weg te slepen.
De stroom van het rivierwater (Samenleving) wordt geregeld, gereguleerd, bestuurd door onder andere de bedding. Met de bedding “houden we de boel een beetje bij elkaar”, zeg maar. Maar, om de metafoor verder uit te werken - daar zijn metaforen immers voor bedoeld - er zijn meer regulatoren. Sluizen, water-keringen, duikers, navi- en aquaducten, stuwen, schutten, dammen, dijken, oevers en uiterwaarden, spaarbekkens, schoepenraden, golfbrekers ewdmz, zoals b.v. kanaliseringen. Dat geheel vormt - u zult het al vermoed hebben - de Maatschappij met al zijn maatschappelijke instellingen, die de Maatschappij instellen, alsmede mij, jou, hem, ons, jullie en hunnie. Het Levenswater kent dus het aspect van het samenzijn onder de hoede van een min of meer gestructureerd landschap aan instellingen en instituten ewdmz, en van het aspect van het samenmaken binnen datzelfde landschap.
Dat onderscheid moet goed in de gaten worden gehouden. Zeer goed maar liefst. Doe je dat niet dan gaan Maatschappij en Samenleving door elkaar heen lopen. En daarmee loop je een grote kans dat gedachten over dat tweetal in de war raken. En daarmee loop je een levensgrote kans dat schriftelijke uitingen van deze gedachten - toevertrouwd aan papier (b.v. columns, opiniestukken, artikelen, essays, boeken) - met toenemende en oplopende verbijstering de kluts kwijtraken. Zodat al die teksten - waarvan er tegenwoordig heel veel zijn - uitweiden, uitweiden en nog eens uitweiden, en steeds verder in de wateren van de nietszeggendheid verzeild raken. En dan heb ik het nog niet eens over de publieke debatten die zich aan genoemde kwesties bezondigen.

Maartje Drentel gebruikte ergens, i.h.k.v. de kwestie van het thema religie, de volgende zin.

“Als je kijkt naar de maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste tijd,
valt op dat niet alleen de religie is teruggekeerd in de samenleving, maar
dat de staat ook oprukt in de religie.”

We waren seculier. Er was, m.a.w., een duidelijke scheiding tussen Kerk en Staat. Die Kerk met al z’n gelovigheid is min of meer teruggezet naar het persoonlijke, naar het privé-domein; dus naar Samenleving. De Staat gaat ons allen aan, is als zodanig publiek domein en behoort tot Maatschappij. Dat is ook heel erg gemakkelijk te bewijzen. Immers Maatschappij was foto, was stand. En “stand” en “staat“ zijn taalkundig op elkaar te herleiden via het WW “staan”. Goed, in de ladder van het maatschappelijke zijn (intussen: waren) we
volgens Habermas we postseculier.

O, in hele vroege tijden, toen liep het water voor het vaderland weg. Samengaan was nog niet van toepassing, de druppels gingen hun eigen gang. We spreken dan over de preprimitieve samenleving. U begrijpt natuurlijk wel dat dit verzonnen is. Het is stilistisch in het leven geroepen ter creatie van een soort nulpunt, een kunstmatig nulpunt, om de ontwikkelingslijn goed in beeld te krijgen. Je moet, ten slotte, ergens beginnen.
Op een gegeven moment is het gedruppel, waarschijnlijk zonder afspraak, dus spontaan, veranderd. De druppels verbonden zich tot stroom, die stroom sleet in, er kwam een bedding, en die bedding deed de stroom als stroom continueren. De primitieve samenleving was geboren, de samenleving waar de antropologen de vinger achter proberen te krijgen.
’t Liefst kent zo’n primitieve samenleving nog geen schrift. Zou men dat wel gekend mogen hebben dan moeten we ons de vraag stellen of er wel sprake is van primitief. Nee, primitieve samenlevingen openbaren zich aan antropologen door middel van opgravingen en dergelijke. Hoe hadden ze zich nedergezet, mochten ze geen nomaden meer zijn? Wat waren de middelen van bestaan? Over welke werktuigen beschikten ze? Waren er keramieken, Etruskische potscherven? Hoe ging men met de overledenen om?
Steeds verder terug in de tijd proberen we terug te zoeken, steeds verder. En waarom? Voor een belangrijk deel toch wel om onszelf en onze eigen tijd te kunnen begrijpen.
Wat de bevindingen ook mogen zijn en hoe de interpretaties ook mogen luiden, duidelijk is wel dat ons huidige maatschappelijk bestel niet meer vaart op “Laat Gods water over Gods akker lopen”. En ook de onzichtbare hand van Adam Smith kan met groot gemak worden uitgewoven. Nee, onze huidige samenleving is strak en hecht in maatschappelijke kaders vastgeklonken. Vandaar, natuurlijk, dat we ook seculier heten.

Een weeffoutje van de schepping (of Schepper)? Zo’n diagnose haalt ook weer de teleologie binnen; immers, ze gaat ervan uit dat de schepping het anders had bedoeld. Eigenlijk had de schepping ons ook van vleugels willen voorzien. Maar ja, om oorzaken die niet meer zijn te achterhalen is het er niet van gekomen.
Koestler.
Koestler stelt voor om De mens te repareren. En hij is wat dat betreft optimistisch; hij meent te kunnen constateren dat het mogelijk is.
Wat is het mankement?
Koestler noemt het schizofysiologie. De hersenonderdelen in ons brein zijn elk hun eigen weg opgegaan en hebben geen gelijke tred gehouden met elkaar. De “intellectuele” cortex, waar zich o.a. het denken en de taal bevinden, hebben in de afgelopen milennia een grote groei en bloei laten zien (naar neo-cortex), maar de “primitieve” delen, die het animale, de emoties, de intuïtie, de driften ewdmz huisvesten, zijn door hun “limbistics”, hun omschorsing, van Lebensraum uitgesloten. Ze zijn a.h.w. ingekapseld. (Worden mensen in de huidige maatschappij ook niet geleidelijk ingekapseld door apparaten en instituten? Ligt hier geen parallel? Komen we op terug.)
Hoe het fysiologisch allemaal zit? Ach, leest u het zelf maar na. Voor ons is in dit kader slechts het maatschappelijke van belang. En Koestler trekt zijn fysiologische bevindingen ook door naar het maatschappelijke. Hij schetst in een grafiek de toename van de wereldbevolking. Op de x-as de jaren, vanaf 0 t/m 1967 (Koestler ontvouwde zijn ideeën in 1967), op de y-as het aantal mensen. De curve is overduidelijk exponentieel. In de laatste decennia schiet ie als een raket omhoog. Koestler waagt zich ook nog aan een extrapolatie die voorspellingen oplevert voor de jaren na 1967. Nu, achteraf dus, kunnen we constateren dat de curve gelijk heeft gekregen.
Koestler beweert, min of meer impliciet of expliciet - dat maakt niet uit -, dat deze groei te maken heeft met de ontwikkeling van de neocortex. Dat gaat ons wat te ver. Maar daar waar hij andere ontwikkelingen ophangt aan de curve van de bevolkingstoename, daar zou hij best wel eens gelijk kunnen hebben en krijgen. Welke zijn deze ontwikkelingen die zo’n stormachtige, exponentiële groei ten toon spreiden? Dat zijn: kracht, communicatie en gespecialiseerde kennis.
De laatste wordt gemeten a.d.h.v. het aantal wetenschappelijke tijdschriften. In 1700 waren het er minder dan tien, in het jaar 2000 (toen, in 1967 dus, was dat een voorspelling) zouden het er een miljoen zijn.
De toename in kracht loopt eveneens in lijn met de geschetste curve. We begonnen met hefboom, katrol en andere mechanisaties. Zij vergrootten de kracht van de menselijke handarbeid met een factor van, pak ‘m beet, 5 tot 10. En zo bleef het heel lang duren; m.a.w. de curve liep eeuwenlang nagenoeg plat. Maar op zeker moment kwam de stoommachine opdagen, en nog weer later de electriciteit en de verbrandingsmotor, en straks komt de waterstof. Het energetische gehalte rijst de pan uit.
De ontwikkeling in de communicatie laat zich schetsen aan de hand van het instrumentarium dat ons ter beschikking staat bij het horen en het zien (en wellicht ook wel bij de andere zintuigen). We kunnen op steeds grotere en kleinere afstanden zien en horen; en we kunnen ook steeds scherper en fijner zien en horen. T.V., radio, sonar, radar, telescopen, microscopen ewdmz.
Deze drie ontwikkelingen kunnen heel goed op het conto van de neocortex worden gezet. Kunnen we er zelf nog een paar bij verzinnen?
Bureaucratie en het (limbistisch?) “ingekapseld raken” in de instellingen, instanties en instituten? Dat was trouwens een issue waar we op terug zouden komen. Bij deze.
Hierboven bespraken we de mondigheid. Zou het kunnen zijn dat ook dat verschijnsel zich onder invloed van de communicatie-middelen en de inspraakmogelijkheden tot de curve heeft bekeerd?
En hoe zit het met het de ratio zelf? Neemt de neocortex zichzelf op de korrel? Ook steeds meer, zouden we zeggen. Cybernetica, artificial intelligence, zelflerende systemen, neurale netwerken, genetische algoritmen ewdmz. Het weten hebben we weten uit te besteden aan externe geheugens. Wie weet, of straks wordt de hersenloosheid gepropageerd. Of - nog sterker - wie weet, raken de hersenen in een soort natuurlijk groeiproces straks in volkomen vergetelheid.
De exponentiële curve is slechts voorbehouden aan de voortbrengselen van de neocortex. De primitieve hersenen hebben er geen deel aan. De emoties, de driften, de hunkeringen, de smachten ewdmz, maar ook de moralistische ethiek zijn op dezelfde manier blijven funcioneren zoals ze dat altijd al deden; qua ontwikkeling zijn ze dus achtergebleven bij de ratio. Sterker, Koestler meent zelfs een teruggang te ontwaren. (Hoe groter geest, hoe groter beest?) Mocht voor deze teruggang een curve met een negatieve exponent opgaan dan moeten we even kijken naar de inverse, dus naar de functie die het minteken heeft weggestreept. Hoe zouden we die inhoudelijk mogen bestempelen? Kinderachtigheid? Zou het kunnen zijn dat de kinderachtigheid in het “menselijk onderling” schrikbarend is toegenomen? En aan welke indicatieve meetlat zouden we dat kunnen aflezen? Daar denken we over na, om er later en verderop eventueel op terug te komen - b.v. a.d.h.v. de rijdende rechter.
Aan de evolutionaire scheefgroei (tussen ratio en emotio) wil Koestler iets gaan doen. Hij heeft maatregelen in petto. “We can only hope to survive as a species by developing techniques which supplant biological evolution.”
Daar schrokken we toch wel even van.
Maar dan komt hij (Koestler dus) met voorbeelden, voorbeelden die aantonen dat die “supplant” allang in gang is gezet. We worden als kind toch allemaal vaccinatief ingeënt? Tegen pokken, polio, kink ewdmz? Die dingen worden zelfs door de overheid voorgeschreven; het moet. Goed, dan gaat het om het somatische deel van ons leven. Maar ook het psychische moet er aan geloven. We hebben van oudsher al het manisch-depressieve, de schizofrenie, de epilepsie, het autisme en de paranoia. Daar zijn allemaal medicijnen voor. Ooit is er wel eens tegen geprotesteerd door b.v. bewegingen als de anti-psychiatrie. Die geluiden zijn vertstomd, we horen er niets meer van. Maar er geldt hier wel een ander regime. De pillen of prikken worden niet door de overheid voorgeschreven. Het enige wat de overheid in dit soort aangelegenheden doet is controleren (op o.a. eventuele vervelende bijwerkingen). Nee, het is de farmaceutische industrie die de oplossingen bedenkt. Voorschrijft? Of klinkt dat te complotterig? Hoe dan ook, genoemde industrie staat te popelen om te ontwikkelen als er weer eens een nieuw psychisch fenomeen wordt “ontdekt”. Münchausen by proxy? De ziekte van Asperger? De Borderline, die nog net niet in de goot ligt? Pseudologia-fantastica? P.D.D-NOS? Wellicht de dyslexy, de dyscalculie (moeite met rekenen), de dyshistorie (moeite met jaartallen) en de dys.ewdmz? ADHD? Allerlei nieuwe fobieën, allerlei nieuwe trauma’s, allerlei nieuwe verslavingen? Een burn-out? Fobia formularia pectoris? Post Traumatische Stress Stoornis - PTTS? Als je staat te neuzen in de DSM-3-schappen van al die nieuwe fenomenen, en je weet niet te kiezen, ja dan word je zenuwachtig. Wat zou ik, in godsnaam, nu toch hebben of kunnen krijgen? Je krijgt er bijkans ADHD van.
Vandaar dat we daar eventjes wat dieper op ingaan, op het Attention Deficit Hyperactive Disorder, dat b.v. met kamfer of Ritalin kan worden bestreden. Laten we eens proberen daar door een anti-psychiatrische bril naar te kijken - hoewel de anti-psychiatrie niet meer leeft. In algemene zin beweert of beweerde deze beweging dat de zogenaamde uitwassen in gedrag als gevolg van psychische ziekten een reactie zijn op een onleefbare samenleving of maatschappij. Een natuurlijke reactie maar liefst. Dan komen de pillen, en die pillen leggen de dissidenten het zwijgen op. Zodat de onleefbare maatschappij z’n haggie weet te redden en kan overleven. Ik zeg het misschien wat - zoals dat heet - kort door de bocht, maar in grote lijnen komt ’t er op de rechte stukken wel zo’n beetje op neer.
Hoe zou de onleefbare sparringpartner van het ADHD geheten kunnen worden?
Het consumentisme?
Vooruit, het consumentisme.
Hoe dat consumentisme weelt en tiert zou voor iedereen zichtbaar moeten en kunnen zijn. Een middagje winkelen en een avondje bladerend folderen zijn meer dan voldoende. Als je het allemaal serieus zou willen nemen dan word je er stapelgek van. Voorbeelden ga ik hier niet noemen, want het hopeloze productaanbod en de doorgeslagen marktwerking zijn al meer dan genoeg te grap gemaakt, door b.v. cabarettiers ewdmz. Maar dat sommige mensen aan die tureluurse stapelgekte bezwijken en van voren niet meer weten wat ze van achteren hebben aangeschaft, dat lijkt me duidelijk. (De markt is er trouwens ook dadelijk op ingesprongen; met POST-IT kleefbriefjes, die als reminder op allerlei werktuigen, apparaten, instrumenten ewdmz geplakt kunnen worden.) Ze hebben dan ADHD. En daar worden ze voor bestraald. Zodat het consumentisme de ziekte niet hoeft aan te zien en verder kan floreren. Denk trouwens niet dat het verschijnsel zich beperkt tot kinderen. Nee, volwassenen - zo klapte een volwassen ex-manager laatst uit de school - kunnen er ook last van hebben. En dan komt het dus door dat hopeloze aanbod van allerlei management-inzichten, die met graagte worden gepredikt door een groot en onverslaanbaar leger aan goeroe-goeroes.
We kunnen dus een gestage opmars zien op de weg die door Koestler wordt ingeslagen en beschreven. ’t Wordt alleen niet door de overheid geregiseerd; ’t gaat indirect, stiekem a.h.w.. O, en er zijn wel andere merkwaardige gebeurtenissen te melden, die uitstekend in het chapiter passen. Was het niet een fysiologen-echtpaar dat een aantal jaren terug, bij wijze van experiment, een soort emotie-thermostaat heeft laten implanteren? Zodat de emoties zich tussen ingestelde grenzen bewegen? Jazeker, dat is gebeurd. Of het experiment navolging heeft gekregen, dat weten we niet.
Dat was Koestler. Maar er zijn lieden geweest die over het fenomeen van de gestage hersenontwikkeling en de daaraan gelieerde verschijnselen heel andere inzichten ten toon hebben gespreid. Tegendraadse inzichten, maar liefst: er is geen sprake van een vooruitgang, maar van een achteruitgang. Die kunnen we binnen dit kader - wat was het kader ook alweer? komen we straks op terug - niet onvermeld laten.
De veel te beroemde Franse filosoof Bergson, bijvoorbeeld.. De directe, universele, allesdoordringende kennis zou zijn belemmerd door de ontwikkeling van het brein. De hersenen zijn immers de oorzaak van het feit dat wij vergeten; zij hebben een “remmende functie”. Daarom gaat het steeds slechter met de mensheid. De wetenschap die met die uitdijende neocortex is ontwikkeld is slechte wetenschap, want doet ons steeds verder verwijderen van het echte weten.
Hierop aansluitend de gebeurtenissen in de loop der tijden met de psychokinese. Die staan lijnrecht tegenover de ontwikkeling die Koestler, als eerste, aan zijn curve ophangt; namelijk de kracht. De psychokinese houdt ons voor dat we in mooie, arcadische perioden met gedachtekracht nog voorwerpen konden verplaatsen van een paar ton. In de negentiende eeuw bleef die kracht beperkt tot massief houten tafels van plus-minus 100 kilo. En in de jaren zeventig van de vorige eeuw kwamen we niet verder dan dobbelstenen en stukjes papier. Een curve dus, maar dan wel negatief exponentieel.
Deze samenvattende schets hebben we gejat van Rudy Kousbroek. Dat moet hij zich maar laten welgevallen, want ik heb - nee wij; Andries deed ook mee - ten slotte bij de laatste landelijke verkiezingen op hem gestemd. Voor wat hoort wat, zeg maar.

Dat is uit vervlogen tijden, o zoete herinnering

- sluis
- waterkering
- duiker (onderdoorse)
- naviduct (overheense)
- stuw
- schut
- dam
- dijk
- oever (uiterwaarde)
- bedding
- golfbreker

nut:
- natuur/schoonheid
- waterkrachtcentrale
- bevaren; de schepen van het vervoer
- spaarbekkens
- waterhuishouding
- witte steenkool

Duits: Gesellschaft.
Frans: société
Engels: society
Nederlands: samenleving + maatschappij

De VARA laat de wereld doormalen in een hijgerige geilheid, in een jakkerige jachtigheid naar nieuws, nieuwtjes en leukigheidjes in het nieuws van of over de nieuwtjes. De concurrentie van de commerciëlen moet ten slotte weerstand worden geboden; dus gaan ze, daar bij de VARA, de commerciëlen nadoen, zodat de commerciëlen in de oppervlakte toch hun zin krijgen. Te gast zijn ook vaak de branchegenoten, dat wil zeggen: lieden die op andere stations hun kop laten zien. Inteelt, inteelt.
De eerste associatie die ik had bij dat programma was een foto van tig jaren her in het lijfblad van de CPN, t.w. De Waarheid. Op de voorpagina konden de lezers kijken naar een hele grote berg doorgedraaide tomaten. Die tomatenteelt moet in de tijd, waaruit de foto stamt, onderhevig zijn geweest aan de varkenscyclus. In de piek van zo’n cyclus overtreft het aanbod de vraag. Op dat moment zijn de tomaten nauwelijks meer een cent waard, en worden eenvoudigweg op de schroothoop van het grof vuil gedumpt. Ziedaar, de ellende v/h kapitalisme.

1. Geen programma.
2. Niets te stemmen; geen verkiezingen.
3. De fouten; het CPB kan niet worden weggestuurd
4. Democratie
5. Geen emoties
6. Geen betrokkenheid
7. Geen arm - rijk; geen gezeik, iedereen rijk
8. Geen links - rechts
9. Geen ideologie
10. Onmenselijk (ontmenselijkte onmenselijkheid; culturele plasticiteit; maakbaarheid)
11. Geen gezicht
12. Geen trias politica
13. Geen spel/geluk

Punt dertien, twaalfde bezwaar.
Hetgeen hier allemaal wordt voorgesteld zaagt de poten weg onder het stelsel van de trias politica. En de trias politica is een mijlpaal in de geschiedenis van de beschaving. Daar kunnen we niet zonder.
O nee? O nee?
Zeker weten van wel!
Met de instelling van de CPB-regering zijn we namelijk verschoond van het onderscheid tussen de eerte twee van het drietal, t.w. wetgevend en uitvoerend, of - wellicht beter - tussen controlerend en uitvoerend, tussen parlement en regering. Immers, de geavanceerde programmatuur van het CPB zoekt o.g.v. de hoogst bereikbare algemene tevredenheid de juiste doelstellingen en vindt de daarbij behorende middelen op korte en lange termijn. Uitkomsten worden in iteratieve en recursieve slagen voortdurend getoetst aan de werkelijkheid. Een toetsend parlement is overbodig.
De derde macht bestaat enkel en alleen bij de gratie van de tegenstelling tussen macht-1 & macht-2. Als die tegenstelling, dankzij het CPB, is opgeheven dan kan en mag macht-3 ook naar huis.
En wat moeten we dan met het wetboek?
Ieder burger wordt geacht de wet te kennen. Zo heet het. Maar is dat wetboek eigenlijk wel te doorgronden?
Nee, overduidelijk nee.
En als de tegenstelling tussen de eerste twee machten is opgedoekt dan staat het wetboek in al zijn naakte atavisme te kakken.

Zomaar een artikel, t.w. artikel 3, van afdeling sine nomine, van titel 1, van boek 1, van het boek Personen- en familierecht, van het Burgerlijk Wetboek. Nee ... wacht even ... het was niet zomaar, het was dadelijk al, in de prille aanvang van de eerste bladzijde. Maar, desalniettemin, luister.

3.1. De graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning, een gerechtelijke vaststelling of een adoptie als een geboorte.
3.2. Door huwelijk of door geregistreerd partnerschap ontstaat tussen de ene echtgenoot dan wel de ene geregistreerde partner en een bloedverwant van de andere echtgenoot dan wel de andere geregistreerde partner aanverwantschap in dezelfde graad als er bloedverwantschap bestaat tussen de andere echtgenoot dan wel de andere geregistreerde partner en diens bloedverwant.
3.3. Door ontbinding van het huwelijk wordt de aanverwantschap niet opgeheven.

In 3.1. staat “hebben”. Dat is meervoud. Hetgeen betekent dat degenen die “hebben” alleen maar de geboorten kunnen zijn; immers, het enige substantief dat in het meervoud staat genoteerd. Op die manier komen we er achter dat:

Geboorten  bloedverwantschap

We waren thuis met z’n zevenen - ik noem maar een illustratieve dwarsstraat. Dat is:
- gerekend zonder ouders;
- gerekend zonder adopties e.d.;
- gerekend zonder bastaards (m’n ouders waren netjes);
om de illustratie simpel te houden. Ik heb b.v. drie broers en drie zussen. Heb ik nu een bloedverwantschapsgraad van 7? (mezelf dus meegeteld.) En mijn broers en zussen ook? (hunzelf dus ook meegeteld.) Het kan en mag - of mag en kan - dus eigenlijk niet zo zijn dat mijn echte broers en zussen met een andere graad aan bloedverwantschap door het leven gaan dan ik.
Moet zo’n graad van bloedverwantschap worden aangemerkt als een kenmerk van de entiteit “geboorte” (“kind”, om het simpel te houden)? Of is het kenmerk van toepassing op een andere entiteit? En als dat zo mocht zijn, welke entiteit? Het huwelijk? Het geregistreerde partnerschap?
Willekeurig een paar vragen.
Trouwens, ik zie mezelf niet door het leven gaan met uitspraken als “mijn graad van bloedverwantschap is ...”. Je loopt de kans de kroeg uitgeschopt of van de verjaardagsvisite weggetrapt te worden. “We waren thuis met z’n zevenen”, klinkt een flink stuk beter.
We waren nog niet verder dan het onder het Burgerlijk Wetboek ressorterende Personen- en familierecht, eerste lid van artikel 3 van titel 1 van boek 1 van genoemd Personen- en familierecht. En al zo veel vragen. Hoe zit dat met het tweede lid; want dat tweede lid is veel langer en m.i. ook veel ingewikkelder dan het eerste lid.
’s Proberen? Vooruit, vort met de geit. En die geit was in mijn geval mijn collega Andries. Die heb ik met deze taskforce opgezadeld. Dat komt omdat hij in tweede graad, via de aangetrouwde oom van zijn tante aan moederszijde, kind aan huis mocht zijn bij de geestverwanten van genoemde oom. En dat waren allemaal juristen. Het was een soort kring. Aan Andries heb ik gevraagd de gelegenheid te baat te nemen, mocht hij weer eens kind aan huis zijn, deze kwestie aanhangig te maken, of - op z’n minst - in de week te leggen. Dat heeft hij op zijn eigen, mij bekende, wijze gedaan.
Verslag.
“Ik had, uit het hele corpus, twee juristen op de korrel, Steven. Laten we zeggen dat ze elkaars tegenpool waren. De ene - laat ik ‘m A noemen - was een innemend, goedlachs, goed in het pak zittend, welbespraakt aanstormend talent. Althans, dat dacht hij van zichzelf - meende ik bij mezelf te denken. Hij zat in de advocatuur via een advocatenbureau. Daar had hij binnen een gering aantal jaren al flinke vorderingen gemaakt. Geringe zaakjes waren ‘m te min, maar toch wist hij met een minieme afhandeling het pleit altijd in zijn voordeel te beslechten. Toen liet het bureau hem voortstomen naar de echte zaken; zaken, trouwens, waar hijzelf ook altijd wel z’n zinnen op had gezet. En dat waren natuurlijk de strafzaken, waar de krantenkoppen en de camera’s respectievelijk van spreken en van tonen.
De tweede jurist heet B. Dat was een heel ander type, een rechtsfilosoof maar liefst, die zich ook wel eens te buiten wou gaan aan culturele en zelfs ethische kwesties. Waar A de bestaande rechtsorde, de praktijk, de wetboeken, de jurisprudentie ewdmz, eenvoudig voor lief nam en als een gegeven situatie beschouwde, waarbinnen (of waarmee) “praktisch” gewerkt moest worden, daar verloor B zich in beschouwingen en bespiegelingen over hoe het allemaal tot stand had kunnen of moeten of zullen komen.
Je weet, Steven, ik hou me altijd rustig. Boventonen zijn niet voor me weggelegd. Maar zo nu dan weet ik met minieme vragen een discussie - of moet ik discours zeggen? - toch wel een bepaalde wending te geven. Zo ook met het juristengezelschap. Kijk, dat we - jij en ik - voorstander zijn van een CPB-regering, dat heb ik in dat gezelschap niet gezegd; dat spreekt. Ik heb genoeg invoelingsvermogen om in te zien dat je de kat niet op het spek moet binden. Ik leid de mensen graag tersluiks naar mijn thema’s. Zo ook in dit geval.
Ik heb een oud-collega opgevoerd, vanuit de tijd dat ik nog bij een bank werkte. Ik weet niet of ik jou dat verhaal wel eens verteld heb, dus vertel ik het nog maar een keer - met natuurlijk de kans dat ik in herhaling val. Die oud-collega was een hele knappe jongen - een stud, zouden we tegenwoordig zeggen. Wiskundige van origine, maar hij sprak ook zijn talen en speelde niet onverdienstelijk piano.
Net als iedereen bij de bank moest hij zijn bankcursussen volgen en examens doen. Je had er een stuk of zeven, die allemaal waren onderverdeeld in modules. De examens kenden eenzelfde modulaire onderverdeling. Mocht je voor één van die modules zakken dan kreeg je voor dat ene onderdeel een herkansing via een herexamen. De module waar ik het, in verband met die oud-collega, over wil hebben heette “rechts-aangelegenheden”. Dan ging het b.v. over de juridische aspecten van zoiets onnozels als een kassabon of een kwitantie. De oud-collega, die z’n ganse leven was gefêteerd geweest op cum-laudes, liet het op dat onderdeel afweten. Hij zakte. En bij heropkomst zakte hij weer. Wij, de collega’s van die oud-collega, namen hem - die oudcollega dus - toen behoorlijk in de maling. Maar buiten dat, hebben we onder elkaar toch wel eens een vraag aanhangig gemaakt. En die vraag luidde: “Wat stelt die hele juristerij nou toch eigenlijk voor?”
Als zodanig heb ik, Steven, die vraag niet in de kring gegooid. Nee, dat heb ik om- en voorzichtig, behoedzaam en schoorvoetend gedaan, om zere tenen te vermijden. Ik heb min of meer off-topic gevraagd hoe het toch mogelijk was dat een begenadigd, schrander, begaafd, bijna briljant mens moeite had om juridische teksten tot zich te nemen, om ze dan eventueel te kunnen begrijpen.
Nou, of ik niet met voorbeelden kon komen.
Toen heb ik een wettenverzameling, die daar min of meer toevallig in de boekenkast stond, geplukt en dadelijk, op bladzijde 1, het eerste lid van jouw artikel aangekaart.
M’n aangetrouwde oom, zelf ook jurist, keek een beetje raar op. De anderen vonden het vermakelijk. Het was A die spontaan de taak op zich nam om het artikel voor te lezen. Nadat hij uitgesproken was, keek hij het gezelschap rond - we zaten ten slotte in een kring - en liet zijn blik, toen de cirkel was gesloten, op mij rusten.
“Ja, en?”, vroeg hij, “wat is daarmee? Dat is toch duidelijk?”
Ik heb toen geantwoord dat het voor mij helemaal niet duidelijk was en dat ik het artikel ook had voorgelegd aan een aantal vertrouwenspersonen - althans voor mij vertrouwelijk - en dat die personen er onderling ook niet goed uitkwamen. Dat ik gemeend had te kunnen bespeuren dat er iets in het geding was (een geding is toch iets juridisch?) van “zoveel hoofden, zoveel zinnen”.
“Verschillende interpretaties?”, vroeg B.
“Verschillende interpretaties, inderdaad”, antwoordde ik.
Ik had zojuist voor jou, Steven, een oud-collega opgevoerd, vanuit de tijd dat ik nog bij een bank werkte. Ik weet niet of ik jou het vervolg op dat verhaal wel eens verteld heb, dus vertel ik het nog maar een keer - met natuurlijk de kans dat ik in herhaling val.
Welnu, die oud-collega moest vanwege nieuwe bedrijfsinzichten zijn job roteren. En dat liet hij zich welgevallen. Maar wij, als collega’s van die oud-collega, spraken hem nog regelmatig bij gelegenheden zoals lunch, seminar, promotie-borrel ewdmz. Hoe het met ‘m ging, vroegen we dan. “Gaat wel”, antwoordde hij.
Maar na wat langer navragen kwam er - voornamelijk bij promotieborrels - toch wel een aapje uit de mouw. In zijn nieuwe baan werd van hem verwacht dat hij onderhandelde, dat hij sterk in zijn schoenen stond, dat hij in het heetst van de strijd punten in de wacht wist te slepen. Maar - zei hij - dat ging ‘m niet zo goed af. Tijdens de promotieborrels wist hij haarscherp uit de doeken te doen hoe onnozel de praatse argumenten van zijn tegenvoeters, waarvan wij er ook een paar persoonlijk kenden, in elkaar staken. Maar toch was hij voor die argumenten overstag gegaan. Om redenen van ...? Tja, gemakzucht, of een schouderophalend “gut, het zal wel”. Heel vaak had hij het gelijk aan zijn zijde, maar meestal kreeg hij geen gelijk. Zijn nieuwe baas sprak hem daar wel eens op aan; of hij niet eens wat sterker in z’n schoenen kon gaan staan, of hij niet eens wat meer zijn tanden kon laten zien. Immers, de wereld stak niet altijd “redelijk” in elkaar.
Cursus was zijn deel. Iets met doelmatig communiceren, iets met doelmatig vergaderen of onderhandelen, iets met “vuist op tafel”.
Hij liet het over zich heen gaan.
Waar wil ik nu eigenlijk heen met die oud-collega, Steven?
Nou, hier naar toe: dat ik hem mij stellig voor de geest wist te krijgen, niet alleen nu terwijl ik dit opschrijf, maar ook toen tijdens die cirkel-sessie. En dat ik toen dacht - dat weet ik nog, nu ik dit opschrijf - ik laat me niet in de luren leggen door die juristen. Ik laat niet af, hoe kinderachtig owdo (ofwatdanook) ze me ook mogen vinden.
Opnieuw ben ik toen naar de boekenkast gelopen en heb van een andere plank, een andere dan de eerste, het Groot Woordenboek Der Nederlandse Taal van van Dale weggenomen. Na te hebben gebladerd in het eerste deel, vroeg ik heel gemoedelijk aan B om de passage, waar ik een vinger bij legde, voor te lezen.

Bloedverwantschap, v., het bestaan in den bloede: de betrekking van bloedverwantschap wordt berekend door het getal der geboorten; elke geboorte wordt een graad genoemd (art. 345 B.W.).

Nou, Steven, toen kregen we toch een geharrewar in de kring, niet te geloven. A had de wettenverzameling erbij genomen en begon te bladeren. Mijn oom keek sip, of zuinigjes, of beide.
A: “welk boek van het Burgerlijk Wetboek?”
B: “dat staat er niet bij; maar het artikelnummer is toch voldoende?”
Ik: “nee, dat is niet voldoende; elk boek begint opnieuw te nummeren; die nummering gaat weliswaar over de subs van titels en afdelingen heen, maar op het boek-niveau loopt het door.
A: “goed, dan trek ik alle acht boeken van het B.W. eventjes na; ogenblik.”
Hij bladerde, en wist te melden dat boek 1 en boek 2 inderdaad een artikel hadden met het nummer 345, maar dat die artikelen niet handelden over bloedverwant-schap.
Ik: “dat is mij ook opgevallen.”
Mijn oom gooide bovenop zijn sip- en zuinigheid een paar blikken achterdocht. Ik besloot - indachtig het wedervaren van m’n oud-collega - me er niets van aan te trekken.
A: “tja, wat kunnen ze bij van Dale bedoeld hebben?”
B: “ik denk toch dat ze refereren aan artikel 3 van boek 1; daar zie ik de duidelijkste herkenningspunten.”
Ik: “eens; maar dan vraag ik me toch wel af hoe het mogelijk is dat een passage in de wet - die wij als gewone burger allemaal geacht worden te kennen - zo gedeukt kan worden overgenomen door een onkreukbaar instituut als van Dale?”
A: “ach, meneer Andries, overal worden foutjes en slippertjes gemaakt; dat is eenvoudigweg de wet van het leven.”
Ik: “ja maar, als je zo’n misinterpretatie al direct meemaakt op de eerste bladzijde van het wetboek, dan belooft dat niet veel goeds voor de Wet; bovendien worden de burgers, die geacht worden de wet te kennen, zelf voor de geringste foutjes of slippertjes al naar of voor de rechter gesleept.”
B: “wie is er nu mis, het wetboek of van Dale?”
Toen, Steven, heb ik een verhaal afgestoken. Ik geloof niet dat dat verhaal in goede aarde is gevallen. En waarom ik dat niet geloof? Dat zal ik je straks vertellen ... maar, eerst een samenvattende schets van m’n verhaal zelf.
Ik begon met van Dale. Maar het had net zo goed de Wet mogen zijn. Dat komt, Steven, omdat ik niet precies meer weet wat er eerder is geweest. Ik acht namelijk de kans niet uitgesloten dat van Dale de wet op een perfect juiste wijze heeft geciteerd. Maar dat was toendertijd, namelijk in de tijd dat van Dale met een nieuw woordenboek uitkwam. Toendertijd moest van Dale natuurlijk te rade gaan bij het wetboek van die tijd. Maar ja, ook het wetboek kent, net zoals het woordenboek, nieuwe releases.
O, je moet je nog onze eigen discussies kunnen herinneren, waar we het hadden over het Management of Change. Toen ging het trouwens om een heel andere kwestie, dat zal je nog wel bijstaan. Het hield toen verband met de computercentra, waar al die programma’s op elkaar moesten aansluiten. Als je iets in het codestelsel van het ene programma ging veranderen - uit welke overwegingen dan ook - ja, dan kon het andere programma geen aansluiting meer vinden; en als het al aansluiting vond dan was het een semantisch foute aansluiting. De programma’s luisterden niet meer naar elkaar; ’t werd één en al kakafonie. Nou, je weet, we hebben toen programmatuur ontworpen om die aansluiting in tijd goed te (kunnen) regelen. Daar zijn we rijk mee geworden, zodat we ons bureautje hebben kunnen opstarten. Hetgeen ... afijn, laat ik niet afdwalen. In feite stamt het begrip “Management of Change” - afgekort: MoC - uit onze eigen koker. Jammer dat we er destijds geen patent op hebben aangevraagd. Anderen zijn er nu mee aan de haal gegaan. Maar ja, we beseften toendertijd of toentertijd, in al onze naïviteit, nog niet dat een groot deel v/d wereld bestaat uit jakhalsen, hyena’s en gieren, uit kadavervreters.
Sorry, Steven, sorry dat ik even uitweidde; mea culpa, mea etcetera, zoals jij je wel eens weet uit te drukken. Ik zal terugkeren naar het eigenlijke onderwerp. De van Dale, waar ik van repte, en waar ik tijdens de juristen-sessie ook van heb gerept, grijpt terug op het wetboek. Nu moeten we dus weten wanneer de van Dale, waar ik mij op beroep, is uitgekomen. Dat was in 1989. Maar, en dat is cruciaal in dit verband, voordat het uitkwam moet er toch wel een flinke tijd aan gewerkt zijn. In die tussentijdse werkbare periode kunnen dingen wel eens onderhevig zijn geweest aan veranderingen. Vooral wanneer het om koppelingen of referenties gaat, kunnen die veranderingen de tussentijds tot stand gebrachte teksten het lexicon nog wel eens parten spelen. Want als per ommegaande De Staatscourant heeft bericht dat:

De graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal
der geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt.

in het onder het Burgerlijk Wetboek ressorterende Personen- en familierecht, eerste lid van artikel 3 van titel 1 van boek 1 van genoemd Personen- en familierecht, de plaats gaat innemen van:

De betrekking van bloedverwantschap wordt berekend door het getal
der geboorten; elke geboorte wordt een graad genoemd.

dan heeft de redacteur van van Dale, die net zijn tussentijdse tekst over de bloedverwantschap had afgerond en die de ommegaande Staatscourant had gemist, met zijn referentie niet raak geschoten.
Dus dan refereert ook de afgeronde nieuwe versie van van Dale naar afgedane zinsneden uit de wet. Begrijp je, Steven? Jawel, hè?
Maar afgezien van deze MoC-aspecten, wil ik met name de bedoeling van de inhoud even aansnijden. Want zowel de oorspronkelijke als de vervangende tekst deugen m.i. voor geen meter. Laat ik beginnen bij de eerdere tekst die om redenen, die ik hooguit kan vermoeden of bevroeden, vervangen moest worden door een latere vervangende tekst.

De betrekking van bloedverwantschap wordt berekend door het getal
der geboorten; elke geboorte wordt een graad genoemd.

Wat staat daar, in godsnaam, Steven, wat staat daar?
Tautopleonastische wartaal!
Een betrekking is toch in principe - en ook uit beginsel - al verwant? Wat wil zo’n betrekking nog toe- of afdoen aan het verwante? Niets toch? Dus, ergo, bijgevolg kan dat hele woord “betrekking” worden weggestreept, en algebraïsch worden geëlimineerd. Dan houden we een kortere zin over. En daar houden wij, jij en ik, toch zo van? Dus, ergo, bijgevolg:

De bloedverwantschap wordt berekend door het getal
der geboorten; elke geboorte wordt een graad genoemd.

Ja, een getal, of het getal - maakt even niet uit - wat is dat? Dat is òf een gegeven òf een uitkomst. Ik heb het gechecked bij een goede kennis van me, die kundig is op dit terrein en derhalve bekend is met deze materie; hij gaf me gelijk. Maar dat iets berekend wordt door een getal? Zoiets is toch volstrekt onmogelijk? Het getal der geboorten zou de bloedverwantschap berekenen?
Ach, Steven, je hebt lieden die het niet zo hebben op getallen. Een hoop van die lieden blijven er graag verre van. Vooral de juristen; als je graag academicus wilt worden, maar getallen zijn je abracadabra, dan kun je altijd nog nog kiezen voor de juristerij. Aan de andere kant heb je ook lieden die in een getal een soort magie zien; die geloven dat je met getallen kunt toveren. Daar, bij het wetboek moeten ze iets dergelijks gedacht hebben. Terwijl een getal, an sich genomen, geen enkele rekenkracht bezit.
Op een gegeven moment moeten ze dit binnen het juristendom toch ook wel beseft hebben? Hoe die zaak aanhangig is gemaakt, daar heb ik geen idee van. Misschien is het iemand van buiten geweest die het via een ombudsman, een klokkenluider of welke instantie dan ook heeft aangekaart. Maar het kan ook intern zijn opgerispt. Nogmaals: geen idee. Hoe dan ook, er is besloten om de wet inzake deze kwestie te wijzigen, hetgeen geresulteerd heeft in:

De graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal
der geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt.

Kijk, “wordt bepaald” is al een heel stuk beter dan “wordt berekend”. Maar dan blijf ik, zowel in de oude als in de nieuwe tekst, nog zitten met die graad.
Oud: elke geboorte wordt een graad genoemd.
Nieuw: de graad ... wordt bepaald door het getal der geboorten.
Ik kijk nog even in van Dale, onder bloedverwant. Die heeft het over familie en geslacht, maar maakt een, mijns inziens saillant, onderscheid in rechte lijn en zijlinie. “... zij die van elkaar afstammen(rechte lijn) of één gemeenschappelijke stamvader hebben (zijlinie)”
Over naar een voorbeeld. Ik neem voor ’t gemak mezelf. Ik heb ouders. Daar stam ik rechtstreeks van af; dus heb ik zowel met mijn moeder als met mijn vader een graad van bloedverwantschap in rechte lijn van 1. Mijn ouders hebben zelf ook ouders. Zij hebben dus op hun beurt met hun respectievelijke vader en moeder ook een graad van bloedverwantschap in rechte lijn van 1. De ouders van mijn vader en moeder, dat zijn mijn grootouders. Die liggen wat mij betreft in rechte lijn. Heb ik in die rechte lijn nu een graad van bloedverwantschap met mijn twee opa’s en oma’s van 2? En met mijn acht overgrootouders telt die graad 3? Met mijn zestien betovergrootouders 4? Zoiets?
Dit was, in dit voorbeeld, de rechte lijn.
Nu de zijlinie.
Met de zijlinie in de eerste graad zullen toch wel mijn broers en zussen bedoeld zijn? Mochten mijn broers en zussen kinderen hebben, dan zijn dat mijn neven of nichten. Die neven en nichten moeten of mogen oom tegen mij zeggen; het zijn zogenoemde oomzeggertjes. Mocht ikzelf kinderen hebben dan heten die kinderen voor de neven- en nichten-oomzeggertjes ook weer neef of nicht. Zou dit neef- of nichtschap de tweede graad in de zijlinie kunnen voorstellen? ’t Dunkt me. En voor achterneven en achternichten reserveren we graad 3.
Maar met de opvoering van het door van Dale onderkende onderscheid in rechte lijn en zijlinie breng ik mezelf, en daarmee ook het wetboek, wel in moeilijk-heden. Want we krijgen te maken met twee soorten graden. En hoe weet je nu uit de wet om welke soort het gaat, als het wetboek de twee begrippen “rechte lijn”en “zijlinie” niet gebruikt?
Ik wil voorstellen de beide soorten graden op elkaar te leggen. Ik wil, m.a.w., proberen er eentje van maken.
Of dat lukt?
Eerst maar weer eens mijn eigen voorbeeld.
Het bloed van mijn broer of zus kan ik alleen bereiken via mijn ouders, dus indirect en niet rechtstreeks. En het bloed van mijn neef of nicht loopt, qua bereik-baarheid, langs een nog langere omweg, namelijk via de opa of oma van pa- of mazijde. Het is met die zijlinie dus “trapje op” en “trapje af” in de stamboom-structuur. Tel al die treden bij elkaar op, zou ik zeggen, en je krijgt een getal, voorstellende de graad van bloedverwantschap.
Door uit te gaan van het begrip “bereikbaarheid” denk ik in staat te mogen zijn beide soorten graden onder een enkele noemer te brengen. Want, immers, ook de “rechte lijn” kan zich ermee verstaan. OK, het is dan wel geen “stapje op & af”, maar alleen “stapje op”.
De bereikbaarheid is dat echter worst. De bereikbaarheid telt alleen de treden, of ze nou trapopwaarst, trapafwaarts of beide lopen.

Eenzelfde soort verhaal kan ik houden voor het aanverwantschap. Je weet, dan gaat het om zwagers, aangetrouwde omen, schoondochters, schoon.ewdmz. Ook daar is “bereikbaarheid” prima op van toepassing te brengen. In de kring heb ik dat maar achterwege gelaten. Achterwege? Welnee, ik kreeg er totaal geen gelegenheid voor. En waarom niet?
Ja, dat heeft toch te maken met mijn hierboven beleden geloof, dat mijn verhaal niet in goede aarde is gevallen. Kijk, Steven, zoals ik het jou net uitlegde, zo is het in de praktijk niet gegaan. Mijn “samenvattende” tekst heb ik gelardeerd met allerlei uitlatingen die ik in dat gezelschap niet heb gebezigd. ‘t Meeste is alleen voor jou bedoeld. En waarom? Omdat ik het aan dat gezelschap niet kwijt kon, merkte ik gaandeweg. En toch, en toch? Ja, toch, wil ik het kwijt. Vandaar dat ik jou, met wie ik kan lezen en schrijven, enigszins misbruik als aanspreekpunt - nu ik je toch spreek.

(Ja, en nu ik je toch spreek, nog even een extra tussendoortje. Vandaar de “tussenhaakjes”. Kijk, Steven, dat punt van mij met die bereikbaarheid, dat kun je verder doortrekken; omdat er in de wereld wel meer punten zijn. Met mijn bereikbaarheid heb ik bereikt dat ik van twee begrippen er eentje kon maken. En zoiets heeft ontzettend veel voordelen. Je praat dan a.h.w. met één tong, en niet met een dubbele. Je ruimt ontzettend veel misverstanden uit de weg. En wat strekt de mensheid meer tot voordeel dan misverstanden - huidige en toekomstige - uit de weg te ruimen en/of te voorkomen?
Over die andere punten in de wereld komen we tezijnertijd nog wel eens te spreken. Maar één herkenningspunt wil ik je hier, ter plekke dus, graag aanreiken. ’t Gaat om iets wat jezelf in woord of geschrift - dat weet ik niet meer - hebt aangekaart. Het algemeen equivalentwaar van Marx, later door modernere economen omgetoverd in ongedifferentieerde koopkracht, en gewoonweg door het gewone volk eenvoudig “geld”genoemd. Dat Geld is toch een pracht van een vondst? Bovendien is het idee ook geïmplementeerd. Iedereen “gebruikt” toch geld?
Want stel nou, Steven, dat we ons ganse leven waren vastgeklonken aan de ruilhandel, stel hè? Dan moeten we voor:
- 1 jas
- 10 pond thee
- 40 pond koffie
- 1 mud tarwe
- 2 ons goud
- ½ ton ijzer
- 20 el linnen
steeds de onderlinge ruilverhoudingen in de gaten gaan zitten houden. Als het om tien goederen gaat heb je te maken met vijfenveertig van dat soort verhoudingen. En dan heb ik het alleen nog maar over tastbare producten. Bij de diensten is het nog ingewikkelder. Hoe weeg ik een loodgietersklusje af tegen een huishoudelijke beurt; een lekkere, eigengekookte maaltijd tegen een uur counceling? Zeg ’t maar. Nou, degene die het weet te zeggen, dat is het Geld. En dat Geld wordt bovendien ook nog eens door nagenoeg iedereen begrepen.
Ik wil maar zeggen. Ach, en jij hebt ’t op bijna dezelfde manier gezegd.
Maar dat laat onverlet de andere punten in de wereld, Steven, die op soortgelijke manier bekeken kunnen worden. We komen er nog wel over te spreken. Ach, en eigenlijk heb jij er al over geschreven, Steven. Wou jij niet “gewoonte” en “gebruik” op elkaar klappen, d.w.z. aantonen dat ze van hetzelfde laken een pak zijn? Nou dan?
Hiermee beëindig ik, tussen haakjes alsmede met/tussen komma’s, mijn “tussenhaakjes”.)

Verder met de juristensessie.
Dat de teksten uit het wetboek en uit van Dale, zoals ze in aanvang aan de orde kwamen, uit mijn koker kwamen, dat klopt wel zo’n beetje. Dat balletje heb ik inderdaad opgegooid. Maar ik heb me daarna voorbeeldig gedragen en toch voornamelijk de heren van de cirkel uit de kring laten praten. Goed, die MoC heb ik ook ingebracht, OK. Maar toen op een later moment de schematiek begon te gloren, pas toen heb ik aan mijn oom gevraagd of ik gebruik mocht maken van zijn schoolbord naast de boekenkast. Dat mocht, en zo kreeg ik min of meer het heft in handen. Ja, en om de heren van de kring uit te leggen wat ik bedoelde had ik toch wel eventjes wat meer tijd en voorbeelden nodig dan mijn bovenstaande tekst doet vermoeden.
Goed, tot zover ging het allemaal nog redelijk wel.
Maar toen ik met conclusies en aanbevelingen - alles heel netjes, hoor Steven, heel netjes; alles vragenderwijs met b.v.: “is het nu niet zo dat ...? kan het niet zijn dat ... ? je kunt je afvragen of ... waarom is dan ...? - aan kwam zetten werd de sfeer grimmiger.

Bloedverwantschap, aanverwantschap ... maar geestverwantschap, daar ben ik helemaal niet aan toegekomen, zelfs in mijn geest niet. Terwijl ik daar, nu ik dit zo opschrijf, mooie stamboom-gedachten over zou kunnen ventileren.

De juristen begrijpen dat m.i. niet. Dan lijkt het me, als gevolg daarvan, godsonmogelijk dat een jurist deze materie in een wetboek aan het publiek zou kunnen uitleggen. En dan begrijp ik blikemsgoed dat sommige delen van dat publiek dat hele wetboek aan hun laars lappen.

Getal, aantal, nummer, cijfer

En zo kun je het hele wetboek doorploeteren, en gaandeweg langzamerhand allengs beseffen dat je tegenover volstrekte nonsens staat - nonsens die wij, als burger, allemaal ge(tr)acht worden te kennen

De graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal der geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt.

Laat maar, de redactie ziet het toch niet, dus

Onverwijlde spoed
lik-op-stuk, boter-bij-de-vis
pluk-ze

Stel, u hebt een prachtig opgetuigde onderneming. Alles is organogrammatisch in staf en lijn aangekleed en in een tel van een oogwenk transparant overzichtelijk te maken. P&O weet wat het moet doen, net zo als het secretariaat. Alle afdelingen staan geëchelonneerd keurig in het gelid. Alles ademt efficiency, effectiviteit en kwaliteit. De overhead telt een minimum aan bureaucratie. Het hele werknemersvolk is in moten pluksgewijs de hei opgestuurd, om aldaar - onder de (bege)leiding van een gerenommeerd bureau - via een teamroltraining de team-spirit op te schroeven. Kortom: het apparaat is een wonder van slagkracht.
Maar nu komt de cruciale vraag. Wat moet deze gestroomlijnde onderneming aan de man brengen? Waar staat de onderneming voor? Welke producten verkopen ze?
Tjaja, gutgut, sakkerlotissimo, parbleu in majeur, daar vraagt u wat, daar vraagt u wat. Eigenlijk zou in zo’n, aan de steigers van het theoretische bureau uit het studeerkamervertrek ontfutseld model elk product of elke dienst moeten passen. Toch? Maar ja, als de markt er niet naar is dan ... ja dan vis je achter het net, hoe sophistcated en geavanceerd het hengeltuig ook mag zijn.

Zo ook een politieke partij met een prachtig regentesk apparaat, die achteraf nog een ideologie moet zien te verzinnen.

Darwin.
Kijk, dat de creationisten (met hun intelligent design) nadrukkelijk en expliciet de teleologie binnenhalen, dat is duidelijk. Da’s ook het mooie van de gelovigen; ze zijn duidelijk. De mensheid heeft bij hun een doel; het leven is niet nutteloos maar staat in dienst van ... vul maar in of aan.
De evolutietheorie staat daar lijnrecht (min of meer lijnrecht) tegenover. Maar toch slepen ze, wellicht min of meer per ongeluk, de teleologie binnen. Ze verslikken zich wel eens en laten de natuur een bedoeling hebben. Terwijl de natuur nooit bedoeld is geweest om bedoelingen te hebben.
Waarom heeft een vogel vleugels?
Om te kunnen vliegen, natuurlijk.
Ja maar ... waarom zouden er beesten moeten zijn die kunnen vliegen? Waar is dat - in godsnaam - voor nodig?
Om ons, mensen, van de vogels het vliegen af te kunnen laten kijken. Zodat - of: “opdat”? - wij in staat worden gesteld, weliswaar met vallen en opstaan, vliegtuigen te bouwen, die ontzettend nuttig zijn bij het transport van zowel mensen en dieren als goederen, en als vakanties.
Maar als de natuur dat soort voorzienigheden in zich draagt, waarom heeft diezelfde natuur ons - mensen - dan niet meteen al met vleugels uitgerust? Die omweg via de vogels ontgaat me. Of is het de bedoeling van de natuur om ons -mensen - een beetje te treiteren en uit te dagen?
Waarom zou de natuur ons willen uitdagen? Waar is dat - in godsnaam - voor nodig?
Om ons, mensen, een beetje scherp te houden. Als we dadelijk alles maar in de schoot geworpen krijgen dan hebben we geen deel van leven, sorry: Leven.
Ja maar, waarom zouden we scherp gehouden moeten worden? Waar is dat - in godsnaam - voor nodig? Als het Leven in essentie scherpte is, had die scherpte dan dadelijk gegeven.
Enzovoort.
En er is veel “enzovoort”.
Zelfs Darwin zelf bezondigt er zich aan. En ook zijn adepten, bijvoorbeeld Dawkins, bezondigen zich eraan. Dat met die Dawkins laat ik door Andries uitdiepen. D’r wordt m.a.w. later op teruggekomen. We zullen elkaar later, u als lezer en ik als schrijver, dus wel weer eens ontmoeten. Tot straks - om het zo maar ’s uit te drukken.

Natuurlijke selectie heeft een bedoeling?
En die bedoeling is een goede bedoeling?
Er steekt niks kwaads in?
Maar waaraan ijk je goed-kwaad?
Nou?
Aan buitenaardse standaarden?
Er zijn toch ook diersoorten die het hebben afgelegd? Was dat nodig? Nodig terwille van de natuurlijke selectie?

De kwestie van de geslachten speelt de mensheid parten, heeft de mensheid altijd parten gespeeld en zal de mensheid tot in lengte van jaren parten blijven spelen. Zonder geslachten geen mensheid, zeg maar.

Want als de topman van een politieke partij zijn eigen partij positioneert in het “relatieve midden”, dat kun je aan je theewater voelen dat die theemutspartij geen koers heeft. Dan moet de partij het overgeven aan het kwanselse kieskompas of aan ...
Het midden is namelijk altijd relatief. En dat geldt ook voor rechts en links. “De kerk staat links van de kruidenierswinkel en rechts van de groenteboer.” Dan zal dat vanuit de hoofdstraat bekeken zijn. Maar vanuit de achterstraat, die parallel loopt aan de hoofdstraat, ligt het anders. We komen dan uit bij de olijke Prof. Dr. ewdmz Diepenhorst. “Links van mij ... voor de kijkers rechts ... rechts van mij ... voor de kijkers links.” Een goede vriend van mij heeft inzake deze kwestie een prachtige grap in de voorraad van zijn moppentrommel. “Waar staat de mayonaise? Links van de mosterd. Waar staat de morsterd? Rechts van de mayonaise.” Ha, ha, ha!
Het hangt er dus maar van af waar je gepositioneerd bent.

Als de Bijbel stichtend is, dan moet dat betekenen dat we, als mensheid, er richtlijnen aan kunnen ontlenen voor ons doen & laten, voor ons handelen. Maar de wereld ziet er, sinds de Schrift geschreven is, intussen heel anders uit. Hoe de teksten te duiden? Dat wordt een exegetische tour de force van jewelste filologie. Want De Heilige Schrift geeft de mensheid geen aanwijzingen hoe om te gaan met clusterbommen, gokapparaten, grondstoffen, moderne communicatie-middelen, moderne vervoersmiddelen ewdmz aan moderniteiten. Daarvoor moeten we te rade bij het wetboek, het verkeersreglement, allerlei statuten. Of bij het Ietsisme, dat weet te vertellen dat er meer tussen hemel en aarde is dan wij, als mensheid, (n)ooit kunnen bevroeden. O, en je hebt tegenwoordig ook spirituele ontdekkingsreizigers die ons o.a. kunnen bijstaan in het relishoppen.
Op gezette tijden duiken er sektes op die een Verlosser in aantocht zien komen, mitsgaders het Einde der Dagen. De aanhangers van zo’n sekte spoeden zich naar oorden, meestal hoger gelegen oorden, om daar gered te worden en het eeuwige leven in de wacht te slepen. Ooit was een gezaghebbend Secretaris Generaal van het ministerie van economische zaken ook in de ban van zo’n beweging. Hij vertrok naar Spanje, maar de voorspelling van het Einde der Dagen bleek niet uit te komen. Terwijl zijn Macro Economische Verkenningen van weleer heel vaak de spijker op de kop sloegen. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat zo’n man zich bezondigt aan Verlossers-waan? In godsnaam, ja!
Trouwens, wat moet zo’n Verlosser? Beter: waar verlost zo’n Verlosser ons van?
Van onze zonden?
Stel dat we, vanuit een metafysisch standpunt, het Leven als zonde en verspilling hadden bestempeld - stel hè. Dan zou zo’n verlossing ons van het Leven moeten willen ontdoen. Om de doodeenvoudige reden dat het Leven per definitie al zondig en verspillend is.
Maar goed, de meeste mensen doen niet meer aan metafysica. En mochten ze er wel aan doen, dan hoeven ze nog niet bovengenoemd metafysisch standpunt aan te hangen. Dat standpunt was enkel uit illustratieve redenen, om een soort nulpunt in het Leven te roepen, verzonnen.
Maar toch, maar toch, dat hele gedoe met zo’n Verlosser - die een soort eindafrekening komt afrekenen - zegt niettemin wel het één en ander. Er moet gedoeld zijn op een mens - als het al een mens mocht zijn - die de uiterste perfectie, de uiterste zuiverheid, de volledige volmaaktheid belichaamt. Een “af” mens.
Heeft zo’n mens eigenlijk wel deel van Leven?
O, het kan een kluizenaar zijn, een heremiet ewdmz, eventueel Diogenes; hij/zij kan zich uitzonderlijk afzonderen. Maar vreten moet ie, en onderdak behoeft ie ook, en als er per ongeluk ’s een keer iemand langskomt dan zal hij toch het godvergeten fatsoen in z’n pokkel moeten hebben om te groeten. Zelfs Alexander de Grote - al was het maar om hem weg te jagen uit de schaduw.

   

Steven Wende,

Je hebt wederom een beestachtige hoop woorden gebruikt om je punt te maken. Heeft "hoe groter geest, hoe groter beest" daar wat mee te maken? Dat was trouwens een spreekwoord wat mijn moeder ook nogal eens bezigde wanneer ik mij weer eens een beetje misdragen had; ze had het ook wel over "gekrulde haren, gekrulde zinnen", maar dat terzijde.
Erasmus had het over de lof der zotheid en misschien is al die gekkigheid inderdaad ergens goed voor.
De maatschappij evolueert en de motor van evolutie is variatie. Bij evolutie is niet te voorspellen welke kant die op gaat, de hoop is dat de maatschappij ontwikkelingen die gewenst zijn een grotere overlevingskans biedt dan andere. Geheel volgens het CPB werken zou betekenen dat je er van uit gaat dat het CPB al van te voren weet wat gewenste ontwikkelingen zijn. Experimenten met planmatige ontwikkeling hebben dit niet aangetoond, integendeel, ze zijn allemaal op mislukkingen uitgelopen.
Variatie is broodnodig. Het beste wat je kunt doen is een politieke partij oprichten die geen welomschreven doel heeft, als je de ontwikkelingen maar goed in de gaten houdt en waar nodig wat bijstuurt, niet veel, een beetje is al genoeg en dan zal het wel goed komen; onplezierige verassingen daargelaten, daar lijkt weinig tegen te doen te zijn.
Maar als jij denkt dat je met een roman ook een knuppel in het maatschappelijke hoenderhok kunt gooien is dat ook prima. Het doel heiligt de middelen, als je dat maar in de gaten houdt. Overigens, is het schrijven van een roman zoals jij dat voorstelt eigenlijk ook geen onduidelijke politieke activiteit?

   

“een beestachtige hoop woorden”
Daar zouden wij over kunnen vallen, over zo’n zinsnede. Maar geheel in lijn met de missie van De Ommekeer doen wij dat nou juist niet. Wij zien het als een compliment.
Hoe leggen we dat uit? Hoe leggen we dat zo “kort mogelijk” uit?

Ruim 10 jaren geleden zijn wij begonnen met het verzamelen van teksten van columnisten. Dat was niet een plotse inval. Nee de gedachte sluimerde al een tijdje. Want je hebt een hele hoop columnisten of - als je wilt - “opiniemakers”. Het ging om lieden die we allemaal in de rubriek “maatschappelijk”, “politiek” of “wijsgerig” zouden kunnen plaatsen. Hun bijdragen leveren ze vaak in de vorm van - soms vaste - columns. Maar het mogen ook ingezonden stukken zijn die een plaats krijgen in krant of weekblad in b.v. het katern “opinie en debat”.
Hoeveel lieden hebben we weten op te sporen.
Even kijken in onze tabel.
Dat zijn er welgeteld 96 stuks. Ze hebben allemaal een nick-name aangemeten gekregen.

Een willekeurig voorbeeld.

http://www.tzum.info/2015/01/nieuws-marcel-van-dam-stopt-als-volkskrant-columnist/

In den beginne verzamelden we nog op een ouderwetse manier. De stukjes uitknippen en - met eventueel commentaar - in een mapje stoppen. Ja, en als zo een tijdje bezig bent dan wil je er ook wel ’s iets mee gaan doen. Dat ligt voor de hand.
Vandaar dit Blog.
We hebben dus heel veel gegevens. Aan de hand van deze data kunnen we de zaak “uitmodelleren”. Hoe die techniek precies werkt doet hier eigenlijk niet ter zake. Dat is elders al ’s toegelicht.
Zie:

http://filosofie.be/blog/over-de-ethiek-van-de-seculiere-samenleving/3835/de-israel-lobby-in-de-vs-en-in-de-wereld-1/

http://filosofie.be/blog/kweetal/3798/universeel-denken/

Ja, en dan bekruipt ook nog wel ’s een keer een bui. Zo van ”zullen we gewoon ’s een keer proberen mee te doen aan dat geklessebes?”
Ballorig. Recalcitrant. Zo van, “als al die lieden naar hartelust hun scheten mogen laten, dan kan De Ommekeer ze ook nog wel ’s een poepie laten ruiken”.

   

Bert, ik heb jouw omschrijving van "de roman" als "onduidelijke politieke actie" overgenomen. Bedankt voor de omschrijving.

   

LeonH,

Geen dank, maar ligt het niet voor de hand dat die romanschrijvers een verborgen agenda hebben, als ze het schrijven tenminste niet om den brode doen? Persoonlijk lees ik al jaren vrijwel geen fictie meer, de realiteit vind ik boeiender en daar is het aanbod al overstelpend. Met mijn 75 jaar weet ik onderhand wel wat ik mis en moet ik wat meer op efficiëntie letten als ik een beetje bij wil blijven. Wat de mensen met elkaar doen of willen doen kom ik trouwens ook zonder lezen wel achter. Dat ik daarmee als een cultuurbarbaar beschouwd word weegt op tegen het feit dat de meeste mensen wetenschapsbarbaren zijn.

   

Bert, inderdaad een verborgen agenda, als het er niet dik bovenop ligt om gewoon rijk en beroemd te worden, is dat misschien iets als de perversie overbrengen.
Ik heb ondertussen veel van Arnon Grunberg gelezen, en lees zijn columns uit de Volkskrant, en weet niet in zijn geval waar het ligt, misschien is het zelfs de kunst van het verstoppen van wat je nu eigenlijk als politiek wereldbeeld hebt, voor hem.
De roman "Moedervlekken" kon ik niet meer uitlezen, zo vervreemd als ik raakte van wat nu rationeel het (politieke) doel van het boek was. Ik hoop natuurlijk wel dat je dat uiteindelijk zelf kunt bepalen door de eventuele kritiek op een dergelijk boek vorm te geven.

   

Te ver van de blog-band wegzwemmen kan behoorlijk gevaarlijk zijn. Zelfs voor een geoefend zwemmer ligt er verdrinking op de loer, het is net als bij een verslaving, je kunt wel denken dt je ervan af bent maar dat is een illusie, verslavingen kunnen als zevenkoppige monsters steeds weer toeslaan. Het zwemmen en de band zijn te zien als de ziel en het lichaam, het blijft ten aller tijde ( vreemd ik heb toch echt altijd maar drie fouten bij het Nationaal Dictee) raadzaam het lichaam in de gaten te houden. Het lichaam dat als niet-ik zorg draagt voor de ziel die denkt de baas te zijn. Het duo heeft zich vooral gevormd door hoofden van mannelijke denkers die zich filosofen zijn gaan noemen, vrienden van de wijsheid maar vooral ook van zichzelf. Was er geen zorgdragend lichaam met armen als een gesloten band dan zou die ziel binnen de kortste keren verzuipen om nooit meer terug te keren. Als samenwerkingsverband zijn ze echter een prima echtpaar, elk met hun eigen eenzijdigheid.

Toen Descartes schreef dat hij was omdat hij twijfelde was het zijn ziel die dat kon, het reinig lijf is helemaal niet tot zoiets in staat maar juist door dat wegzwemmen van de band komt de ziel los van die ene mogelijkheid waarin hij gevangen zit en kan zich vrijelijk bewegen. Hij kan zelfs zijn eigen band verloochenen, haar kussen prijsgeven aan een spirituele eenzijdigheid waarbij de zot nummer 1 komt te staan. De zot die zodanig aan alles twijfelt dat hij niet meer is, zelfs geen zot meer is, en die dan ineens uit het niets zijn ziel ziet opdoemen getrokken uit zijn eigen modderpoel. Een eenmaal bekomen van dit feit een god ziet en hem op nummer twee zet in zijn catalogus en er een nummer drie bij verzint omdat alle dingen nu eenmaal in 3en komen, voilà de wereld.

Het is archaïsch denken in een nieuw jasje, filosofen zijn er gek op. Niet zozeer op het denken zelf maar op het steeds meer creëren van nieuwe problemen ten faveure van hun eigen melancholie, zoals een bakker houdt van deeg om zijn oven mee te verwennen. Het is natuurlijk ook een geweldige uitvinding geweest van die eerste filosofen, dat scheiden der dingen. Stel je een eenheid voor van geestelijk en lichamelijk bestaan en het leven zal niet half zo leuk zijn. Zonder problemen is de mens gedoemd te mislukken. Het moet wringen zijn als we spreken over het ik, het ik dient ontwijkend te zijn en voor problemen te zorgen en de antwoorden die voor de problemen gevonden
worden moeten allemaal plaats krijgen in een ‘derde wereld’ waar het feest is, een wereld om vrij uit te putten.

Zo is de grootste filosofische vondst dat wij allen geluk zoeken.Zolang de denkende mens bestaat,
houdt dat hem oude been. Terwijl het verschrikkelijk moet zijn 24/24 hr gelukkig te zijn, zonder ook maar het geringste probleempje. Kijk en dan vind ik het leuk om op zo’n moment eens even in het beste boek van 2015 te lezen wat die daar van zegt Mat 24/24: want er zullen valse profeten en valse messiassen komen, die indrukwekkende tekenen en wonderen zullen verrichten om ook gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden.

Een beetje gelukkig op de bank zitten is er niet bij want er zal altijd wel weer een bank zijn die lekkerder zit, ethischer geproduceerd of esthetischer in aangezicht. Moeten we het geluk dan maar laten varen? Nee, geluk kent ook zijn mooie momenten maar er zal altijd sprake zijn van een soort achtervolgingswaan ofwel een erkende vorm van krankzinnigheid. Argwaan , jaloezie, de strijd om het willen winnen zijn zaken die altijd op de loer zullen liggen maar zonder hen kan geluk ook weer niet ten volle zijn. Als we dingen uit gaan sluiten van geluk is ze niet meer volmaakt en zolang ze niet volmaakt is kunnen we niet de hele dag op de sofa gaan zitten niksen, mocht je dat prettig of boeiend vinden.

Geluk heeft veel te maken met het in overeenstemming brengen van je waarneming en je interpretatie. Kloppen ze dan ben je niet gelukkig maar ergens in het midden zal de grens te vinden zijn van jet optimale geluk, daar waar het bovenstaande eentonige vorm ontstijgt en ons tot nieuwe hoogten voert, zonder aan concurrentiedrang ten onder te gaan. Dit interpretatievermogen zou je ons hoogste goed kunnen noemen en juist niet het Ene, het Goed, of het Grote Geluk. Hoe adequaat te reageren op onze waarnemingen. Er is zeker een mate van intelligentie nodig, hoewel iedereen het in feite kan. Je moet in staat zijn verbanden te leggen, kenmerk van intelligentie.
Daarboven moeten we af van het idee dat interpretaties antwoorden zijn. Waarom zou ik een antwoord willen op een waarneming, dat is de valkuil. Je kunt tien keer iets zien en de derde keer er een verklaring aangeven omdat je een bepaald patroon herkent maar de elfde keer blijkt er ineens iets heel anders het geval te zijn. Je kunt tien keer iets zien en het denken te begrijpen en dan de elfde keer ineens te denken, yep nu begrijp ik het pas echt, mijn kwartje valt en het is toch hetzelfde als die andere keren. Die antwoorden zijn op die manier weer nieuwe problemen en kunnen het best onmiddellijk verwezen worden naar het Derde Rijk waar ze weer een ander nut kunnen dienen.

Het grootste probleem van geluk is dat we het willen generaliseren terwijl het in de volkswijsheid nu juist in de kleine momenten zit. Maar het generaliseren van geluk blijkt nodig om politiek te kunnen bedrijven. Hebben we geen geluk om voor te streven dan kan het parlement naar huis, de commissies, regering etc. Nu wil het wrange geval dat ook in de politiek, zoals in de filosofie, geldt dat er feitelijk alleen nieuwe problemen worden gemaakt met een generalisatie van geluk in het vaandel. Terwijl onze veiligheid van alle kanten in gevaar raakt maakt politiek nederland zich nu druk of de jeugd en in hun gevolg wij allen, wel alcohol mogen drinken. Het kosten en batenplaatje was voor het CBS nog wel even een punt want hoewel het de zorg erg veel op gaat leveren wegens gemiste ziektes, is het kostenplaatje rijk gevuld met gemiste accijnzen, kosten van (alcoholische)vergrijzing, ontslagen in de zorgsector. Toch moet het worden doorgeduwd als oude probleemstelling in een nieuw jasje alcoholgebruik moet net als roken behandeld worden als melaatsheid. Waarop er weer een nieuw probleem ontstaat want alcohol blijkt nu juist een prima remmer van het crisisgevoel en daar zijn ook nog problemen waar aan gewerkt kan worden. Dit alles komt dan door de generalisatie van geluk.

Esse est percipi zei bisschop Berkeley maar juiste interpretatie is het juiste Fressen .

Zo reist de mens een beetje door het filosofisch landschap, her en der wat problemen oppikkend waar weer nieuwe problemen uit kunnen ontstaan. In onze koffers zitten verwachtingen, irreëele en reëele, zonder dat heeft reizen geen zin, en een doel. Een doel is makkelijk maar niet noodzakelijk. Niets heerlijker om bij de hoek van de straat pas te bedenken welke kant je opgaat maar in dat geval is de verwachting gebombardeerd tot doel. Als we geluk hebben stevenen we niet rechtstreeks af op het voldoen aan onze verwachtingen maar maken we tussentijdse uitstapjes of staan stil bij schoonheid. Gelukkig heb ik in mijn achterna reizen van irreëel verwachtingen altijd veel schoonheid gevonden in de eenvoudige dingen van de natuur, een schermbloem, ja zelfs een dampende paardenvijg kon mij vaak beroeren. O, gaan we het nu ineens over mij hebben? ik dacht anders zo objectief en afstandelijk mogelijk begonnen te zijn en na deze faux pas wil ik daar weer graag naar terug, maar niet voor nu.

   

Wies,

In het grijze verleden hield ik mij met z.g. delta modulatie bezig. Dit was een eenvoudige methode om een analoog signaal, in mijn geval een signaal afkomstig van een microfoon waar iemand tegen sprak, om te zetten in een digitaal signaal waarbij iedere 100 microseconden bepaald werd of dit de waarde +1 of -1 moest hebben .
Daartoe werden die achtereenvolgende waarden bij elkaar opgeteld en vergeleken met het analoge signaal. Wanneer de opgetelde waarde te groot of te klein was werd het digitale signaal respectievelijk op -1 of +1 gesteld.
Om uit het digitale signaal de analoge waarde weer ongeveer terug te krijgen was het dus voldoende de achtereenvolgende waarden bij elkaar op te tellen. Ongeveer, omdat het gereconstrueerde analoge signaal stapsgewijze veranderde en de snelheid waarmee dit veranderde te groot of te klein kon zijn om het analoge signaal goed te kunnen volgen.
Dit leidde tot het idee om de stapgrootte te varieren. Het moge duidelijk zijn dat wanneer het digitale signaal altijd van teken verandert, de stapgrootte blijkbaar te groot is, omdat het resulterende analoge signaal dan nauwelijks verandert, ondanks kleine veranderingen in het oorspronkelijke analoge signaal. In dit geval ligt het aantal overgangen in de buurt van 100%.
Evenzo, wanneer het digitale signaal nauwelijks van teken verandert, dan is de stapgrootte blijkbaar te klein omdat het resulterende analoge signaal grote veranderingen in het oorspronkelijke analoge signaal niet kan bijhouden. Hier is het aantal overgangen dicht bij 0%.
Om de stapgrootte te variëren werd deze zodanig geregeld dat het aantal overgangen ongeveer 60% bedroeg. Boven of onder deze waarde werd de stapgrootte respectievelijk verkleind of vergroot. Het resultaat was de z.g. "digital controlled delta modulation", die vergeleken bij andere methoden even eenvoudig als effectief was. Jammer genoeg was toen het pleit al beslecht voor z.g. Mu-law conversiemethodes, maar dat terzijde.
De clou van het verhaal is dat digitale signalen met een overgangsdichtheid van 0% of 100% blijkbaar te ordelijk zijn om informatie kunnen bevatten. Alleen als het signaal schijnbaar een rommeltje is heb je er wat aan.
Via deze lange omweg moge het misschien ook duidelijk zijn dat het leven waarschijnlijk alleen maar interessant is wanneer we er een zootje van maken.

   

Reuze interessant, Bert.
Zo heb ik me behoorlijk lange tijd beziggehouden met radiostraling uit het heelal. Mij leraar in deze was J.S.Hey, tot ik het zelf allemaal een beetje in de gaten kreeg. Ervaring gaat toch boven alles, daar zullen de meeste filosofen het wel met me eens zijn. Jouw delta modulatie deed me denken aan de magnetische veldstructuur zoals je wel ziet bij optisch polarisatie.
Polarisatie is een dankbaar begrip mals het gaat om het schrijven van een roman. Neem nu de roman bij uitstek over polarisatie: Who is afraid of Virginia Woolf.
Ik zag van de week dat het weer opnieuw bewerkt is als toneelstuk. De linken naar filosofie zijn eindeloos, alles draait tenslotte om polarisatie. Mij werd door een deskundige uitgelegd dat hier waarschijnlijk sprake is van een polarisatie die gestoeld is op liefde. Zo lust ik er nog wel een. George en Martha laten , waar mogelijk, geen spaan van elkaar heel. En natuurlijk kun je daar liefde onder zien in de trant van na regen komt zonneschijn en zoals je het zien kunt in de radiogolflengten. Maar als in een magnetisch veld van 1/1000 gauss voldoende is om waargenomen straling te produceren, maakt dat het magnetische nog zeker niet gevoeliger. En dat is dan ook wat ik tegen de filosofische roman heb. Er zijn aardige pogingen gedaan door franse filosofen maar er moet steeds zoveel omheen worden uitgelegd dat je beter meteen een hoofdstukje uit een meer theoretisch boek kunt doornemen.
Het voordeel van een roman vind ik wel dat er zowel een begin als wel een eindpunt is aan te wijzen. Terwijl ik nog geen wetenschapper ben tegengekomen die de plug heeft ontdekt van leven, van een mens. Hoe kwam dat allemaal zo, waarom zijn we zoals we zijn als we onszelf niet verzinnen?

Je kunt nog zoveel verhalen vertellen, en dat bedoel ik dat in de brede betekenis, ook een wetenschapper vertelt verhalen. en een ander verhalen en verhalen, en er zelf weer op aan sluiten met andere verhalen, je kunt er mooie romans mee krijgen maar de eerste bladzij bereik je niet. Hoogste een verschuiving in tijd, in een fase, maar bij de dop kom je niet.

Ik was dagenlang verstrooid, verscheurd, mijn eigen romanpersonnage. Maar hoe ik die verwarde stukjes ook aan elkaar probeer te rijgen, hoe ik ze ook sorteer en optel, ik kom er niet verder mee.
Was ik daar verstrooid of ben ik juist niet verstrooid. J.S. Hey zal het wel weten want die kijkt enkel naar zijn telescoop, berekent het radiovermogen van cygnus of van centaurus. Hij ziet geen zwaan of geen centaurus, hij ziet enkel radiocorona en nevelstaartjes met zijn plaatsvervangend optisch oog.

Stel ik doe een paar snelle strepen met houtskool. Wat ziet een romanschrijver en wat een wetenschapper? En dan heb ik het nog niet eens over het kind die er een spinnetje over ziet kruipen of opgelaten ballonnen in het zilver van het grijs.

Hoeveel bagage moet je hebben om voort te kunnen, hoeveel jassen, hoeveel schoenen?

   

Om op je laatste vraag te antwoorden, Wies: in principe twee (paar). Eén om te dragen en één als reserve.. En er leven nog steeds genoeg mensen met niet méér dan dat, en niets wijst erop dat ze ongelukkiger zijn dan de alleshebbers.
Socrates was niet ongelukkiger dan Descartes, en ook niet dommer. Ik denk eerder andersom.

Ik ga even boodschappen doen, straks verder, DV. Dat DV zeg ik er tegenwoordig maar even bij, voor alle zekerheid. Dat is geen bijgeloof, maar een privégrapje tussen mij en God. Deze keer is dat: Als je me bij mijn nekvel wilt pakken, mij best, maar mag ik dan alsjeblieft nog wel even de geleisuiker halen voor de kweeperengelei?

   


Wie zou armer geweest zijn, Descartes of Socrates?

   

Is rijk zijn voor jou een criterium voor geluk? Ooit gehoord van 'Money is the root of all trouble'?

We zitten momenteel in een periode waarin liefdeloosheid en hebzucht onstuitbaar de boventoon voeren, en waarvan het einde bij lange na niet in zicht is.
En jij voelt je daar prima bij? Curieus...

Ik vermoed trouwens dat Socrates rijker was dan Descartes, anders had hij niet zoveel tijd gehad om op straat door te brengen.

   

Sofia,

Je kunt Socrates en Descartes niet als representen van hun respectievelijke tijdperken opvoeren. Als je naar de gemiddelden kijkt ziet het plaatje er minder gunstig uit voor Socrates en helemaal als je dat met het huidige gemiddelde vergelijkt.
Dat neemt niet weg dat ook nu nog niet iedereen zich één jas met één paar schoenen kan veroorloven.

   

Sofia,

Jij vergeleek Socrates met Descartes. Ik wou begrijpen wat je daarmee bedoelt.

En een bepaalde hoeveelheid geld is voor sommige mensen noodzakelijk. Niet voor Socrates, maar volgens mij was dat vooral omdat hij tot de rijke elite van Athene behoorde.

Doorgaans hebben mensen die zeggen dat geld niet gelukkig maakt er voldoende van.

   

Het lijkt hier een beetje te stokken bij gebrek aan titel, zonder titel ben je nergens. Elke roman heeft behoefte aan een houvast wat niet wil zeggen dat je de titel later niet mag veranderen maar iets van een werktitel is een must, nog belangrijker dan de beginzin, waar ik later misschien op terug zal komen. Bij het schrijven van een filosofische roman is een titel zo mogelijk nog belangrijker omdat daar de titel meestal verwijst naar een term uit het dagelijkse leven maar die op een filosofische manier heel anders wordt ingevuld omdat begrippenparen daar een andere benadering vraagt.
Zo is de pest in la Peste van Camus niet echt de pest maar de plaag van het kwaad die de mensen van goede wil maar in de weg zit en dat dan door de ogen van een tienjarige jongen. Ik wed dat Camus een werktitel gehad moet hebben bij het schrijven van zijn boek. Hij had zijn boek ook Het Kwaad kunnen noemen of het Eeuwig voortwoekerende Virus.

Voedsel der aarde, had ik ook mooi gevonden of Verleiding van de Dood.

Hoewel het boek beschreven wordt door de ogen van een jongen is het zeker geen kinderboek anders was het misschien wel De schatgravers van Oran want het gaat er uiteindelijk over hoe vat te krijgen op het kwaad.

Gaan alle romans daar eigenlijk niet over?

Een passende werktitel voor een filosofische roman lijkt mij Pas op of Kijk!

Luisteren we bijvoorbeeld naar de tafelconversatie van een gezin te Meppel dan zullen we daar niet veel van begrijpen, nog even los van het dialect waarin mijn neigt hele woorddelen in te slikken en te rommelen met de klinkers. Wat ontbreekt is het verband. In een literaire roman wauwelt het zaakje er lustig voort, gaat het meer om het literaire aspect maar in de filosofisch getinte roman gaat het meer om de werkelijkheid van de situatie en de bezigheden van de personages daarin.

Sleutelwoorden zijn daarin heel belangrijk en dienen steeds weer terug te keren. Wat dat betreft is er sprake van een zelfhulpboek (brrr, ik gruwel van het woord alleen al) die het eigen denken kan ordenen aan de hand van begrippen als werkelijkheid, waarheid, zin, goed en kwaad, gevoelens etc. Het schrijven is een schrijven voor iedereen, dus veel omvattender dan een filosofisch boek met een gericht geïnteresseerd publiek.

Neem nu een passage uit een boek dat ik zelf ooit begonnen ben maar dat in de prullenbak is beland met nog twee boekenplanken andere ongeschreven boeken van mijn hand. Het is een passage op een dorpsplein, in het midden staat een muziektent waar zich een concert afspeelt van harde rockmuziek van Blut und Wiedersehen.
Er wordt een gat geslagen in je associatievermogen, je vult er twee emmers mee, alvorens het gat weer langzaam sluit (voor heel even maar). In de emmer zit de schat , de schat die in ieder mens al verborgen zit maar waar het denken nog uitgedacht dient te worden, uitgekristalliseerd. In de emmers zitten oa gitaren en koperblazers met gemillimeterde koppen, veel tattoos in rijke schakeringen van bloeddoorlopen kleuren, blinde en dove voorbijgangers, sommige houden even stil om te kijken naar de bewegingen, er staat misschien een man onder een boom, als gemarkeerde toeschouwer, overschrijdende decibellen, maar ook schande en angst, woede, verbolgenheid, ja zelfs ook trots, alles zit erin, god als orkestleider of juist een dirigent zonder hoofd, enkel met een stok.

Alles is geest en onbeschreven boek tot je gaat schrijven. In die zin kan je ook de boel behoorlijk verpesten met dat schrijven maar dat is dan aan de lezer zelve. In het meest gunstige geval reikt hij je er ook nog prijzen voor uit. Ik zie een kop voor me in de Trouw, een jonge vrouw over haar jeugd, de kop luidt, in het gunstigste geval schrijft je kind geen boek over je.

Het geestesproduct dat het boek in aanleg al is draagt de lezer al in zich ook al wil niemand het boek lezen. Als ik schrijf over een verzamelaar van voedsel , denk ik daar onlosmakelijk al familie bij, onroerende goederen door arbeid of door erfenis, moraal, het utiliteitsbeginsel, een vernauwd godsbegrip (waarom zou je anders verzamelaar worden) hobby's, bepaalde mate van volkscultuur, blank van kleurling en altijd wel een mate van onderdrukking. De eventuele lezer draagt dit automatisch met mij mee, zij het gedeeltelijk of misschien echt maar een frutseltje, dan toch is de lezer aanwezig in het geschrevene. Je zou kunnen zeggen dat de lezer zich verschuilt in de letters.

   

Iedere schrijver schrijft zichzelf. In die zin is iedere roman een poging tot zelfbevestiging. Daarom las ik vroeger altijd meerdere boeken achter elkaar van een schrijver die ik interessant vond. Zoals Doris Lessing, Zij begint met haar kindertijd, en eindigt (voor mij) -tig boeken later met 'A summer before dark'. waarin ze na een korte 'uitbraak' met hangende pootjes naar haar promiscue echtgenoot terug gaat. Een vreugdeloze toekomst tegemoet.
Daarna ben ik opgehouden met lezen, omdat ik voorvoelde wat er zou gaan gebeuren en dit te dicht bij mijn eigen leven kwam.
En soms is het net andersom: is een boek zó'n grote leugen, dat de waarheid er torenhoog bovenuit springt.
Met andere woorden: iedere roman is voor de 'goede' lezer een autobiografie.van de schrijver.

PS Ik merk dat de tia niet helemaal over is: ik heb er ontzettend lang over gedaan om alle letters van autobiografie op de goede volgorde te krijgen.
Dus kan ik na de volgende tia misschien helemáál niet meer schrijven, Lijkt me vreselijk, want mijn hersens werken nog wèl.

   

Intussen, ergens anders op deze planeet:
https://www.technologyreview.com/s/602639/how-vector-space-mathematics-helps-machines-spot-sarcasm/
Voor Jürgen Schmidhuber zal dat geen verrassing zijn:
http://people.idsia.ch/~juergen/creativity.html
In het kader van de huidige discussie over een zelfgekozen levenseinde zie ik nog wel eens een buitensporig grappige machine om je dood te lachen. Wordt het einde het leukste wat je kan overkomen. Maar dit terzijde.

   

Siger en Bert, nog even over het vergelijken van Socrates met Descartes. Want ik was geen tijdperken aan het vergelijken, of rijkdommen, maar gééstelijke rijkdom. En in dat opzicht doet Socrates zeker niet onder voor Descartes, Zijn rijkdom bestond uit tijd.
En hetzelfde geldt voor "geld maakt niet gelukkig". Dat is oppervlakkig bekeken zonder meer wáár: hoe hoger je banksaldo, hoe meer je je kunt permitteren. Ook aan 'slecht gedrag', en dat gaat dan van.billenknijpen tot miljardenfraude, the sky is the limit.. Hoe meer geld dus, hoe meer vreugde.
En over dat soort dubieus geluk had ik het dus.

   

Een vergelijking van Socrates en Descartes is hun gelijke uitgangspunt.

Socrates motto was 'te weten dat hij niets wist' waardoor hij al zeker 'iets' wist.
Descartes herhaalt die beweging door te twijfelen zodat er, ook voor hem, 'iets' overbleef waarvan hij zeker was.

   

Kun je nu ècht niets anders bedenken dan quasi diepzinnigheden, Ursula? Zie je niet hoe volslagen off the point al die 'bla-bla geleerdheid' is die je uitkraamt?
Als je daar niet mee ophoudt ben je straks helemáál het spoor bijster.
En wat nog erger is: dat bange kleine meisje dat je in werkelijkheid bent help je ermee van de wal in de sloot.

Maar ja, misschien is dat net wat je nodig hebt. Gods wegen zijn wonderbaar - en ondoorgrondelijk.

   

Zie jij niet wat Socrates en Descartes op het spoor kwamen? Opnieuw van de vliedende sloot van Heraclitus naar de vaste wal van de ideeën.

Zag je met die onscherpe ogen alleen bla bla? Maar oudje toch.

   

Ik weet niet hoe oud je bent, maar het is nooit te vroeg om te gaan nadenken. Of je dat wilt is jouw zaak.
Maar in ieder geval word je er niet groter van als je op mijn hoofd gaat staan.

Het is gewoon waar je voor kiest: je eigen weg of je eigen graf.

   

Zou Socrates een andere weg hebben kunnen wandelen dan de weg naar zijn graf? Vreemd, hij heeft de gifbeker toch aanvaard.
En Descartes is ziek geworden en kortstondig daarna overleden. Zou dat ook anders hebben kunnen lopen?

   

Vreemd? Het was vreemd geweest als ze waren blijven leven.

Enfin, ik laat het hierbij. Alleen tot slot nog een grapje:

Komen twee wormen tegelijk boven de grond.
"Goh," zegt de één tegen de ander, "wat ben jij verschrikkelijk mooi, wil je met me trouwen?"
Zegt de ander:
"Jawel, maar dat kan niet, ik ben je eigen achtereind."

Nadenkertje,hè, ben benieuwd of je het snapt.

   

Nu verwijs je natuurlijk naar Plato! Vanuit het ongedifferentieerde benoemt de idee 'de Een' en stelt zodoende 'de Twee' in.
En de aardworm is het materialisme - komende vanuit de aarde. De Logos of 'de Vraag' vertegenwoordigt het idealisme en deze installeert het 'da-Sein'.

Sofia, en dit alles stop jij zomaar even in een grapje! Waw.

   

Natuurlijk verwijs ik naar Plato, en natuurlijk heb jij superslimme Ursula dat meteen door! Knap hoor.

Maar de waarheid is een beetje anders. Mijn vader was een in alle opzichten on-orthodoxe dominee, die zijn preken vaak begon met een grap in plaats van een Bijbeltekst. En dit was er één van.
De gemeente schoot in de lach, en toen ze uitgelachen waren voegde hij eraan toe: " En zo zijn jullie nu ook: je houdt alleen van je eigen achtereind."

Weet je wat mijn vader altijd zei? Boeren zijn de beste filosofen die er bestaan.
Dus zou je je misschien eens moeten opgeven voor 'Boer zoekt Vrouw'.
Gewoon om eens te kijken wat daarvan waar is. En wat er dan van jouw theorieën overblijft.

Maar ja, dan moet er natuurlijk wel een boer zijn die zit te wachten op een vrouw die niet beseft dat melk uit een koe komt, en niet uit een kartonnen pak. En die een taal uitkraamt waar de honden geen brood van lusten...

Zie je nu dat er zomaar méér kan zitten in een grap? Nee, natuurlijk niet, want daarvoor moet je gevoel voor humor hebben, èn benul. En bovenal liefde - zonder het voorvoegsel 'eigen-'...

IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid (najagen van wind)... Tja...

   

Boeren de beste filosofen? Zo slim was je vader dan toch weer niet, wat een domme uitspraak. Maar tja, daarom was hij dan ook dominee.
Maar we zien nu wel waar jij je praatjes vandaan hebt.

Nietzsches vader was ook dominee, en Friedrich heeft wel wat te vertellen! Zo zie je maar, wat een wereld van verschil.

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie