De wereld van de doden

In de blog: De zwarte doos reacties: 3 pdf print

De wereld van de doden is het ideaal van de moderne, wetenschappelijke objectiviteit. Dat dit zo kan beschouwd worden is op typerende wijze besproken door Boehm, onder meer in zijn Economie en Metafysiek. In deze blog vermeld ik deze bespreking, en maak dan de sprong naar de waarheidstheorie van Davidson, zoals besproken door Filip Buekens, die een pleidooi maakt om objectiviteit niet af te zonderen van de menselijke praktijk, en op die manier een interessante parallel maakt.

Een start in de fenomenologie

Boehm is u door mijn teksten alvast geen onbekende meer, maar is misschien toch nog een vreemde. Het is dan ook een vreemde zoektocht die zijn filosofie heeft gehad: als jonge Duitser heeft hij ooit nog de vraag gekregen om Heideggers privé-assistent te zijn, maar is daar niet op ingegaan. Hij verhuisde dan naar België toen daar de vraag bestond om iets te doen met het Husserl-archief van Leuven.

Deze start in de fenomenologie van Husserl en is Boehm steeds bijgebleven. Het radicale inzicht van Husserl is voor Boehm het volgende: het subjectivisme, met zijn sceptische inslag op waarheid, "als zijn eigenste werkelijkheid waar te maken" [p.85, Economie en Metafysiek] Anders verwoord, de schijnbare wereld, dat is de wereld die we subjectief ervaren, is de enige wereld die van belang is - "de enig werkelijke, de werkelijk waarnemingsmatig gegevene, de steeds ervaren en ervaarbare wereld te zijn - onze alledaagse leefwereld "[Husserl, _Die Krisis der europäischen Wissenschaften, p.49].

Gaan zoeken naar een tengrondslagliggend iets, zoals de wetenschap dat wil doen met de objectieve of 'ware' wereld, is enkel maar van belang voorzover ze iets over deze (schijnbare want subjectieve) leefwereld prijsgeeft. Vanuit Husserl zegt Boehm daarentegen dat deze schijnbare wereld, onze leefwereld, enkel te verklaren is vanuit ons belangenleven, een thematisch wezen van objecten in ons bewustzijn. En dit geldt ook voor de wetenschap:

Nu is geen enkele 'wetenschap' in staat zich te onttrekken aan de werkelijkheid van de schijnbaarheid van de leefwereld: ook zo'n wetenschap kan zich alleen maar doen gelden doordat ze in de eerste plaats, 'in overeenstemming met onze belangen', in de leefwereld 'thematisch' wordt, bij voorbeeld vanwege haar belofte tot succes, nog vooraleer de vraag rijst naar haar 'waarheid' of 'onwaarheid'. [...] Maar hoe staat het met deze ware wereld zelf, die ook de moderne wetenschap misschien nog steeds wil ontdekken? Heeft ook niet hij zijn eigen werkelijkheid, desnoods 'naast' die van de leefwereld? [p.89, Economie en Metafysiek]

Boehm neemt fameus afstand van Husserl wanneer deze toch een objectivistische toer uitgaat, en zich verheven wil voelen boven de "bodem van de leefwereld":

In plaats van zich op grond van zijn inzicht in te laten met het belangenleven van de leefwereld, als de 'enig werkelijke wereld', en zich bij voorbeeld af te vragen waarin onze belangen gegrond zijn en waarin ons waar belang gelegen is, voelt de filosoof zich hiervan 'bevrijd'. Hij voelt dat hij 'erboven' staat en erboven verheven is. Hoezo dan niet op grond van een zuiver 'theoretisch' belang, dat niets te maken wil hebben met enig 'praktisch' (ethisch, politiek, economisch) of 'poietisch'('technisch') belang? Maar spreekt een dergelijke aanmatiging Husserls eigen fenomenologisch 'principe van alle principes' ("Prinzip aller Prinzipien") [...] niet tegen, namelijk "dat alles, wat zich aan ons in de 'intuïtie' originair (om zo te zeggen in de lijfelijke werkelijkheid) aanbiedt, eenvoudig te nemen is als wat hoe het zich voordoet, maar ook uitsluitend binnen de grenzen waarbinnen het zich voordoet" [...] waaraan "ons geen enkele denkbare theorie kan doen twijfelen"? [Economie en Metafysiek, p.92, zelf citerend uit Husserl]

Dood aan de leefwereld

Boehm gaat dan voort op de vraag hoe het dan zit met die eigen werkelijkheid van de ware wereld, die de wetenschap ontdekken wil. Het blijkt dat die wereld zowat het tegengestelde van de leefwereld is. Bewijzen vindt hij bij Galilei, in zijn uitleg over secundaire kwaliteiten:

Ik beweeg mijn hand nu eens over een marmeren beeld, dan eens over een levende mens. Wat de handeling van de hand betreft, is zij met betrekking tot die hand dezelfde over het ene als over het andere object [...]; het levende lichaam echter, dat dergelijke handelingen ondergaat, wordt verschillende gevoelens gewaar naargelang de aanraking van verschillende lichaamsdelen [en wordt het bij bepaalde aanrakingen een kitteling gewaar]. Maar deze kitteling is alleen volstrekt onze zaak ... en na verwijdering van het levende en gevoelige lichaam is zij niets anders meer dan een loutere naam. [En zo ook] smaken, geuren, kleuren en andere. [p.95 Boehm; Il Saggiatore, p.262]

Of nog bij Boyle:

Mocht een speld in een vinger van een mens gestoken worden, en wel een tijdje vóór en een tijdje na zijn dood, dan zou de inwerking van de speld, hoewel op beide tijdstippen even scherp en in beide gevallen een gelijke wonde openend, in het eerste geval toch pijn veroorzaken, niet echter in het laatste, omdat de gestoken vinger het vermogen van de waarneming mist; waren er dus geen gevoelige lichamen, dan zouden die lichamen, die nu het voorwerp van onze zintuigen zijn, weliswaar in staat om kleuren, smaken en dgl. voort te brengen, maar actueel bezitten ze alleen die meer algemene eigenschappen van lichamen, figuur, beweging, textuur, enz. [p.96 Boehm]

Boehm zit dit als volgt samen:

Wanneer de moderne wetenschap nu alleen maar in staat was zich te doen gelden door de belofte dat de 'seriegewijze' herhaling van haar experimenten succes zal opleveren [zoals doorheen heel het boek besproken,wd], en wanneer echter het voor deze wetenschap funderende 'gedachte-experiment' het hier weergegevene experiment van een doding van alle gevoelige leven was, moest deze belofte dan niet heimelijk de belofte zijn om de leefwereld met succes te vernietigen? [p.98 Boehm]

Verder zegt Boehm dat het 'natuurlijk' niet kan kloppen dat men aan een sterfelijke nuttige resultaten kan beloven van een wetenschap aangewend voor het geval dat [of alsof] hij dood is. Maar samengaand met het wereldbeeld van de wetenschap is de idealisatie van de houding van apathie, "de ongevoeligheid van een lichamelijk bestaan dat weliswaar nog bezield is, maar niet langer ontvankelijk voor het zien en horen, voor smaak, geur en gevoel." Het spreekt voor zich dat men dit kan lezen als een overdrijving. Ik stel echter voor om dit "de wetenschappelijke bril" te noemen, die enkel niet alomtegenwoordig is omdat zo'n bril kan afgezet worden. Maar wanneer zo'n bril enkel afgezet wordt in onze "vrije tijd", waarin we effectief vrij zijn omdat onze acties minder gevolgen hebben dan in onze wetenschappelijke of technologisch werk-tijd, denk ik dat we meer hebben aan zo'n overdrijving dan aan een onderschatting ervan.

Davidson, Putnam, en het belang van wetenschap voor waarheid

In het boek "Kritiek van de interpreterende rede" van Filip Buekens gaat deze auteur in op het gedachtengoed van Donald Davidson. Buekens gaat in dit boek onder meer in op thema's uit de Philosophy of Mind en plaatst hierin op interessante manier de filosofie van Davidson tegenover die van Hilary Putnam, wat betreft het begrip waarheid. Het is in die mate interessant dat ik eindelijk begrepen heb wat zo cruciaal is aan de waarheidstheorie van Davidson: hij zet hierin de leefwereld van de mens centraal.

Dit is niet zo voor Putnam. Buekens behandelt uitgebreid Putnam's standpunt in zijn artikel The meaning of 'meaning' (Mind, Language and Reality, p.215-271). Dit standpunt is in deze uitspraak samengevat: "Meanings ain't in the head". Dat wil zeggen, elementen buiten onszelf leggen de betekenis vast, en des te meer elementen buiten onszelf er zijn om iets te bepalen (Putnam heeft het beroemd over H2O, en het bepalende effect van de verschillende eigenschappen van wat wij kennen als 'water'). Een belangrijk gevolg hieruit, en het gevolg waarop Davidson zich richt, is:

omdat deze externe elementen vreemd zijn aan de agent, impliceert dit dat de agent niet (altijd) de volledige inhoud kent van wat hij zegt of gelooft.[p.183, Buekens]

(Terzijde: Putnam beperkt deze onvolledig gekende externe elementen enkel tot 'natural kinds'; dit staat los van onze discussie maar u weet het nu.)

Wie Davidson een beetje kent, weet dat dit gevolg verwoestend zou zijn voor zijn waarheidstheorie, waarin interpretatie centraal staat en vooral het principe dat het publieke gedrag van een spreker te koppelen is aan opvattingen die voor de spreker bekend zijn (of zoals Buekens het stelt, "dat betekenis voor de agent én zijn interpretator publiek is").

Voordat we daarop ingaan, eerst nog een ander gevolg. Wetenschap krijgt in Putnam's standpunt een centralere positie voor het vastleggen van betekenis. Buekens bespreekt dit als volgt:

Putnam stelt het volgende: de meeste mensen identificeren water op grond van stereotypische kenmerken: fenomenologische en functionele eigenschappen. Een groep experten kan water op grond van chemische eigenschappen identificeren - de [dwz net en enkel die] eigenschappen op grond waarvan de term 'acqua'[,] als een term die een natuurlijke soort aanduidt, mag beschouwd worden. Hij besluit daaruit dat enkel experten de betekenis van de term 'acqua' kennen. Het inzicht luidt dat sommige mensen méér over water weten dan anderen. [p.187, Buekens]

Buekens is niet gekant tegen dit inzicht, maar wil het niet zoals Putnam beschouwen als iets zeggend over betekenis, maar liever over kennis. Het gaat niet om een linguïstische maar over een cognitieve werkverdeling in de samenleving: "kennis over de werkelijkheid is niet altijd gelijkmatig gedistribueerd over personen en onze interessen zijn (gelukkig) niet gelijk. Hier is sprake van cognitieve werkverdeling" [ibid., Buekens].

Het begrip waarheid bij Davidson en het mentale

Davidson's centrale idee is deze: voor het interpreteren van personen is het delen van overtuigingen over een gemeenschappelijke wereld noodzakelijk, en dit is mogelijk omdat veel van onze overtuigingen over de wereld waar zijn. Dat ze zo vaak waar zijn komt omdat we causaal in contact staan met die wereld, betrokken zijn op die wereld. Tot zover kan men dit alles nog volgen zonder enige kritiek op de "dodenwereld" die in het begin van deze tekst is besproken. Anders wordt het wanneer we dieper ingaan op de interpretatie van overtuigingen en handelingen:

Als we aan iemands zinnen waarheidsvoorwaarden toekennen doen we dat in het kader van het interpreteren (leren begrijpen) van de handelingen van die persoon. In dit project zijn we verplicht het waarheidsconcept te hanteren om die persoon begrijpelijk te maken. Waarheid wordt reeds op het niveau van het begrijpen van personen geïntroduceerd, niet op het niveau van wat wetenschappelijke theorieën ons over de wereld zeggen. (...) [De misvatting van Putnam is] dat het voor een interpretator relevant is een onderscheid te maken tussen wat de agent denkt dat het geval is en hoe de werkelijkheid er vanuit een standpunt zou uitzien dat ons wetenschappelijke theorieën over de werkelijkheid oplevert [p.189, Buekens].

Dit is des te meer zo omdat mentale gebeurtenissen (in de termen van Davidson) zich niet wetmatig laten voorspellen en verklaren. Hiervoor moeten we ingaan op Davidson's positie van anti-reductionisme.

Anti-reductionisme van Davidson

In de woorden van Buekens' boek kan men de positie zo verwoorden. Centraal bij Davidson staat, zoals gezegd, interpretatie. Interpretatie is een coördinatieoefening waarbij de zinnen die de agent met zijn mentale gebeurtenissen verbindt, afgebeeld worden op zinnen die de interpretator gebruikt (p.229). In deze oefening, dwz een praktijk, is het essentieel dat de interpretator verklaringen (en dus ook oorzaken en effecten) kiest in functie van zijn opvattingen enz. Dit is iets geheel anders dan een klassiek-wetenschappelijke, beter gezegd een nomologische verklaring, die oorzaken en effect verklaart door wetmatigheden (van het soort die we in de dodenwereld van Boehm zagen). Dat beiden niet kunnen gecombineerd worden, is precies omdat een interpretator zijn verklaringen moet geven over de leefwereld, waar de zgn. wetmatige elementen zich oneindig vermeerderen. In een passage die verwijst naar het 'Gavagai'-konijn van Quine:

Het is onmogelijk alle voorwaarden op te sommen waaraan een agent moet voldoen om te geloven dat er een konijn voorbijloopt, want het zou vereisen dat men alle overtuigingen van de agent over konijnen (en over behaarde dieren, en over voortbewegende dieren) en alle fysische feiten die aan die overtuiging ten grondslag liggen, zou specifieren. Die interesseren de interpretator ook niet [mijn cursivering]: onder de assumptie dat de agent begrijpelijk wordt, veronderstelt hij dat die voorwaarden vervuld zijn. (...) Het enige verband dat hem interesseert, is de correlatie [tussen gebeurtenissen] die toelaat de agent begrijpelijk te maken. [p.229-230, Buekens]

Ook de zintuiglijke ervaringen van een agent of interpretator zijn bepalend voor de interpretatie. Dit wordt gecombineerd met fysische elementen in de verklaring van de interpretator: "Voor de interpretator is een scherp onderscheid tussen wat de natuur ons oplegt [vanwege de zintuigen] en wat de agent eraan toevoegt op zich weinig relevant. Maar indien een wezen te sterk afwijkt van de wijze waarop de natuur ons heeft uitgerust, des te moeilijker wordt het om hem te leren begrijpen. Hij wordt steeds minder één van ons [p.230-231, Buekens].

Voor de wetenschap en voor het interpreteren gelden kortom duidelijk andere doelstellingen, zodat reductionisme, om het even Boehm te zeggen, niet interessant lijkt:

Wetenschap levert causale verklaringen af die abstractie maken van onze explanatorische interessen. (...) Wie anderen wil begrijpen, kan zich dat niet veroorloven: hij kiest oorzaken en effecten in functie van het begrijpelijk maken van de agent, en laat dus essentieel die interesse meespelen in de selectie van de relevante oorzaak. (...) Die explanatorische interesse maakt gebruik van principes die onbruikbaar zijn wanneer we ándere explanatorische interessen (die op zich ook weer unieke kenmerken hebben) volgen. Echt reductionisme zou dus de stelling moeten verdedigen dat we die explanatorische interessen zouden kunnen opgeven. Maar zouden wij die interesse (het begrijpen van anderen en het begrijpelijk maken van zichzelf) ooit kunnen of willen opgeven?[p.231-232, Buekens]

Mensen krijgen nogal snel het gevoel dat Davidson hier een relativisme verdedigt: het lijkt erop dat hij subjectieve oordelen (want zijn dit niet explanatorische interessen?) op een gelijke voet zet met wetenschappelijke en dus objectieve oordelen. Dit is echter niet het geval: de clou van het anti-reductionisme is net dat niets in een interpretatie a priori mag worden opzijgezet, een interpretator heeft voor zijn interpretatie mogelijk (eerder objectieve) vaststellingen nodig, maar ook (eerder subjectieve) opvattingen en verlangens (al was de subject/object distinctie misschien beter niet hier vermeld). Dit behelst dus ook dat relativisme (het anything goes principe) niet opgaat: een interpretator die met zijn relativerende kijk niet tot een geslaagde interpretatie komt, kan men terecht zeggen dat hij het anders moet bekijken. Contextueel en inwisselbaar moet zo'n kijk dus wel zijn:

We zijn dus gedwongen om afstand te nemen van doctrines die het gefundeerd spreken over het mentale met het innemen van een [onveranderlijk, vast] standpunt willen verbinden (we moeten toelaten dat álle attituden gebruikt worden), en we moeten toelaten dat het onderzoek gebruik maakt van assumpties dat er externe objecten zijn [!], wezens bestaan die ook attituden hebben, etc. [p.238, Buekens]

Om het ten slotte nogmaals te herhalen, het belangrijkste argument waarin we er niet geraken met een objectiverende kijk die de levende variaties van opvattingen, contexten, situaties wegdenkt: zonder onze eigen levende, interpreterende rol in de weegschaal te leggen, zullen we er -enkele exotische gevallen uitgezonderd- niet in slagen tot een werkelijke interpretatie te komen:

Het streven naar een onbevooroordeeld standpunt stelt dat we afstand moeten nemen van explanatorische interessen die er ons toe nopen concepten als objectiviteit, waarheid, overtuigingen, verlangens, rationaliteit, ... te introduceren. Niet alleen is de afbakening van zo'n standpunt niet interessant [Zo zou Boehm het ook zeggen!]; indien we niet zouden beschikken over specifieke interessen en belangen, zouden we ook niet in de mogelijkheid zijn te onderzoeken wat de constitutieve principes zijn van de praktijk die aan die interessen en belangen beantwoordt. Het onderzoek zou zich in een interesseloos vacuüm afspelen [p.239, Buekens].

Dat wil zeggen, een tautologie: we zouden enkel levenloze feiten opduiken wanneer we enkel levenloze feiten willen zien.


Reacties (3)

   

dag dierbare
reeds verschillende keren de uiteenzetting gelezen; het ware voor mij gemakkelijker geweest om de uiteenzetting in stukjes opgedeeld te zien; dat werkt voor mij wel doorzichtiger.....
groetjes
Pauls

   

Het is gewoon niet zo goed geschreven:). Er is eens een fikse herwerking nodig, maar ik wacht ermee tot ik wat meer met Davidson bezig ben (uitgesteld naar 2013:)).

   

dank
Pauls

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie