Deductief redeneren: vormen van realistisch denken?

In de blog: De zwarte doos reacties: 0 pdf print

Deductief redeneren, voor mij, is een redeneren waarbij men zoveel mogelijk uitgaat van een 'zekere basis' (bv. enkele grondprincipes), en de aandacht vooral vestigt op het uitwerken van een systeem van gevolgtrekkingen. De Elementen van Euclides is een grote inspiratie geweest voor dit denken: de suggestie was dat de axioma's aan de basis onbetwijfelbaar zijn, en dat alle verdere uitwerkingen er logisch uit volgen. Een andere vorm van deductief redeneren lijkt mij het denken vanuit gebouwde modellen, zoals vooral veel is gedaan van modellen van de kosmos. Dat is interessant geweest voor het magnetisme, overigens, cruciaal voor Gilbert was de terrella, een kleine ronde magneet die model kon staan voor de aarde. Het was hiermee dat Gilbert zijn ideeën over het magnetisme van de aarde uitwerkte. Het is nog maar te bezien of zo'n model gebruiken gezien kan worden als deductief redeneren. Men zou ook kunnen beargumenteren dat de nadruk ligt op de eerste hypothese: je gaat na of een ronde magneet model kan staan voor de aarde, en trekt daaruit de conclusie dat ze dezelfde gedragingen hebben. Ik wil echter beweren dat die hypothese er wel is, maar niet uitgebreid in vraag wordt gesteld. Veel belangrijk is de deductie vanuit het model: wat er uit volgt dus. Giuseppe Ceredi De historicus Alistair Crombie vermeldt het geval van Ceredi, een ingenieur die in 1567 de volgende woorden schrijft:

I remembered, as was well said by Aristotle and Galen, that science or art aimed at action can be perfectly possessed by anyone who may know its precepts but does not then confirm them with a variety of experiments [experienze] many times and finally succeeding.

Dit standpunt zou kunnen lijken op een experimenteel aandoende instelling, maar hoeft dat niet te zijn. Het kan immers ook gewoon betekenen dat een redeneren vanuit eerste principes (typisch voor Aristoteles) niet genoeg is; je moet ook zaken goed in je vingers hebben, voordat je echt weet wat je er mee aan hebt. Deze lezing is voor mij alleszins niet uitgesloten; zeker aangezien in het Westen het idee ook al was geopperd dat de werkelijke wereld niet altijd even perfect is, en dat een waarneming dus misschien met onvolmaakte omstandigheden te maken heeft. Die invalshoek werpt een ander licht op de laatste zin: 'and finally succeeding'. Het is dus niet altijd eenvoudig een experiment op te zetten dat de juiste theorie bevestigt. Dit zo bekijken maakt het vervolg des te interessanter: Ceredi gaat modellen bouwen,

small and large models (modelli), adding, changing, and removing many things according to whether the condition of the material, or the coming together of many far and near causes, or the variety of means, or the degrees of the proportions, or the forces of motions, or many other impediments that one can encounter, required it.

Ik vervolg met het relaas van Crombie, die maar deels citeert (en misschien dus wat veel interpreteert):

For in order "to bring them properly together and to direct them firmly to the prescribed work," errors had to be recognized "from experience and so corrected by reason that at last one comes to the perfection of art and to the stable production of the effect that is expected

Hoewel ik hierin nog geen empirisch redeneren herken: een redeneren dat bereid is een theorie aan te passen als de waarneming anders uitdraait, is hier toch al duidelijk een scepsis aanwezig over de mogelijkheid aan ware kennis te komen. Kennis vanuit waarneming kan immers onzuiver zijn, en die moet dan via 'art', kunst, worden uitgezuiverd. Dat hier modellen bruikbaar voor zijn, is des te interessanter als je denkt over wat Galileo Galilei een kleine eeuw later zal doen... Ik vermoed dat ook Galilei ook vaak een deductief denker was, en dat hij ook veel akkoord is met de visie die hier beschreven is. Ik ben dan ook eerder geneigd de start van een empirisch denken elders te leggen: bij een Boyle bijvoorbeeld, die (geïnspireerd wellicht op de rechtsleer) de nadruk legt op een openbare wetenschap, die bewezen wordt door experimentele proeven die gekeurd worden door expert-getuigen... en misschien ook een Mersenne. Mersenne? Mersenne valt alleszins op door een sterke focus op waarneming. Dit ondanks een erkenning dat waarneming een onvolledige kennis is:

One is constrained to acknowledge that man is not capable of knowing the reason for anything other than that which he can make, nor other sciences than those of which he makes the principles himself, as one can demonstrate in considering mathematics.

Crombie plaatst Mersenne binnen de opkomst van nieuwe ideeën rond muziektheorie. Muziek werd van oudsher bekeken als een systeem van eenvoudige harmonische verhoudingen. Maar tussen 1550 en 1650 werd de praktijk van de muziek complexer, met de ontwikkeling van meerstemmigheid en ook van nieuwe instrumenten. Omdat de complexiteit nog moeilijk analyseerbaar was in simpele verhoudingen, ging men kijken naar de ervaring zelf: welke combinatie van tonen werd aangenaam bevonden, welke onaangenaam? De opvatting leek wel Lockiaans: naast de 'primaire eigenschappen' van geluid (de harmonische verhoudingen), werden nu ook de 'secundaire kwaliteiten' van menselijke ervaring beschouwd. Ook Vincenzo Galilei, de vader van Galileo, valt in deze stijl. Vincenzo verwees naar Aristoxenos, een Griekse bron die ook al aangaf meer nadruk te leggen op menselijke ervaringen, dan te kijken naar de wiskundige verhoudingen van Pythagoras en de platonisten (zie zijn Dialogo, 1581). Descartes zou het onderscheid ook maken, en de duidelijke subjectief/objectief scheiding maken. In de vroege 17de eeuw kwam het mechanicisme centraal te staan, bv. in de fysiologie van Jacob Müller, die in 1617 een wiskundig-geometrische analyse maakten van spierbewegingen. Dit stelde o.m. in vraag of een mens een mechanistisch wezen was. Mersenne zou, naast bv. Descartes, beweren dat dieren geen ziel hadden, mensen wel. De subjectieve ervaring van mensen zou bij dieren niet voorkomen, hun reactie op zintuiglijke indrukken is dus zuiver een mechanische reactie. Naast het intensief bestuderen van het mechanische gedeelte (de 'primaire eigenschappen' dus) zou Mersenne, volgens Crombie, ook een studie gedaan hebben van de subjectieve ervaringen. Hij zou bv. aangegeven hebben welke variaties er zijn in het horen van bepaalde tonen (hoge/lage tonen? ritmes? aangenaamheid van tonen?). Dit alles dien ik zelf nog te onderzoeken. In elk geval wil ik dit voorlopig warrige verhaal afsluiten met een opmerking. Het lijkt erop dat een doorgevoerde experimentele wetenschap met een uitgebreide aandacht voor meetinstrumenten ontwikkeld wordt in de 17de eeuw. Veel auteurs hebben hier gewezen op de ontwikkeling van een mechanistische filosofie o.m. in het werk van Descartes, en al dan niet terecht, in Galileo Galilei. Het moet dan toch opvallen dat het menselijk lichaam als studieobject in de overgang van 16de naar 17de eeuw centraal staat. In de 16de eeuw hebben we de anatomie van Vesalius en een mechanistische beschrijving van Harvey, en ook is er aandacht voor de verhoudingen van het lichaam in de kunst, waar de werking van spieren sterk wordt bekeken. In die zin kan het zelfs van belang zijn terug te grijpen naar Leonardo da Vinci. Het moeilijke aan het aangeven van het begin van een experimentele wetenschap is dat er cultureel duidelijk eerst iets aan de hand was, de verschuiving naar de menselijke ervaring als een belangrijk aspect in het bijzonder, en dat er niet alleen vanuit wetenschappelijke teksten, maar ook in allerlei praktische gewoontes een omwenteling nodig was. Er moest dus eerst een empirisch denken zijn gevestigd, voordat het ook zo naar boven kon komen in een wetenschappelijke motivering. Waar die wetenschappelijke motivering dan pas in de 16de-17de eeuw opkomt, is er al een empirisch denken vermoedelijk elders aanwezig. Dat moet nog worden uitgezocht.


Reacties (0)

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie