Boehm's tegenstrijdigheid

In de blog: De zwarte doos reacties: 2 pdf print

Zoals in recente blogs besproken leidt Boehm het ontstaan af van klassen - heersers en onderdanen, of leiders met inzicht en volgelingen die dat inzicht volgen - uit een materiële noodzaak, een schaarste aan bepaalde middelen die beter kan opgelost worden door te investeren in (1) zoeken naar nieuwe bronnen van levensmiddelen of grondstoffen of (2) nieuwe technieken die toestaan meer te maken van gekende levensmiddelen of (al dan niet al voor de mens verwerkte) grondstoffen.

Er zijn wetenschappelijke verklaringen die tegenstrijdig, ja zelfs tegengesteld zijn aan deze uitleg. Archeologen en historici verklaren het ontstaan van politiek complexe samenlevingen niet uit een schaarste, maar uit een overvloed aan levensmiddelen die ontstaat wanneer men aan landbouw doet, dwz gewassen gaat cultiveren. Hier gaat het om een nieuwe techniek die een toestand van stabiliteit of schaarste omzet naar een toestand van overvloed, waarna specialisten kunnen worden vrijgemaakt om tijd te spenderen aan politieke structuren. Effectief zijn het de samenlevingen van nomadische jager-verzamelaars die vaak een egalitaire en politiek niet complexe structuur hebben, niettegenstaande zij toch meer leven in schaarste.

Heeft Boehm dan toch ongelijk?

Langdon Winner

Inspiratie voor een antwoord vind ik bij politiek filosoof Langdon Winner. Winner heeft veel over techniek geschreven en neemt daarbij een tussenpositie in. Hij kant zich tegen het idee dat techniek onbeheersbaar is geworden (het technologisch pessimisme van Ellul en Heidegger), maar ook tegen het naieve idee van techniek als een neutraal middel dat goed of slecht kan worden aangewend door mensen.

Dit komt het duidelijkst naar voren in zijn artikel Do artifacts have politics? (in herwerkte vorm opgenomen in het boek The Whale and the Reactor,1986). Winner erkent dat technische zaken, wanneer ze eenmaal bestaan, een eigen invloed hebben in de wereld die losstaat van een menselijke inbreng (en zo'n technische zaken worden politiek wanneer hun invloed bepaalde belangen bevoordeelt of andere benadeelt). Maar in plaats van dit moedeloos aan te zien als een onbeheersbare toestand gelooft Winner dat het zin heeft ons bewust te maken van de invloeden en werkingen die technische zaken zullen hebben als en slechts als ze door mensen worden vervaardigd.

Winner onderscheidt twee elementen, de technologische imperatief en de omgekeerde aanpassing. De technologische imperatief houdt in dat technologie menselijke behoeften creëert waarin alleen door technologie kan worden voorzien. De omgekeerde aanpassing betekent dat technologie de menselijke cultuur verandert op zo'n manier dat zij beter gaan passen, zelfs zich actief gaan aanpassen aan de randvoorwaarden die de technologie oplegt. Winner stelt dat we hiervoor bewust kunnen zijn en dat we moeten vragen naar de verantwoording van techniek wat de menselijke belangen betreft: wie heeft voordelen en wie nadelen bij een bepaalde technische ontwikkeling?

Dit kader kunnen we nu toepassen op de historische context. De oorspronkelijke toestand van schaarste, bv die van jager-verzamelaars die minder dieren vinden om te jagen, kan een drijfveer zijn om te zoeken naar nieuwe technieken. Dit zal gebeuren zonder dat er leiders opstaan naar het model van Boehm, omdat er gewoonweg te veel schaarste is (er is dus geen tijd om aan een complexe vorm van politiek te doen). In een landbouwsamenleving is het voor het eerst mogelijk om wel specialisten aan te stellen, net omdat er meer dan genoeg levensmiddelen zijn. Dit is dus de overvloed-verklaring voor het aanstellen van specialisten, en de geschiedenis leert ons inderdaad dat dit een noodzakelijke voorwaarde is.

De verklaring van Boehm kan echter nog zin hebben door ons voor te stellen dat in de aldus gevestigde samenleving een nieuwe schaarste optreedt (omdat er meer mensen geboren worden en dus meer monden te voeden, of doordat er andere noden worden ervaren en dus moeilijker te verwerken levensmiddelen of grondstoffen moeten verkregen worden). Ten eerste is er een verhoging van het aanzien van de mensen die voor de schaarse levensmiddelen of grondstoffen zorgen: zij zullen als eerste de vraag krijgen wat nu moet gebeuren. Het staat anderen vrij om dat aanzien te proberen winnen, bv. door zelf met een project of een techniek te komen. Op die manier is er dus een reeks sociale strubbelingen die mensen aanzet om opnieuw in te zetten op techniek, maar ditmaal niet als een dwangmatige noodzaak maar als een gok, een investering, een hoop op beter in de toekomst. In de literatuur over de landbouwrevolutie is er bijvoorbeeld de theorie dat banketten werden gegeven en dit een bepalende stimulus was voor het ontwikkelen van vroege beschavingen. De banketten waren een toonbeeld van aanzien voor de gever ervan, die effectief voedsel gratis weggaf dat hij teveel had. Men kan zich voorstellen dat dit evolueerde naar meer dan een herverdeling van middelen, naar een politieke relatie tussen de gever en de ontvangers, die zich meer gingen opstellen als volgers van de sturende rol van de gever.

Enige onderbouw voor dergelijke historische verklaringen is de opvatting van Lewis Mumford. Deze stelt dat we ons onderzoek niet mogen beperken tot de vraag waarom een bepaalde techniek werd ontwikkeld, maar aandacht moeten besteden aan de vraag waarom die techniek op grote schaal werd toegepast. Een antwoord op die vraag zal volgens hem grotendeels door culturele overwegingen worden bepaald, en niet door de effecten van de techniek zelf. Boehm zou het met hem eens zijn, alleen zou hij niet spreken van cultuur, maar: politiek.


Reacties (2)

   

Dag Tsunami

Leiderschap is m.i. een zeer belangrijk thema.
Zoals verwacht kan worden van iemand, die zich futurosoof noemt, ben ikvooral in het verleden geïnteresseerd, voorzover wij er lessen uit kunnen trekken voor de toekomst.

Nu ben ik al geruime tijd van mening - helaas geheel tegen de trend in die politieke commentatoren op soms nogal cynische wijze aangeven - dat het bij leiderschap in eerste instantie dient te gaan om juiste leidende gedachten. Goede leiders zijn dan diegenen, die de juiste leidende gedachten aansprekend weten te vertegenwoordigen en weten te implenteren.

Zijn er bij jouw weten filosofen die die gedachte uitgewerkt hebben?

Het klinkt misschien nogal platoons, maar ik vult het wel socratisch in. Plato had niet veel op met democratie, die Socrates de gifbeker bezorgd had en hem zelf bedreigde. Je zou m.i. kunnen zeggen, dat hij met de bron van morele waarheid de grot van het dagelijks leven ontvluchtte naar een plek waar slechts filosofen kunnen komen.
Terwijl Socrates de Atheners zèlf wilde leren juiste morele afwegingen te maken.
(Het Vaticaan zag en ziet natuurlijk meer in de platoonse dan in de socratische benadering met de Paus als absolute bron van morele waarheid, vanwege zijn directe lijn met God, buiten de grot. Dat was m.i dan ook de eigenlijke reden om In de Schaduw van Socrates in de ban te doen. stel je voor datmensen zelf gaan nadenken over wat goed en kwaad is.)

Hopelijk irriteert het je niet, dat bij mij alle denkwegen naar de futurosofie leiden, althans zolang die nog niet gerealiseerd is,

Jeroen

   

Dag tsunami
Misschien is het verdwijnen van de oorspronkelijke bevolking van de Paaseilanden een voorbeeld voor het al dan niet volgen van de stellingen van Bhoem
Groetjes
Pauls

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie