Realistisch, Empirisch, Correlatief Denken

In de blog: De zwarte doos reacties: 6 pdf print

Twee nogal technische opmerkingen over filosofie die ik pas heb gelezen hebben een intens onderzoek in me losgemaakt. In deze tekst gaat het me erom die twee opmerkingen wat toe te lichten, en de grote lijnen te schetsen van het onderzoek waarmee ik nu begonnen ben. Het heeft allemaal weerslag op discussies in wetenschapsfilosofie, en de visie op wetenschap in het algemeen. De eerste opmerking is dat de filosofie van Ernst Cassirer door structureel realisten wordt beschouwd als een voorloper op hun denken; de tweede opmerking komt van professor Philip Van Loocke, die stelt dat het correlatieve denken van de Chinese cultuur beter in staat was de kompaswerking van magneten te verklaren dan het Westerse, atomistisch-gestuurde denken. Als de verbanden tussen deze opmerkingen, en het Realistisch, Empirisch, Correlatief Denken van de titel duidelijk worden gemaakt, dan is deze tekst geslaagd in zijn opzet.

Structureel realisme Opmerking 1 behandel ik zo kort mogelijk, want er is een heel kluwen aan denkstromingen dat erachter schuilt. Volgens wetenschappelijk realisme staat wetenschap beoefenen gelijk met op zoek gaan naar waarheid. Wetenschap is succesvol als ze 'waar is', dus als en in principe alleen als ze de wereld 'beschrijft zoals ze is'. Putnam zegt hierover: als de wetenschap niets zegt over de wereld, hoe slaagt ze er dan in zo'n goede effecten te veroorzaken? (Dus : goede wetenschap = waarheid. Ook al duurt het soms voor we weten wat 'echt' goed is.) Een visie die dit realisme afkeurt en erg populair is geworden is conventionalisme: wetenschap is een praktijk van mensen onderling, een idee van waarheid wordt door wetenschappers zelf gefabriceerd, en het houdt maar stand zolang het begrip van waarheid sociaal aanvaard is. Men kan hier terecht een politiek ondermijnende strategie in zien: de wetenschap en hun 'waarheid' worden van hun voetstuk gehaald, en op hun plaats naast andere menselijke 'meningen' gezet. Een wetenschapper kan niet zomaar zeggen: 1+1 = 2, I told you so. Wetenschappelijk realisme heeft zijn voetstuk in elk geval sterk gekrompen, ook binnen filosofische discussies. Structureel realisten denken echter dat een stuk van het voetstuk nog terecht is: er is een zekere structuur in onze wetenschappelijke theorieën die ook een structuur van de wereld is. Het is dus terecht dat wetenschappers geloven in het behoud van die structuur, maar er zijn ook veel bijproducten die niet essentieel zijn. Je moet niet geloven in het bestaan van een elektron, om ervoor te zorgen dat de elektriciteit werkt. Zolang het begrip van een elektron zich kan stand houden in vele theorieën kunnen we het behouden, en toevallig is dat elektron te verzoenen met heleboel onafhankelijk bevestigde theorien/waarnemingen. Een ander voorbeeld: de fysica van Newton is blijkbaar fout, maar onder lage snelheden is er geen verschil tussen de fysica van Newton en die van Einstein. Structureel blijft er dus iets behouden, en de fysica van Newton is zinvol voor zover ze nog aan die structuur beantwoordt (bij lage snelheden dus). Cassirer nu zou volgens deze realisten een dergelijk begrip van wetenschap ook gesteund hebben. Dat lijkt mogelijk, maar ik lees in de vroege Cassirer iets anders. Die Cassirer heeft het over drie fasen in de ontwikkeling van menselijke kennis (zowel in wetenschap als in een breder cultuurdomein!). De derde en inderdaad meest ontwikkelde fase is er inderdaad 1 van structuur en patronen (Cassirer spreekt van zuivere relatie). Een voorbeeld hiervan is de Tabel van Mendelejew: door patronen te zien tussen chemische elementen was Mendelejew in staat 4 elementen te voorspellen en ook wat te beschrijven van hun chemische eigenschappen. Deze elementen worden later dan ontdekt. Het lijkt me terecht te zeggen dat Mendelejew hier gelooft in een structuur van de wereld, die overeenkomt met die van zijn theorie. En het is zeker zo dat Cassirer dit soort wetenschap sterk steunt. Leidt dit tot structureel realisme? Daar ben ik niet van overtuigd. Er zijn immers nog de 2 eerdere fasen die Cassirer bespreekt. Daar toont Cassirer hoe mensen worstelen met een begrip van de wereld, en hoe ze komen tot het bepalen van objecten, dingen dus. Het is uit die wereld van dingen dat een mens verbanden moet gaan leren, en ook al heeft hij al die dingen niet meer nodig om iets met die verbanden (de derde fase dus) te gaan doen, er blijft in elke mens steeds een wereld van dingen (de 2de fase zeg ik hier kort) doorwerken. Ook al is er dus een derde fase behaald, aspecten die voortkomen uit de 1ste en 2de fase blijven nog aanwezig. Een mens maakt dus zijn eigen waarheden, door zich uit te drukken (in overeenstemming met de verschillende fasen). De latere Cassirer heeft wellicht meer gezegd over het verband tussen die uitdrukkingen en wat er 'echt' is in de wereld; ik kan me voorstellen dat de structureel realisten daarop doelen. Maar dan ben ik ervan overtuigd: het gaat hier dan niet enkel over de derde fase van Cassirer, ook een overeenkomst van de 'dingwereld' bijvoorbeeld zullen ook meespelen. Dat onderscheid is voor mij van belang omdat de late Cassirer te veel lijkt te speculeren over dat verband met de Waarheid. Men kan echter zijn vroege schrijfsels ook gewoon lezen zonder die laatste schakel, de ontwikkeling in drie fasen toont dan eerder een historische ontwikkeling van de westerse wetenschap. Daarover meer verderop. Correlatief denken In 'Het wereldbeeld van de wetenschap' maakt Van Loocke de opmerking dat een kompas in het Chinese denken gemakkelijker te aanvaarden was dan in het westerse, atomistische wereldbeeld. Ik citeer:

In het Chinese wereldbeeld is het evident dat de structuur van een groter geheel - de aarde of de kosmos - wordt weerspiegeld in een deel - het kompas. Een mechanistische, causale verklaring voor dat fenomeen is veel moeilijker. Ze veronderstelt veel geavanceerdere modellen, die tot diep in de Westerse moderne tijden niet voorhanden waren.

Correlatief denken is voor Van Loocke wat hij hier beschrijft: het idee dat
een structuur van een geheel wordt weerspiegeld in delen, een soort holisme
dus. Het is een mooi verhaal van Van Loocke, dat ik zelfs graag wil geloven
vanuit mijn sympathie voor correlatief denken, maar ik heb er moeite mee. Ik
laat nog even links of inderdaad het westerse denken niet correlatief kon
zijn, en dus bij gebrek aan een causale verklaring geen uitleg klaar had voor
de werking van het kompas. Een heel andere zaak is echter waarom ze geen
kompas zouden hebben ontwikkeld. Ik geloof dat het westen in elk geval
empirische ontdekkingen kon maken, zonder dat er een 'mechanistische, causale
verklaring' voor nodig was. Wie een studie doet van hermetische wetenschap, en
de latere alchemie ziet toch wel in dat deze allesbehalve mechanistisch was;
en hiervan zijn in het boek van Van Loocke ook vele voorbeelden. Ik kan me
perfect een magiër voorstellen die een ruw kompas toont, zonder dat het voor
zeevaart gebruikt wordt, en laat zien dat de naald zich gaat richten naar de
poolster toe. De enige reden waarom dat volgens mij niet gebeurd zou zijn, is
toeval. Wat Van Loocke doet, lijkt me dan ook een stap te ver; het enige wat ik hem wil nageven is dat de aanvaarding van de magnetische theorie binnen Europa veel moeilijker was omdat de Europese cultuur er niet op gericht was. En Van Loocke toont mooi aan (bijvoorbeeld via de figuur van Paracelsus) dat marginale figuren die bereid waren onorthodoxe bronnen en culturen ernstig te nemen, ook sneller bereid waren om magnetisme te aanvaarden dan meer 'gevestigde' wetenschappers. Men zou kunnen zeggen dat men daarom theorieën aanvaardde die minder strikt, minder causaal, en minder mechanistisch waren dan algemeen aanvaard waren. En misschien toont dat binnen Europa wel een trend van correlatief denken (Een trend die misschien van China overgewaaid was, misschien ook niet.) Verder dan dat kan hij zijn punt volgens mij echter niet hard maken. Realistisch, Empirisch, Correlatief Als onderzoek zou ik graag opsporen in de wetenschapsgeschiedenis in hoeverre men kan spreken van realistisch, empirisch, correlatief denken. Correlatief denken beschouw ik ruwweg als hierboven gedefinieerd: een patroon van een (vaak kosmisch) geheel wordt verondersteld in een ding zonder dat het tussenliggend verband (of specifieker: het causale pad) expliciet moet worden gemaakt. Realistisch denken beschouw ik iets anders dan wetenschappelijk realisme: een begrip wordt verondersteld als overeenkomstig met iets in de wereld. De duidelijkste uitingen van realistisch denken in de geschiedenis is ook een dingdenken: bijvoorbeeld het geloof in het bestaan van flogiston. Als dat geloof opgegeven wordt, wordt dat dan ook vaak beargumenteerd vanuit het idee dat de wereld niet kan bestaan zoals een wereld waarin flogiston bestaat. Empirisch denken beschouw ik als de 'escape' voor realistisch denken: het maakt niet bepaald uit welke begrippen je gebruikt, zolang je verklaringen overeenkomen met de feiten of waarnemingen. In dat kader is het structureel empiricisme van Bas Van Fraassen interessant. Van Fraassen steunt op de gedachte van structurele verbanden die ook bij structureel realisme terugkomt. Maar hij vindt het niet nodig te zeggen dat die structurele verbanden moeten overeenstemmen met de wereld zoals hij is (moeten 'waar' zijn dus). Voor hem is het voldoende dat de structurele verbanden overeenstemmen met onze waarnemingen en feiten. Het is dit soort redenering dat volgens mij ook in empirisch denken meespeelt. Initieel, voordat ik ernstig met dit onderzoek begin, geloof of hoop ik dit terug te vinden: realistisch en correlatief denken zijn twee vormen van denken die met elkaar in competitie zijn om verklaringen te geven over de wereld. Net zoals Van Loocke vermoed ik dat deeltjesdenken gemakkelijker valt binnen realistisch denken, en een denken in golven en velden gemakkelijker binnen correlatief denken. Ik denk echter ook dat een wisselwerking van beiden helpt om tot een volledigere wetenschappelijke ontwikkeling te komen. (Dat is ook iets wat Van Loocke wellicht denkt, onder invloed van Joseph Needham die hij instemmend citeert.) Ik ga echter iets verder dan Van Loocke door ook empirisch denken als uitweg te nemen. Empirisch denken is anders dan realistisch denken, want het eist geen verklaring van de onderliggende realiteit (het eist geen waarheid, zou Van Fraassen zeggen). Empirisch denken is ook anders dan correlatief denken om dezelfde reden. Een boeiende vraag is welke combinaties van denken in staat zijn om welk geheel van theorieën voort te brengen (in het westen zijn in elk geval de drie stromingen werkzaam). Het is echter te verwachten dat ik mijn definite van deze denkvormen moet nuanceren als ik ze ga confronteren met feiten (net zoals dat voor een wetenschapper geldt), en mogelijk evolueer ik op die manier terug dichter naar een van de posities die ik hier tegenspreek. Ik ben echter ervan overtuigd dat dit soort onderzoek vruchtbaarder is dan de huidige discussies tussen realisten en anti-realisten binnen de wetenschapsfilosofie.

Reacties (6)

   

Ha! Eindelijk! Het is lang geleden dat ik nog een dergelijke bijdrage aan filosofie.be heb gelezen. Maar het lijkt me een bijzonder moeilijk project, als ik dat even mag zeggen.

Eén vraag kwam spontaan bij mij op. Je schrijft:

"Net zoals Van Loocke vermoed ik dat deeltjesdenken gemakkelijker valt binnen realistisch denken, en een denken in golven en velden gemakkelijker binnen correlatief denken."

Ik ben allesbehalve een specialist in quantumveldentheorie, maar voor zover ik er nog iets van weet, is dat onderscheid tussen deeltjes en velden eigenlijk lang niet zo aanwezig als veel mensen denken. Het bijvoorbeeld niet echt aanwezig in de zgn. elementaire deeltjesfysica. Een deeltje *is* een veld, of zo je wilt, een "quantum" van een veld. Ik zie niet meteen hoe het ene meer realistisch en het andere meer correlatief zou zijn. Je zou kunnen tegenwerpen dat nog nooit iemand rechtstreeks een elektromagnetisch veld heeft gezien, en dat het elektromagnetisch veld dus niet uitnodigt tot realisme. Maar daar staat tegenover dat voor zover mij bekend ook nog nooit iemand pakweg een elektron rechtstreeks heeft waargenomen. Het feit dat wij intuïtief een beeld hebben van wat een "deeltje" is, verandert daar weinig aan. Eén van de dingen die je als natuurkundige leert, is dat je intuïtieve beeld van een deeltje *niet* overeen komt met wat een een elektron is. Denk maar aan een compleet anti-intuïtieve eigenschap als elektronspin.

Over China en magnetisme overigens nog dit: ik vind mijn boek met excerpten uit Needham niet terug, dus over de Chinese visie op magnetisme kan ik helaas niet veel zeggen. Ik weet dus niet in welke mate China het magnetisme of de kompaswerking kon "verklaren". De ruimte is beperkt op een filosofieforum, en dus kun je niet alles haarfijn uitleggen, maar wat je schrijft over holisme klinkt niet erg overtuigend. Als je er van te voren al vanuit gaat dat de kosmos zich weerspiegelt in een deel van die kosmos, is het dan niet tautologisch om de werking van iets te verklaren door te wijzen op die weerspiegeling?

Je mag ook niet vergeten dat China eeuwenlang een grote technologische voorsprong heeft gehad op de rest van de wereld. Je kunt daarvan bijvoorbeeld suggesties oppikken op de Europaliatentoonstelling die nu loopt in de Bozar in Brussel. Misschien is die technologische voorsprong ook wel een factor geweest die het magnetisme sneller acceptabel maakte in China en die heeft geleid tot de ontwikkeling van het kompas.

Voor de rest - maar nu zit ik op een oud stokpaard - treft mij iets bizars. Bas Van Fraassen suggereert blijkbaar dat het voor hem voldoende is "dat de structurele verbanden overeenstemmen met onze waarnemingen en feiten."

Ik weet niet goed wat ik daarvan moet denken. Is de uitspraak dat de "structurele verbanden van wetenschappelijke theorie X overeenstemmen met de waarnemingen en feiten" waar? Of is het enkel een theorie Y waarvan "de structurele verbanden overeenstemmen met de waarnemingen en feiten?" En is deze uitspraak over theorie Y dan waar, of is het enkel een theorie Z waarvan de structurele verbanden overeenstemmen met de waarnemingen en feiten? Etc. etc.

Met andere woorden: hoe kom je ooit tot de conclusie dat een wetenschappelijke theorie overeenkomt met de waarnemingen en de feiten?

Of is het zo dat wetenschapsfilosofen de werkelijkheid kunnen beschrijven zoals ze *is* ("theorie X komt overeen met de waarnemingen en de feiten" is een ware uitspraak), terwijl pakweg fysici content moeten zijn met een correcte beschrijving van waarnemingen en feiten, maar daarmee geen ware beschrijving bereiken van de werkelijkheid?

Dat lijkt mij als fysicus een behoorlijk boude uitspraak.


---
Bewerkt door Administrator op Jan 08 12 1:32
   

Alvast even kort: ik heb de caveat aan het einde van dit bericht absoluut nodig, ook ik ben me bewust dat er weinig standpunten worden 'hard gemaakt' in deze tekst.

Wat betreft golven en deeltjes, het huidige standpunt is inderdaad dat deeltjes/golven geen verschillende dingen zijn, maar voor men tot dat standpunt kwam was er duidelijk een verschil in wetenschap die zich op golven baseerde (licht, magnetische velden,..) versus een wetenschap die met deeltjes werkte (chemie, mechanica, en in zekere zin elektronen!). In experimenten met o.m. radioactiviteit en X-stralen had men wat vertrouwen in beide maar maakte men nog een onderscheid: een deeltje was iets wat door een magnetisch veld kon worden afgebogen, terwijl dat niet zo is voor golven. (Kijk naar het verschil in experiment en conclusie van beta- en gamma-straling.)

Bij Bas Van Fraassen kun je de vraag stellen of hij een verdedigbare positie heeft, maar hijzelf vindt het verschil tussen 'waar' en 'empirisch adequaatheid' uiterst belangrijk. Waarheid is een begrip dat hij voor iedereen uitsluit, ook wetenschapsfilosofen.


---
Bewerkt door Administrator op Jan 08 12 1:32
   

Dank je voor de reactie! Voor alle duidelijkheid: dit was niet bedoeld als een kritiek op je bijdrage. Je project is op z'n minst interessant.

En zoals je terecht opmerkt was er (althans lange tijd) een verschil tussen mensen die bijvoorbeeld geloofden dat licht een veld was, en mensen die geloofden dan licht uit deeltjes bestond. Maar mijn vraag daaromtrent ging eerder over de stap die je dan misschien kunt maken naar correlatief (velden, golven) of realistisch denken (deeltjes). Dat vond ik nogal moeilijk om te volgen.

Ik ken het werk van Van Fraassen maar zeer zijdelings, maar ik blijf mijn twijfels behouden. Wie zegt dat "een descriptie empirisch adequaat is", lijkt me impliciet te veronderstellen dat die uitspraak *waar* is.

Als je stelt dat "X is empirisch adequaat" op zijn beurt niet meer is dan een empirisch adequate descriptie, dan lijk je me terecht te komen in een oneindige regressie. Ergens in die spiraal moet je besluiten dat de uitspraak "ABCD is een empirisch adequate descriptie" simpelweg waar is. Hoe kun je anders een empirisch adequate descriptie herkennen?

Kortom, als geschoold arbeider heb ik het gevoel dat je niet zo snel aan (on)waarheid ontsnapt.

En dat brengt me dan weer tot een vraag die me oneindig fascineert: waarom zouden wetenschapsfilosofen ware uitsprakeen kunnen doen, en wetenschappers niet?


---
Bewerkt door Administrator op Jan 08 12 1:32
   

Van Fraassen zegt bv. niet dat 'het bestaan van een elektron' empirisch adequaat is. Bij hem is dus op een bepaalde manier (en ik ken hem zelf nog niet genoeg om die manier te specifiëren) een verschil tussen waarneembare zaken en onwaarneembare zaken. Op dezelfde manier is er voor Van Fraassen een verschil tussen microscoop-waarnemingen (die terug te brengen zijn op een menselijke waarneming) en elektronenmicroscoop-waarnemingen (die gebaseerd zijn op de krachtwerking van elektronen). De laatste heeft zijn basis in een niet (direct?) waarneembare begrip, en is dus volgens Van Fraassen niet empirisch adequaat.

Oneindige regressie is er dus zeker niet bij, Van Fraassen's wereld is een hedendaagse versie van het adagium 'als ik het niet kan meten, telt het niet'.


---
Bewerkt door Administrator op Jan 08 12 1:32
   

OK, dank je. Ik had er nog even over nagedacht en was me beginnen af te vragen of Bas V.F. het primitieve begrip "waarheid" liever vervangen zag door het primitieve begrip "empirisch adequaat".

(Met de onhandige term "primitief begrip" bedoel ik een begrip dat je niet kunt analyseren zonder het impliciet of expliciet te gebruiken in de analyse.)


---
Bewerkt door Administrator op Jan 08 12 1:32
   

Ik bedacht me net dat het niet zo extreem is bij Van Fraassen, zie het citaat :

"I wish merely to be agnostic about the existence of the unobservable aspects of the world described by science -- but sense-data, I am sure, do not exist. "

Als iets niet telt, wil het dus zeker niet zeggen dat het niet 'is', empirische adequaatheid is dus verschillend omdat het geen lijn trekt tussen wat is en niet is, er is een veld waar je gewoon niets over kunt zeggen. Vergelijk dit misschien met een Wittgensteiniaanse trek; daar valt waarheid immers ook niet mee te rijmen.


---
Bewerkt door Administrator op Jan 08 12 1:32

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie