Over Europa na Samuel Ijsseling

In de blog: De Neo-Cynicus reacties: 12 pdf print

In dit artikel ga ik dieper in op enkele filosofische kruisverbanden binnen en tussen bepaalde periodes van de Belgische en Europese geschiedenis. Mogelijk lijken deze insnijdingen en verbindingen hoogst arbitrair. Dit is het risico van elke zelfverklaarde duiding van zoiets vaags als een historische benadering van hoogst uiteenlopende gebeurtenissen.

Toch lijkt hierdoor misschien een verhaal leesbaar dat eventueel een zinnige schets biedt van de rol van een bepaalde filosoof, met name, de Nederlander Samuel Ijsseling, voor het verstaan en bestaan van bepaalde filosofische stromingen waarin Belgische en Europese intelligentsia en modale burgers zich verwikkeld weten. Opdat die schets echter zijn doel niet mist, dient eerst heel wat omkadering omschreven te worden, alvorens Ijsseling zelf in beeld komt.

Inleiding

Samuel Ijsseling overleed op donderdag 14 mei 2015, op 82-jarige leeftijd. Met dit artikel wil ik mijn respect betuigen door zijn filosofische rol te duiden aan de hand van de, misschien op het eerste zicht vreemde, vaststelling dat zijn sterfdatum viel in het jaar van de 200e verjaardag van de slag van Waterloo, alsook in het jaar van de 125e verjaardag van het Hoger Instituut der Wijsbegeerte, alwaar hij heel wat studenten en professoren gedurende jaren heeft laten genieten van zijn vriendelijke persoonlijkheid en uitdagende filosofische vraagstellingen. Eén van die studenten werd zelfs de eerste President van Europa en gaf twee dagen voor zijn heengaan nog een enthousiaste
herinnering aan diens eerste lessen aan het Instituut waar Ijsseling zoveel voor heeft betekend. Zelf heb ik Ijsseling zijn carriere in en buiten het Instituut steeds vanuit een welbepaald, misschien wat eigenzinnig, standpunt blijven volgen, een standpunt waarvan ik in dit artikel wat gebruik wil maken, ter persoonlijke en zeer bescheiden dankbaarheid jegens zijn erfenis.

Ergens doorheen deze verschillende verhaallijnen verschijnt ook een schets van de rol van het Hoger Instituut der Wijsbegeerte (HIW) te Leuven, als een plaats waar sommige kruisverbanden zich, soms duidelijk, soms wat geforceerd, laten incarneren in de carrieres van bepaalde figuren en onderwijsstijlen. Daarnaast verschijnt dit instituut ook als deel van een wereld, onderhevig aan maatschappelijke veranderingen en lijdzaam ten aanzien van evoluties die al dan niet wenselijk zijn binnen diens kader, maar waar desondanks een aanpassing uit volgt.

De slag van Waterloo op de Belgische taalgrens

Het verhaal begint in 1815, in het Belgische Waterloo. Een sleuteldatum in de geschiedenis van Europa. Op 16 juni van dat jaar kwam het in het Belgische Ligny tot een eerste treffen tussen het Franse leger van Napoleon en de troepen van de Europese coalitie gevormd door Engeland, Nederland en Pruisen. Hier won Napoleon zijn laatste veldslag, twee dagen vóór de slag bij Waterloo. In Waterloo werd Napoleon en zijn troepen tot de terugtocht gedwongen. De troepen van Napoleon hadden in eerste instantie echter de overhand. Maar Wellington, de bevelhebber van de geallieerde troepen, hergroepeerde zijn manschappen en installeerde zijn hoofdkwartier in Mont-Saint-Jean, vlak bij Waterloo. Op 18 juni formeerden de soldaten zich voor de slag. Aan het eind van de dag won de coalitie het pleit dankzij een aanval van de Nederlandse 3e divisie, geleid door generaal David Hendrik Chassé die het gat in Wellingtons troepen, toegebracht door de ultieme aanval van de Keizerlijke Garde, opvulde. De verslagen keizer werd later verbannen naar het eiland Sint-Helena.

De Leeuw van Waterloo: Nederlandse trots in Eigenbrakel

Trots op de Nederlandse bijdrage aan de overwinning besloot de nieuwe koning Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden tot de oprichting van een monument op de vlakte van Waterloo, op de vermoedelijke plek waar de prins van Oranje tijdens de slag gewond raakte. Meer specifiek werd het monument ‘De Leeuw van Waterloo’ opgericht in 1926 te Eigenbrakel in Waals-Brabant, naast Waterloo, vlak over de taalgrens. De muil van de Leeuw werd naar Frankrijk gericht. Waterloo was natuurlijk veel meer dan een bloeddorstige veldslag, het was de ultieme afrekening tussen twee visies op Europa. Enerzijds die van het moderne Frankrijk van Napoleon, anderzijds die van de grote mogendheden en hun vorstenhuizen. Zij wilden de klok terugdraaien naar het ancien régime, of misschien nog een eeuw vroeger. De inwoners van het Franse keizerrijk werden onder Napoleon voor het eerst moderne burgers die konden bogen op rechten en plichten zoals vervat in de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger. Het concrete raamwerk van de wettelijke verhoudingen tussen de burgers en de staat werd vervat in de Code Civil, de basis van de moderne rechtsstaat. Voor het eerst werd iedereen gelijk voor de wet. Veel van dit alles hebben de overwinnaars van Waterloo proberen terug te schroeven. Europa zette zo in zekere zin een stap naar het verleden. Internationaal ging het ook al de verkeerde kant op. Niet Frankrijk maar het reactionaire Pruisen zou het verloop van de volgende honderd jaar bepalen, met de bekende catastrofale gevolgen.

De Leeuw van Waterloo: Belgische weerstand tegen de Nederlandse (taal)dwang

Ondanks dat het symbool van de Leeuw van Waterloo op de heuvel van Eigenbrakel, gericht tegen de militaire oplegging van een modern, verenigd Europa onder Keizer Napoleon, moest dienen als een blijvende herinnering aan de cruciale rol van Nederland in het verslaan van deze vijand, werd de nieuwe koning Willem I voornamelijk herinnerd om diens bijdrage aan een andere kwestie: de Belgische Revolutie. Willem I had, zoals alle Europese regimes van na 1815, een autoritaire regeerstijl. Zo voortvarend als hij de economie stimuleerde, zo conservatief was zijn politiek. In bestuur en legerleiding waren de zogenaamde ‘Zuid-Nederlanders’ zwaar ondervertegenwoordigd, hoewel ze een groter deel van de bevolking en het leger uitmaakten. De taaldwang tot het Nederlands van de Noord-Nederlanders zorgde voor de nodige weerstand in het Zuiden, waar niet alleen Wallonië Franssprekend was, maar ook de adel en de bourgeoisie in Vlaanderen. De katholieken, die de meerderheid van de bevolking uitmaakten, eisten bovendien vrijheid van onderwijs en godsdienst, terwijl de nieuw-liberalen bezwaren hadden tegen de repressieve regeerstijl van Willem I. Dit leidde tot het befaamde unionisme en toen dit samengaan, geleid door jonge en besliste intellectuelen, aan kracht won, werd de afscheiding een ernstig alternatief.

Eigenbrakel: de geboorte van Mercier

Vier jaar na de oprichting van de ‘Leeuw van Waterloo’ te Eigenbrakel, vond in 1830 de Belgische Revolutie plaats: een opstand tegen koning Willem I die tot de onafhankelijkheid van België heeft geleid. Willem I’s conservatieve, contra-katholieke en contra-liberale houding ten aanzien van de Zuid-Nederlanden maakte van de Leeuw van Waterloo veeleer een teken van een ongeduldig wachten op een moderne, wetenschappelijk gedisciplineerde houding van vrijheid, gelijkheid en broederschap, opgewekt in de Franse taal van het Keizerlijke leger, tot eenheid gebracht door diens aanvoerder Napoleon. Aan de voet van dit teken werd op 21 november 1851, 20 jaar na het ontstaan van België, een kind geboren in een gezin van 9 kinderen, gedoopt Désiré Joseph Mercier. Désiré Mercier groeide op in Eigenbrakel, waar de familie Mercier, drie eeuwen tevoren uit Frankrijk naar België uitgeweken, gevestigd was sedert de helft van de 18e eeuw en waarvan zijn grootvader gedurende 34 jaar burgemeester was. Zijn grootmoeder aan vaders zijde was een Vlaamse, afkomstig van Alsemberg, Mercier zelf werd in het Frans opgevoed. De onderpastoor van zijn gemeente leerde hem de eerste Latijnse begippen.

Mechelen: de opleiding van Mercier

Désiré Mercier volgde zijn humaniora van 1863 tot 1868 aan het nog jonge Sint- Romboutscollege te Mechelen, waar hij Nederlands leerde. Daarna studeerde hij filosofie en theologie aan het Klein Seminarie van Mechelen (1868-1870) en aan het Groot Seminarie van Mechelen (1870-1873) en hij werd op 4 april 1874 tot priester gewijd. Te Leuven promoveerde hij tot baccalaureus (1875) en licentiaat (1877) in de theologie (later gelijkgesteld met het doctoraat).

Leuven: de academische loopbaan van Mercier

De jonge priester Mercier startte zijn kerkelijke loopbaan als docent filosofie aan het Klein Seminarie in Mechelen (1877-1882), waar hij tevens directeur van de afdeling filosofie werd. Daarna volgde een kwarteeuw academisch engagement te Leuven (1882-1906), waar hij in 1888 het HIW oprichtte. Die gebeurtenis is voor ons verhaal natuurlijk relevant, aangezien het dit instituut was waar Samuel Ijsseling in 1964 aan de slag zou gaan. Daarom gaan we hier iets dieper op in.

Hoe kwam de taak tot oprichting van het HIW in de handen van priester Mercier terecht? Het initiatief kwam van de toenmalige paus Leo XIII. Tijdens Mercier’s professoraat aan het Mechelse Klein Seminarie werd hij namelijk ook de geestelijke begeleider van de seminaristen. Mercier trok bovendien de aandacht van zijn oversten door zijn didactische gaven, zijn geëngageerde omgang met de studenten en zijn grote interesse voor de filosofie van Thomas van Aquino. Toen de Belgische bisschoppen in 1882 gehoor gaven aan de wens van paus Leo XIII om in Leuven een leerstoel thomistische wijsbegeerte op te richten, viel hun keuze op de relatief onbekende Mercier als titularis hiervan. Zo kreeg Mercier de kans om een instituut in te richten ter promotie van het neothomisme.

Mercier als oprichter van het HIW

In het spoor van het door paus Leo XIII gepromote neothomisme beoogde Mercier de leer van Thomas van Aquino in lijn te brengen met de verworvenheden van de moderne wetenschap. Cruciaal voor hem was de autonomie van de filosofie als wetenschappelijke discipline. Die modernistische opvatting botste met die van traditionele theologen, voor wie de filosofie slechts een opstapje was naar de theologie. Mercier vond ook dat het bij de tijd brengen van het filosofie-onderwijs vereiste dat de lessen in een levende taal – het Frans – werden gegeven en niet langer in het Latijn. Dit eigentijdse statuut van de filosofie als wetenschappelijke discipline en Mercier's vervanging van het doodse Latijn door een levende taal, met name, het Frans, kan men - mits enige kunstgreep - begrijpen op de achtergrond van de reeds vermelde Leeuw van Waterloo. In het juridische domein ruimden de Franse overheersing en de Code Napoléon immers heel wat Latijn op, maar bracht er ook veel Frans voor in de plaats. Eenzelfde situatie lijkt enigszins herkenbaar in Mercier's eigenzinnige opvattingen aangaande de implementatie van een neothomistisch instituut in Leuven. In 1887 slaagde Mercier erin de paus te winnen voor zijn idee om in Leuven een HIW op te richten. Ondanks het principiële verzet van de rector en pogingen om hem in Rome in diskrediet te brengen, slaagde hij erin om zijn Instituut binnen de universiteit een grote graad van autonomie te bezorgen. De oprichting van het interdiocesane Leo XIII-Seminarie enkele jaren later was bedoeld om de recrutering van studenten voor het Hoger Instituut te stimuleren. Van bij het begin stond het filosofie-onderwijs aan het Instituut echter uitdrukkelijk ook open voor leken. Naast alle organisatorische beslommeringen bij de uitbouw van ‘zijn’ instituut was Mercier in zijn Leuvense jaren ook intellectueel zeer actief. Zijn publicaties op het vlak van de experimentele psychologie, de logica en de metafysica bezorgden hem internationale faam.

Mercier als hoofd van de Kerk in België

Na de oprichting en organisatie van het HIW te Leuven, keerde Mercier in 1906 terug naar Mechelen. In 1906 werd Mercier immers benoemd als zestiende aartsbisschop van Mechelen, in opvolging van de overleden kardinaal Goossens. Een jaar later kreeg hij de kardinaalstitel. Van internationaal gereputeerd academicus werd hij nu de herder van het belangrijkste Belgische bisdom en het feitelijke hoofd van de Kerk in België. Net als in Leuven legde Mercier in Mechelen als aartsbisschop een koortsachtige activiteit aan de dag. De intellectuele en spirituele vorming van zijn priesters lag hem nauw aan het hart. Regelmatig hield hij conferenties voor de seminaristen van het Groot Seminarie. De publicatie ervan onder de titel A mes séminaristes kende grote weerklank en droeg bij tot de herijking van het ideaal van de diocesane priester.

Merciers sociale gevoeligheid

Op sociaal vlak gaf Mercier eveneens blijk van een grote openheid. Sociale voormannen als de dominicaan Georges Rutten en de jonge Jozef Cardijn vonden in Mercier een medestander in hun streven naar ontvoogding van de arbeidersklasse. Ook Victoire Cappe en Maria Baers, die aan de basis lagen van de christelijke sociale vrouwenbeweging, konden rekenen op zijn steun.

Merciers geloof in de superioriteit van het Frans als cultuur- en wetenschapstaal

Met de leiders van de Vlaamse Beweging had Mercier daarentegen een zeer moeizame relatie. Hun streven naar vernederlandsing van het middelbaar en hoger onderwijs in Vlaanderen botste bij de Mechelse aartsbisschop op taaie tegenstand. Mercier had weliswaar geen principiële bezwaren tegen het Nederlands, maar bleef niettemin zijn leven lang overtuigd van de intellectuele superioriteit van het Frans als cultuur- en wetenschapstaal. Die attitude lag aan de basis van zijn hardnekkig verzet tegen de vernederlandsing van de Gentse universiteit of het ontdubbelen van de lessen aan de universiteit van Leuven. In de aartsbisschoppelijke colleges stond hij wel toe dat een aantal vakken geheel of gedeeltelijk in het Nederlands werden onderwezen. De starre houding van Mercier ten aanzien van de taalkwestie in België staat in contrast met de openheid en soepelheid die hem op zoveel andere terreinen kenmerkte.

Merciers wantrouwen jegens de Vlaamse beweging

Op het moment dat Mercier benoemd werd als kardinaal, droeg dit - wegens Merciers reputatie als progressieve vernieuwer - nog de algemene goedkeuring van de katholieke Vlaamsgezinden weg: van politici als Joris Helleputte (overigens de architect verantwoordelijk voor het HIW), van geestelijken als Theodoor van Tichelen, van professoren als Emiel Vliebergh en van studenten en oud-studenten als Frans Van Cauwelaert. Vlaamse studententijdschriften drukten de hoop uit dat de Vlaamse beweging bij zijn benoeming baat zou vinden. Mercier wilde voor de Vlaamse kwestie in het vrij onderwijs liever een regeling door de Kerk (de bisschoppen) dan door de wet, waardoor Vlaamsgezinden hierbij heil verwachten van een herwaardering van het Nederlands door de bisschoppen. Maar ondanks dat hij een bisschoppelijke oproep deed tot eerbied voor het Nederlands, bleef Mercier overtuigd van de meerwaarde van het Frans als cultuurtaal, tot grote frustratie van de groep Vlaamsgezinden, die in meerderheid uit katholieken bestond. Naarmate zijn episcopaat vorderde, leidde dit tot vervreemding tussen de kardinaal en een deel van de Vlaamse clerus in het aartsbisdom. Het wantrouwen van Mercier ten aanzien van de Vlaamse Beweging werd nog aangescherpt toen sommige van haar leiders tijdens de Eerste Wereldoorlog kozen voor een collaboratiepolitiek met Duitsland om een aantal Vlaamse eisen te verwezenlijken.

Merciers kalmerende weerstand tegen de Duitse bezetter

Tijdens de Eerste Wereldoorlog profileerde Mercier zich als een vurig propagandist van de Belgische vaderlandsliefde. De eerste Duitse gouverneur-generaal van het bezette België, von der Goltz, vestigde zich op 3 september 1914 in Brussel. Zijn betrekkingen met Mercier waren niet bepaald onvriendelijk. Hij bleek bereid in te gaan op de wens van de kardinaal om de priesters en onderwijzers die bij de invasie als gijzelaars gedeporteerd waren, te laten repatriëren. Bij hun eerste onderhoud stipte Mercier meteen aan dat België alleen voor het geweld van de sterkste was bezweken en dat hij de nieuwe situatie niet principieel kon aanvaarden. Mercier wou enkel de, door de Duitsers verwachte, ‘kalmerende rol’ spelen in een louter passieve uitoefening, nl. het verhinderen van gewelddaden, maar zeker niet in het positief voor het volk aanvaardbaar maken van de bezetting.

Merciers Belgisch patriottisme

De onmiddellijke aanleiding voor de spanningen met de bezetter en het eerste groot conflict was de publicatie van een herderlijk schrijven Patriotisme et Endurance ('Over vaderlandsliefde en standvastige lijdzaamheid') gedateerd Kerstmis 1914 maar eerst op 1 januari daarop gepubliceerd. In deze kerstboodschap sprak de kardinaal vol lof over het dappere Belgisch leger, dat de Duitsers toch tijdelijk tot staan had kunnen brengen, en onomwonden werden de vernielingen en verwoestingen aangeklaagd die door de binnenrukkende troepen waren aangericht. Hij veroordeelde ook in zeer strenge taal de terechtstelling van onschuldige burgers. Hij kende aan het patriottisme – volgens Thomas van Aquino een christelijke deugd - een eigen morele waarde toe, die van alle burgers, ook de niet-katholieke, edeler mensen maakte. De burgers waren aan de wederrechtelijke bezetter geen gehoorzaamheid verschuldigd. Hij riep op tot volhardende standvastigheid te midden van de talloze beproevingen.

De brief, die door de andere bisschoppen om diverse redenen niet ondertekend werd, was voor de getroffen bevolking een hart onder de riem. Met de Belgische koning het land uit, kreeg Mercier de rol toebedeeld van de moedige belichaming van het verzet door het Belgische volk. De verspreiding, ook in het buitenland, van de brief van Kerstmis 1914 joeg de Duitsers op stang. De Duitse gezant bij de Heilige Stoel tekende bij het Vaticaan krachtig protest aan en beschuldigde Mercier van woordbreuk en misbruik van vertrouwen omdat de Duitsers van hem verwacht hadden dat hij “kalmerend” zou optreden, terwijl de kersboodschap zonder meer opruiend was en tot verzet aanhitste. Vruchteloos probeerden de Duitsers hem spreekverbod op te leggen of hem het land uit te krijgen. Mercier bleef echter – figuurlijk dan – op de barricaden staan. Het leverde hem na de oorlog een huizenhoog internationaal prestige op.

Merciers na-oorlogse heropbouw dankzij internationaal prestige

In het najaar van 1919 maakte de kardinaal op uitnodiging van de Amerikaanse regering een twee maanden durende rondreis door de Verenigde Staten. Officieel had hij de reis aanvaard om de Amerikanen te danken voor hun militaire en logistieke steun tijdens de oorlog. Maar tegelijk was het zijn doel fondsen in te zamelen voor de materiële heropbouw van het land. De Belgische kardinaal werd overal met eerbetoon overladen. Langs het traject stonden duizenden mensen te wachten om een glimp op te vangen van de kerkvorst die tegen wil en dank een oorlogsheld was geworden. Mercier liet zich de aandacht welgevallen, gaf een aantal druk bijgewoonde lezingen en slaagde erin van de Amerikaanse universiteiten en hogescholen het geld los te krijgen voor de heropbouw van de Leuvense universiteitsbibliotheek die in augustus 1914 in vlammen was opgegaan. Kardinaal Mercier overleed in Brussel op 23 januari 1926.

Na Mercier: de hype van Heidegger

Eén jaar na de dood van Mercier, in 1927, voltrok zich - 500 km verwijderd van de Belgische plaatsen die in Mercier’s leven zo van betekenis waren (met name Eigenbrakel, Mechelen en Leuven) - een gebeurtenis die voor het, door Mercier, opgerichte Hoger Instituut der Wijsbegeerte van grote betekenis zou zijn. Die gebeurtenis was de publicatie van het proefschrift van een leerling van de fenomenoloog Edmund Husserl, de Duitser Martin Heidegger, meer bepaald: diens monumentale proefschrift getiteld Sein und Zeit aan de universiteit van Freiburg. Martin Heidegger zou de nieuwe profeet van het Avondland worden en een onophoudelijke controverse opwekken in de Europese filosofie, en bijgevolg ook in het door Mercier opgerichte Hoger Instituut der Wijsbegeerte.

Heidegger’s afkomst

Martin Heidegger werd één jaar na de oprichting van het HIW, in 1889, geboren in Meßkirch in Zuidwest-Duitsland. Hij groeide op in een eenvoudig, katholiek gezin. Zijn ouders hadden weinig geld en praktisch al zijn studies werden door de kerk betaald. In 1909 begon hij een studie theologie in Freiburg, omdat hij priester wilde worden. Doorheen een zware, existentiële crisis stapte hij in 1911 over op filosofie en brak met de kerk. Hij volgde de colleges moderne filosofie bij Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie.

Heidegger’s profiel

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak werd Heidegger opgeroepen voor militaire dienst. Hij trouwde in 1917 en kreeg een zoon, die niet door hem was verwekt, maar door hun huisdokter. Hieruit bleek dat Heidegger en zijn vrouw een zogenaamd open huwelijk hadden, waarbij zij allebei vrij waren om ook met anderen een relatie te hebben. Heidegger was een “rokkenjager” (aldus Ijsseling’s indruk toen hij Heidegger bezocht), alhoewel Heidegger zichzelf tijdens zijn academische lessen omschrijft als “verlegen”. Hij gaf les in boerenkledij, wandelde lang op het platteland en vertoefde vaak in zijn hut in het Zwarte Woud, waar hij veel van zijn teksten schreef. Zijn broer, de stotterende, drinkende en soms voor dorpsgek versleten, Fritz Heidegger, verzorgde de eindredactie van de door Martin handgeschreven manuscripten. Het jonge publiek was laaiend enthousiast over zijn filosoferende manier van lesgeven, in zware bewoordingen en met priemende ogen, over het zijn, de tijd, de primordialiteit van het eigen bestaan en de nood aan een destructie van de klassieke, Latijnse metafysica.

Heidegger’s aantrekkingskracht

In het Duitsland van het interbellum bleek Heidegger’s filosofie uiterst aantrekkelijk voor een door de oorlog door elkaar geschudde, generatie jonge filosofen. “Er was nauwelijks meer dan een naam, maar die naam reisde door heel Duitsland, zoals het gerucht van de heimelijke koning... Het gerucht zei heel eenvoudig: het denken is weer levend... Er is een leraar...”. Met die woorden beschreef Hannah Arendt achteraf de betovering die Martin Heidegger op haar en haar studiegenoten uitoefende in een tijd dat de man nog vrijwel niets gepubliceerd had. Arendt ontmoette Heidegger in de herfst van 1924, toen zij aan de universiteit van Marburg aan haar studie filosofie begon. Tussen de achttienjarige studente van joodse komaf en de vijfendertigjarige docent en vader van twee kinderen ontspon zich een liefdesrelatie, die in 1928 door Heidegger werd verbroken toen hij zijn leermeester Husserl als hoogleraar in Freiburg opvolgde.

Heidegger in de context van het nationaal-socialisme

Arendts’ sprookje van intellectuele aanbidding werd niet veel later doorprikt. Arendt ontvluchtte Duitsland in augustus 1933, drie maanden nadat Heidegger lid was geworden van de NSDAP en aan de universiteit van Freiburg zijn beruchte rectoraatsrede had gehouden, waarin hij zijn onvoorwaardelijke loyaliteit met het nazi-regime uitsprak. In het nuchtere Nederland keek men reeds van tevoren vreemd op van de Duitse adoratie van Heidegger’s magnum opus. Herman Wolf was buitengewoon negatief over het proefschrift van Martin Heidegger, deze nieuwe ‘profeet’ uit Duitsland. “Het is een esoterisch boek en niet veel anders dan de psychologisch belangwekkende beschrijving van de zielenood van een representatief Duitsch intellectueel van plusminus 1930, die gekweld wordt door een hevige morele en religieuze crisis, waaruit hij geen redding ziet.” Deze in crisis verkerende Heidegger had, volgens Wolf, een ondoorgrondelijk boek geschreven ter analyse van de tijdgeest die zich zou overgeven aan de 'zijnden' - de dingen om ons heen - en die geen aandacht meer zou hebben voor de vraag wat het betekent om te leven en te sterven. Heidegger was vooral geïnteresseerd in de angst voor de dood, die volgens hem ons hele leven zou kleuren. Die angst zou je ten minste één keer moeten toelaten. Je moet de afgrond in durven te kijken en het overweldigende gevoel van het naderende einde over je laten komen, aldus Wolf over Heidegger’s proefschrift. “Het heeft diep cultuurhistorische beteekenis dat de nevels en schemeringen van het "gevoel", het blinde geweld van de chaos, de duizelingen van den afgrond, de apotheose van de dood en nietigheid, ook in de philosophie de overhand gekregen hebben”, schreef Beerling in 1935 in Antithesen.

Heidegger’s filosofie als een dreiging voor het Nederlandse volk

Nog een andere Nederlander, Henk Pos (1898-1955), voelde dat er iets mis zat in de filosofie van Heidegger, bij wie hij nog college had gelopen. Toen zijn vrees bewaarheid werd en Martin Heidegger in 1933 openlijk partij koos voor de nazi's, verbrak Pos de tot dan toe vriendelijke contacten. Hij besloot het Nederlandse volk te waarschuwen voor het nieuwe gevaar uit Duitsland en richtte het Comité van Waakzaamheid op. Op 27 juni 1936 was het Comité een feit. Tot de leden behoorden denker-schrijver Menno ter Braak (1902-1940), historici Jan en Annie Romein en de filosofen Titus Brandsma, Leo Polak en Abraham Kohnstamm (1875-1951). De eerste brochure die het Comité uitgaf, geschreven door Kohstamm, droeg de titel: Het nationaalsocialisme als geestelijk gevaar. De inleiding was van Pos, die in 1939 de bundel Anti-semitisme en jodendom publiceerde. Het Comité kon de vijand echter niet verslaan. In 1940 brak de nationaal-socialistische filosofie, gesteund door een Duitse bezettingsmacht, definitief door in Nederland en Vlaanderen.

Heidegger en diens betekenis voor jonge generaties

De Heidegger-fascinatie van hele voor-oorlogse én vele na-oorlogse generaties aankomende filosofen was ergens wel begrijpelijk. In het voor-oorlogse Sein und Zeit, keerde Heidegger de van oudsher heersende rangorde tussen contemplatie en activiteit resoluut om. Het primaat kwam niet langer toe aan de theorie maar aan de praktijk. Maar meer nog dan aan zijn pragmatisme dankt Sein und Zeit zijn brisante werking aan de incorporatie van de existentiefilosofie van Sören Kierkegaard. De mens, meent Heidegger, zal zijn angst voor de dood niet langer mogen ontwijken en de eigen eindigheid als ultieme conditie voor een waarlijk menswaardig bestaan zien te aanvaarden.

Bovendien zou Heidegger, in na-oorlogse publicaties, de toegang tot het ware denken verbinden aan het ware gebruik van de ware taal: alleen door het meest Duitse Duits te gebruiken - wat voor Heidegger het dichtende Duits van Hölderlin betekent - zou het meest Griekse Grieks verschijnen, te weten: het dichtende denken van de pre-socratici. Het denken van de socratici zou immers volgens Heidegger doorheen eeuwen van vertalingen en commentaren door een al te rooms-katholieke latinisering herleid zijn tot een al te ontotheologisch subjectdenken, hetgeen volgens Heidegger tot een zijnsvergetelheid en een te dominante visie op de autonomie van het subject heeft geleid.

Kortom, met, enerzijds, Heideggers voor-oorlogse verheerlijking van een authentieke, existentiële omgang met de dood tegenin en doorheen de veramerikaniseerde massa, en, anderzijds, zijn na-oorlogse lyriek van een onvertaalbaar Duits dichtend denken op de achtergrond van een rooms-katholieke latinisering en diens veronderstelde forcering tot een zogenaamd ‘wetenschappelijk-technisch’ subject, werden generaties klaargestoomd die in Heidegger’s filosofie een soort van mystiek antwoord zagen tegen het woekerende Engelstalige consumentisme en Angelsaksische sciëntisme.

Heidegger’s invloed

Het denken van Heidegger kwam in Frankrijk binnen via de publicaties van Jean-Paul Sartre, Herbert Marcuse en niet te vergeten, misschien wel met de meest brede invloed: Alexander Kojève. In België stond vooreerst Alphonse De Waelhens en voornamelijk Samuel Ijsseling garant voor een solide heiddeggeriaans denkkader in de Leuvense Universiteit. Beide universiteitssteden – Parijs en Leuven – zouden zodoende een grote heideggeriaanse invloed uitoefenen op Nederlandstalige wijsgeren, zowel in België als in Nederland, tot in de late jaren negentig.

In het algemeen hadden de filosofen van katholieken huize meer moeite met Heidegger dan die van hervormde en gereformeerde denominatie in Nederland, wat ongetwijfeld samenhing met het feit dat hun huisfilosoof Thomas van Aquino door Heidegger bij diens ontmanteling van de metafysica niet was gespaard. Het was Samuel IJsseling die met zijn proefschrift Heidegger: Denken en danken, geven en zijn uit 1964 in Leuven voor een doorbraak onder katholieke filosofen zorgde. Heidegger, en diens explosieve mengeling van voor-oorlogs, authentiek existentïeel pragmatisme en diens na-oorlogse nadruk op de filosofische rol van symbolische taalgevoeligheid, kreeg ruime toegang tot het geestelijk leven in het HIW te Leuven, in de toenmalige context van een taalstrijd waarin een universiteit gesplitst werd, in een land met een groeiende kloof tussen door de oorlog verlamde, katholiek conservatieve ouders en onbegeleide, na-oorlogse, anarchistisch-progressieve, experimenterende jongeren.

Heidegger’s continentale positie

In de tweede helft van de jaren zestig kregen het existentialisme en de existentialistisch getinte fenomenologie in toenemende mate te kampen met concurrentie van de uit Duitsland geïmporteerde kritische theorie en de uit Engeland overgewaaide analytische filosofie. Hoewel het tussen de fenomenologen en de kritische theoretici zeker niet altijd boterde, vertoonden ze toch de neiging tegen elkaar aan te kruipen toen de analytische filosofie zich breed ging maken. Dat leidde tot een regelrechte oorlog tussen 'continentale' en 'Angelsaksische' filosofie. In Nederland werd hierbij een strijd uitgevochten tussen de protagonisten Frits Staal en Jan Aler aan de universiteit van Amsterdam. We gaan kort in op de verhouding tussen Aler en Staal. Hun meningsverschil toont goed aan hoe men de impact van de heideggeriaanse filosofie en diens verspreiding onder Nederlandstalige filosofen beleefde.

Heideggeriaan Jan Aler verbleef in de jaren 1935-36 en 1938-39 enige semesters in Freiburg, waar Heidegger een onuitwisbaar stempel op zijn verdere ontwikkeling drukte. Heidegger aanvaardde Alers ontwerp voor een dissertatie over de dichter Stefan George, maar de promotie kon aanvankelijk vanwege de oorlogsdreiging niet doorgaan en vond uiteindelijk in 1947 in Amsterdam plaats. De feestbundel die in 1970 ter gelegenheid van Alers zestigste verjaardag verscheen, opende met een verheerlijkende dankbrief van Heidegger, waarin hij zijn oud-leerling 'kein Höriger sondern ein Hörender' noemt.

Kort nadat Aler in 1965 hoogleraar esthetica in Amsterdam was geworden, kwam hij echter in aanvaring met Staal, die hier drie jaar tevoren tot hoogleraar systematische en vergelijkende wijsbegeerte was benoemd. De persoonlijke en inhoudelijke tegenstellingen tussen beiden escaleerden snel tot een heuse stellingenoorlog, die ook buiten de universiteit van Amsterdam tot heftig wapengekletter leidde. Eind van het liedje was dat Staal in 1967 naar Amerika vertrok, waar hij hoogleraar in Berkeley werd. Maar niet nadat hij, zoals Aler het ooit uitdrukte, "nog snel en rauwelijks zijn gram haalde" met het in De Gids gepubliceerde essay Zinloze en zinvolle filosofie. In dat essay merkte Staal op dat Europa zich wel van het Duitse politieke en militaire juk had bevrijd, maar niet van het filosofische. Dat geldt vooral voor Frankrijk, waar het verslagen Duitsland als een soort geestelijke bezettingsmacht is blijven rondwaren, maar ook voor België en Nederland, die nog steeds in de ban van Duitsland verkeren.

Ijsseling’s rol in de vertaling en verspreiding van het Franse denken onder Nederlandstalige filosofen

Het door Heidegger opgewekte, Franse denken, werd door Ijsseling binnengebracht in Mercier's Instituut te Leuven en sijpelde zo binnen in Nederland. Zo bracht Ijsseling bijvoorbeeld het denken van de Fransman Jacques Derrida naar het Nederlandse taalgebied. Derrida ontving in 1989 in Leuven een eredoctoraat uit handen van IJsseling. Het kanaal langswaar die invloed in Nederland binnensijpelde, de spreekwoordelijke brug tussen Parijs en Amsterdam, was volgens Ijsseling het internationaal befaamde Tijdschrift voor Filosofie (TvF) van het HIW te Leuven.

“U zag het TvF vroeger als een brug tussen de Franse filosofie en Nederland?"

Ijsseling: “Ja, zeker. Dat was het Instituut ook. Vroeger was het Instituut veel meer een soort scharnierpunt tussen Frankrijk, Duitsland en Nederland. Engeland bestond bijna niet, Amerika eigenlijk ook niet. De Franse filosofie stond hier van oudsher heel erg centraal (vb. Bergson, Merleau-Ponty) en anderzijds ook de Duitse filosofie (Heidegger, Husserl, later Habermas). Leuven en ook het TvF was er het instrument van. Tegenwoordig leest men nu die Franse auteurs in Nederland in Engelse vertalingen, maar dat begint in België ook.”

Ijsseling en het Tijdschrift voor Filosofie

Ijsseling wordt verantwoordelijk geacht voor de implementatie van het, door Heidegger aangestoken, Franse denken in het Belgische Leuven. Daarnaast lijkt hij echter ook een grote rol te hebben gespeeld in het kanaliseren van die implementatie tot in Nederland, en wel door een zeer specifiek instrument, te weten: het Leuvense Tijdschrift voor Filosofie. Maar hoe kwam Ijsseling tot dat instrument? Het antwoord ligt in de impact van zijn proefschrift, Heidegger: Denken en danken, geven en zijn. Met zijn publicatie kreeg Ijselling, zelf een uitgetreden jezuiet, de kans om een bepaald tijdschrift van de dominicanen te gebruiken als Leuvens kanaal tussen Nederlandse wijsgeren en de Franse, door Heidegger gekleurde, filosofie. Het TvF werd namelijk in 1939 gesticht door de dominicanen. Maar al in 1971 gaf het HIW zijn akkoord voor actieve medewerking aan het TvF en vanaf 1979 werd het TvF overgenomen door het HIW.

“Welke rol hebt u gespeeld bij de overgang van het TvF van de dominicanen naar het HIW?”

Ijsseling: “In 1964 ben ik gepromoveerd op een proefschrift over Heidegger, dat is uitgegeven als een boek: Denken en danken, geven en zijn. Ik was nogal ontevreden over het laatste hoofdstuk, dat over de ontologische differentie ging. Onmiddellijk nadat het boek gepubliceerd was, heb ik een artikel geschreven over het zijn van de zijnden en het opgestuurd naar het TvF. De Petter [dominicaan, voorzitter tot zijn overlijden in 1971] was daar nogal enthousiast over en ik vond dat toen ook een hele eer om in het TvF te mogen publiceren. Van dat moment af is er eigenlijk een bepaald soort vriendschap gegroeid tussen De Petter en mij. Ik ben ook later heel veel bij De Petter geweest. Hij was de oprichter van het TvF en is daar ook heel verdienstelijk voor geweest. Mede door mijn vriendschap was er een soort van goodwill ontstaan tussen het TvF en mij. Door ontwikkelingen in de kerkelijke situatie [minder roepingen, uittredingen] konden de dominicanen dat tijdschrift niet langer uitgeven.”

“Waren er mensen gekant tegen de overgang van het TvF van de dominicanen naar het Instituut?”

Ijsseling: “Ja, er waren zelfs stemmen: nog liever opheffen dan het uit handen geven. Maar mensen als De Petter en De Brie waren zeer redelijk en vonden het ook heel belangrijk dat het voortgezet werd. De afbrokkeling van de kloosterordes was ook in bredere zin een probleem. Die kloosters waren daar niet allemaal op voorbereid en konden ook nog niet inzien dat het een soort afbraak was. Men wist niet of het echt definitief was of een tijdelijk verschijnsel zou zijn. Er waren mensen die het verschijnsel zelfs radicaal ontkenden voor zichzelf. Men moet dat ook niet onderschatten. Dominicanen en jezuïeten waren intellectueel heel belangrijke factoren in het katholieke Vlaanderen. Het TvF was daar ook een facet van. Bij de stichting van het TvF werd gesteld dat het standpunt van het TvF uitgesproken spiritualistisch was, maar tegelijk wilden de stichters iedere neiging tot exclusivisme weren. De interpretatie van de filosofie van Thomas van Aquino in een artikel van De Petter — een interpretatie die niet geheel in de lijn van het thomisme lag dat vanuit Rome werd gepropageerd —, zorgde voor een censuur door de dominicanen in Rome in de eerste jaren van het bestaan van het TvF.“

“Op welke wijze is volgens u de invloed van de Kerk op het TvF geëvolueerd?”

Ijsseling: “Het TvF was van het begin af aan niet een typisch katholiek tijdschrift, maar er was toch zowel op het filosofisch instituut (tot in de jaren 50 en zelfs nog het begin van de jaren 60) als in het TvF een soort van vanzelfsprekende meer spirituele — sommigen zeggen meer personalistische — gerichtheid. Op dat punt zijn er toch heel grote veranderingen in de mentaliteit gekomen. Niet dat het TvF vrijzinnig (antiklerikaal) is geworden. Ik denk dat er moeilijk plaats is voor artikelen die uitdrukkelijk antikerkelijk zijn, met een uitgesproken atheïstische ideologie. Tegelijkertijd denk ik niet dat er een soort ideologische censuur is. Iemand die zich duidelijk in de atheïstische richting wil affirmeren, stuurt geen artikel op naar het TvF. Maar ik denk niet dat er in de redactie een probleem is van ideologische uitsluiting, wel een eis van kwaliteit. Ik zie dat eerder als een continuïteit dan als een breuk. Het TvF heeft altijd opengestaan voor allerlei verschillende stromingen.

Ongeveer gelijklopend aan de timing waarop Ijsseling met het HIW actief begint mee te werken aan het Tvf, met name in 1971, begint ook een andere docent diens carriere aan het HIW. In 1973 wordt Herman De Dijn immers docent aan het HIW. De Dijn: “Ik ben begonnen als docent aan deze universiteit in 1973. En dat was, vlak na de splitsing van de Nederlandstalige en de Franstalige afdeling, een periode van enorme bloei. Hier op het HIW was men net begonnen met het Engelstalige programma en daar had men nieuwe mensen voor nodig, die bovendien de taal goed machtig waren. Als postdoctorandus komende van Cambridge paste ik in het plaatje van die uitbreiding.” Anders dan Ijsseling zal deze filosoof zich later veel explicieter laten benoemen als een conservatieve, katholieke filosoof, iets wat Ijsseling zelf - als voornamelijk postmoderne filosoof - niet meteen beoogde.

Ijsseling en de inferioriteit van de verengelsing

Met de overname van het TvF door het HIW ontstond een grotere nadruk op de stimulatie van het filosoferen in het Nederlands. Op de achtergrond van de toenmalige splitsing van de universiteit van Leuven was dat natuurlijk geen vreemde zaak. Toch zou de nadruk van de noodzaak tot een platform voor Nederlandstalige filosofie langzaamaan losgekoppeld worden van de superioriteit van de Franse taal als cultuur- en wetenschapstaal, zoals Mercier dat nog had bepleit. Meer en meer verschuift het vijandsbeeld van de Nederlandstalige filosofie naar het schrikbeeld opgewekt door de grote publicatiedruk van buitenlandse universiteiten die de Engelstalige lingua franca opleggen, die niet langer op een leesbare manier het praktische, zinvolle bestaan bevragen, maar veeleer een systeem van expertise-rankings en gespecialiseerde publicatiedrift installeert op Europese bodem.

“Wat is volgens u de taak en de functie van het TvF?”

Ijsseling: “Het is altijd, en nog steeds, het ideaal geweest dat het TvF in het Nederlands gepubliceerd wordt en dat Nederlandstaligen uitsluitend in het Nederlands mogen publiceren, omdat het toch belangrijk is dat er een forum is, een soort gemeenschap van filosofen die de mogelijkheid hebben om in het Nederlands te publiceren, en dan nog op een hoog niveau, en dat er ook een mogelijkheid is van een filosofische discussie in het Nederlands. Er is natuurlijk wel een heel grote tendens, ook in de filosofie in Vlaanderen en Nederland, om helemaal over te gaan naar een verengelsing. Het Engelstalige is bijna overheersend. Ik persoonlijk betreur dat ten zeerste, maar dat is waarschijnlijk toch een beweging die niet meer tegen te gaan is. Maar natuurlijk is het TvF niet alleen Nederlandstalig. Het criterium voor een buitenlands artikel moet nog strenger zijn, vind ik, dan voor een Nederlandstalig artikel. Het TvF is ook belangrijk als een forum voor wat er in de hedendaagse tijd aan filosofie beoefend wordt. Het zou interessant zijn om de hele geschiedenis van het TvF zo na te gaan. Ik denk dat dat ook een soort weerslag is van de ontwikkeling van belangstelling, stijl en soorten in de filosofie. Je kan daar bijna de geschiedenis van de Nederlandstalige filosofie in terugvinden. En het TvF is natuurlijk ook een beetje een visitekaartje van Leuven, het is internationaal bekend. Er zijn toch een heel aantal buitenlandse abonnementen en grote buitenlandse bibliotheken zullen het wel hebben."

Zoals vermeld stelde Ijsseling zichzelf niet meteen voor als een katholiek filosoof, een beschrijving die De Dijn zelf wel toeliet. Veeleer stond Ijsseling voor een postmoderne pluraliteit, ook in het religieuze. Met de heruitgave van Ijsseling’s proefschrift kwam deze instelling van Ijselling naar voren in de laatste regel van de inleiding van de redactie, een regel waaruit misschien zoiets als een ‘historisch contingent gegroeid pluralisme’ kan opgemaakt worden:

“Met deze heruitgave van teksten van Samuel Ijsseling beogen we nog iets anders. We willen laten zien dat filosofie niet alleen kan worden bedreven in het Frans (wat kardinaal Mercier dacht, de oprichter van het Leuvense Institut Superieur de Philosophie) of in het Duits (wat Heidegger dacht), of in het Engels (wat tegenwoordig bijna iedereen denkt), maar ook in het Nederlands.”

Ijsseling en Lacan’s kritiek op Heidegger én Mercier

Toch lijkt dit laatste citaat niet dekkend voor de postmoderne insteek die Ijsseling binnenbracht in de Lage Landen. Hiervoor is Ijsseling's appreciatie van de de rol van een specifieke Franse denker, Jacques Lacan, te weinig doordacht gebleven in de opmerking van Ijsseling’s redactie. Met de implementatie van Lacan in Leuven, werd immers ook een unieke, psychoanalytische taalkritiek geïmplementeerd in heideggeriaanse filosofie-kringen (zie voor een, wat mij betreft, meesterlijk beschrijving hiervan, Paul Moyaert's Schizofrenie vanuit psychoanalytisch perspectief). Bovendien raakte die kritiek evenzeer de vreemde overtuiging van Mercier inzake diens geloof in de superioriteit van het Frans als cultuur- en wetenschapstaal.

Enerzijds gaat Lacan immers mee in het heideggeriaanse afscheid van het subject als centrum van kennis en wereld. Anderzijds laat Lacan ook terdege kritiek toe op elkeen die een bepaalde taal of taalgebruik als een unieke bron van waarheid of identiteit ziet, die onvertaalbaar zou zijn en die hoogstens toegeëigend kan worden. Het is die kritiek die zowel Merciers geloof in de superioriteit van het Frans, als Heidegger’s lyrische verheerlijking van het dichtende Duits, treft. En zodoende lijkt een mogelijk gevolg van Ijsseling’s implementatie van Lacan in Leuven - maar hier moeten we heel voorzichtig over zijn – de beloftevolle verschijning van een zeldzame nieuwe positie op het Belgische schaakbord.

Dat Lacan voor Ijsseling best belangrijk was, bleek ondermeer uit een tweewekelijkse leesgroep, die hij eertijds organiseerde, met als participanten Rudolf Bernet, Rudi Visker, Herman De Dijn, Jacques De Ryckere, Arnold Burms en Paul Moyaert, waarin het oeuvre van Lacan werd gelezen en besproken. Zelf was hij ook trots om de eerste Nederlandstalige publicatie op zijn naam te hebben inzake Lacan:

“Is het TvF voor u als filosoof van belang geweest?”

Ijsseling: “Het TvF heeft voor mij persoonlijk heel veel betekend. Niet zozeer als voorzitter van de redactie, maar gewoon als kanaal van publicatie. Ik heb nogal wat in het TvF gepubliceerd [meer dan 20 artikels], ik was daar ook altijd heel blij mee om dat te kunnen doen. Ik ben ook de eerste geweest die een Nederlandstalig artikel over Lacan gepubliceerd heeft. Daar ben ik nog altijd een beetje trots op.”

Ijsseling en de Leuvense Lacan

Met Lacan kwam er, zoals gezegd, een nieuwe stem op het toneel van het HIW. Die nieuwigheid had te maken met Lacan’s impact op de fenomenologische veronderstellingen van Heidegger. Ondanks zijn existentialistische vernieuwing van de ‘bloedloze’ fenomenologie van zijn leermeester, was Heidegger immers nog steeds ergens schatplichting in diens denken aan Husserl. Aangezien Lacan’s denken bepaalde basiselementen van Husserl’s fenomenologie aanviel, wekte deze inondatie in Lacan's denken bij heideggerianen een kritische transformatie op van hun positie (zie voor een verdere analyse van deze uiterst intrigerende relatie tussen fenomenologie en psychoanalyse: Wat is de rol van de verwoording in de genealogie van de psychoanalyse?). Sinds de Leuvense filosoof-pater Herman Van Breda de uitgebreide collectie aan geschriften en manuscripten van Edmund Husserl, en diens vrouw en kinderen, redde uit de handen van de nazi’s, werd Leuven bovendien het centrum van de fenomenologie. Ijsseling bracht Lacan zover om in 1972 te Leuven een - overigens gefilmde- lezing te geven.

Ook ontsnapten overtuigingen in de aard van Merciers superioriteitsgevoel als Keizer van België, als hoogste, onto-theologische subject van België in termen van de Latijnse, Franse taal, niet aan de lacaniaanse implicaties. In die zin toont Lacan – als de Franse Freud – zich als een minstens even origineel denker als Heidegger. Met Lacan werd immers inzichtelijk hoe Heidegger eigenlijk net als Mercier onderhevig was aan diens appreciatie van diens eigen moedertaal. Een appreciatie waar op zich niets mis mee is, maar die geheel oninzichtelijk blijft – en zich daarom niet leent als een klaar en onderscheiden, filosofisch argument – noch voor diegene die erdoor gesproken wordt, noch voor diegenen die er door aangesproken worden.

Bovendien werd met Lacan duidelijk, en dit is misschien nog wel diens belangrijkste les, dat men met een bepaalde taal geen toegang krijgt tot het ware denken, maar dat men net door elke taal, door taal an sich, de toegang ontzegd wordt tot zoiets als waarheid. Wat men hoogstens kan doen, is op een authentieke manier omgaan met die talige conditie, alsook niet verkeerdelijk veronderstellen dat men ten aanzien van een klaar en onderscheiden correspondentie van taal en denken er zelf (n)ooit in geslaagd was/zal slagen, noch dat anderen hiertoe (n)ooit in staat waren/zullen zijn. In Lacan’s psychoanalytische termen bleek zo hoe zulk een ontkenning of miskenning van die talige conditie tot exclusie van de waarheid, leidt tot bepaalde symptomen die zich laten opmerken bij, enerzijds, Merciers hardnekkige superioriteit van het Frans versus het Vlaams én, anderzijds, Heideggers ophemeling van het dichtende Duitse, onvertaalbare denken als toegang tot het ware Griekse denken versus het Engelstalige amerikanisme.

Na Ijsseling

Rudi Visker, in zeker opzicht een leerling van Ijsseling, ontwikkelde een publieke therapie voor de net vermelde symptomen, in samenspraak met de psychoanalytische terminologie van Paul Moyaert. In het verlengde van Ijsseling en zijn nadruk op Lacan zou er volgens Visker in de publieke ruimte plaats moeten zijn om ademruimte te geven aan die singulariserende onzegbaarheid eigen aan de taal. Als men in de publieke ruimte al zou kunnen getuigen van die harde, universele conditionering door taal - onderhevig aan haar wetten en beperkingen, zonder ooit samen te vallen met de mondige claim inzake de eigen wortels of inzake de volheid van gedachtegangen, nuances, gevoelens en belevingen - zou de intensiteit en intentionaliteit van het publieke debat in termen van de waarheid over identiteit in termen van een taalstrijd, minstens mogelijk verminderd worden. Echter, dat het katholieke verleden van België zulk een symbolische omgang met die universele taalconditie van de mens incarneerde in diens kerkelijke rituelen, functies en gebruiken, als een soort mystiek lichaam, dat zal Herman De Dijn opmerken, in samenspraak met Arnold Burms (voor een verdere analyse van dit verschil tussen Visker en De Dijn, zie: Vechten voor Syrie: hypocriete provocatie en/of mislukte symbolisatie). Maar, laatste wederwoord, dat zulk een katholieke koppeling à la Burms en De Dijn heden ten dage moeite heeft met de pluralistische realiteit (zie voor een verdere analyse: Humanismen: filosofische beschouwingen over diversiteit en pluraliteit) en zodoende nood heeft aan een nieuwe vormgeving van een therapeutische ritualiteit in de publieke ruimte, lijkt wat Visker – in de lijn van Ijsseling’s pluralisme – tenslotte zou opmerken (zie voor een verdere analyse: De diagnose van de publieke ruimte volgens Rudi Visker).

Kortom, in de nasleep van Mercier, Heidegger en Ijsseling, kan men de huidige Leuvense constellatie van de Europese filosofie en diens lotgevallen enigszins leesbaar maken aan de hand van de verhouding tussen het, eerder modern-katholieke, denken van De Dijn en het, eerder postmoderne, denken van Visker. Een verhouding die zonder de figuur en stijl van Ijsseling niet denkbaar is.

Uitleiding

Maar dat was slechts het verhaal van de ‘Leuvense filosofie’. Een verhaal dat onvermijdelijk het onzegbare, menselijke aspect mist; het ‘Sam’ van het fenomeen ‘Samuel Ijsseling’ miskent; een verhaal dat geen recht kan doen aan het verlies en het gemis van diens persoonlijkheid, herinneringen, ervaringen, familie en vrienden die hij achterlaat. Een tekstueel fenomeen dat als een tot eenheid gebracht begrip, voornamelijk bestaat uit haastig in elkaar geschoven tekstfragmenten, ervaringen en ontmoetingen uit verschillende, vaak heterogene contexten. Een eenheid waarin Ijsseling zelf niet geloofde, noch wenselijk achtte.

Toch leek hij soms wel te klagen over de versnippering en de fragmentering van de filosofische interesses en engagementen aan het HIW en het intellectuele landschap in het algemeen. Een soort postmoderne onoverzichtelijkheid, waarvan hij echter toch eerder heil verwachtte, dan van een nieuw eenheidsdenken zoals dat in een te dominant wetenschappelijk en Engelstalig discours naar voren wordt geschoven. Veeleer haalde hij liever zijn inspiratie uit boeiende gesprekken, kunst en literatuur.

Misschien kan een onzegbaar dankwoord van ‘De Stomme van Portici’ nog inspiratie(s) bieden aan de wijze waarop we de unieke bijdrage van Samuel Ijsseling aan een Europa na Waterloo kunnen omschrijven.

Alvast bedankt voor je bijdrage,

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

aka

Andreas Lauwers

Bronnen:

  • Wijsgerig Gezelschap, Mededelingen 59 (2013), pp. 62-66
  • Erno Eskens, Geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen: De 20ste eeuw, p. 118-119
  • Paul Moyaert, Wat ons bindt aan een werkelijkheid die vereenzaamt. Hoe Lacan nadenkt over ethiek, in: Ethische Perspectieven 21 (2011) 3.
  • De wijzer, Interview met De Dijn, 4 april 2008.
  • Johan Op de Beeck, De leeuw van Waterloo verbeeldt iets wat wij niet horen te vieren, in: De Morgen, 14 maart 2015.
  • Gazet van Poperinghe (1921-1940), 31 januari 1926
  • Gerrit Vanden Bosch, 450 jaar Aartsbisdom, in: Pastoralia, woensdag 26 november 1997, pp. 9-11,
  • Jozef Keulartz; Antoine Verbij, De heimelijke koning heidegger in holland, in: De Groene Amsterdammer, 26 november 1997.
  • Herwig De Lannoy, Vaderlandse helden na de ‘Groote Oorlog’, in: Soirée Lamot, pp. 1-10
  • Wikipedia

Reacties (12)

   

Dank voor de boeiende uiteenzetting. Vooral het aspect van een "verlichte" Napoleon was nieuw voor mij.

   

Dag LeonH,

Bedankt voor je compliment. Ik ben best geïnteresseerd in welke mate of waarom je dit aspect vernieuwend vond, eventueel mag je je opmerking altijd wat meer toelichten.

In elk geval bedankt voor je bijdrage,

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

aka

Andreas Lauwers

   

Meestal wordt de geschiedens belicht vanuit de visie van de overwinnaar, het is ook wel eens verfrissend om de gemiste kansen naar voren te halen. Napoleon was waarschijnlijk geen lieverdje, maar het metrisch systeem en andere wetenschappelijk vernieuwingen/standaardisatie schijnen we aan hem te danken te hebben. Ik denk echter wel dat de geschiedenis het bewijs is dat standaardisatie een grens heeft.

   

standaardisatie lees ook normalisatie

   

Dit is wat je noemt een BB, oftewel een 'brede blik', waarvoor mijn hartelijke dank.

   

Dag Sofia,

Bedankt voor je compliment.

In elk geval bedankt voor je bijdrage,

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

aka

Andreas Lauwers

   

Neo,

Dank je voor het mooie en boeiende stuk over IJsseling en het HIW.
In de eerste jaren na zijn emeritaat zag ik hem wel eens in grootwarenhuis Match in de Bondgenotenlaan in Leuven. Ik ben beschaamd om het te bekennen, maar over hem zag ik dan altijd de schaduw hangen van een boek van Connie P. Ergens in mijn boekenkast staat al eeuwenlang een werk van hem over Derrida. Ik heb het nog niet gelezen.

   

Dag Aliaspg,

Bedankt voor het compliment.

Ter info, wat betreft het boek van Connie Palmen, hierover had Ijsseling zelf het volgende te zeggen:

"In de Wetten van Connie Palmen speel ik een herkenbare, maar nogal vreemde rol. Dat was een vreemde ervaring. Je ziet jezelf in de spiegel van het boek, en door alle bekende trekken heen levert dat ook een heel vervreemdende aanblik op. Plotseling bezie je je door de ogen van een ander, en je vraagt je af: ben ik dat nou? Terwijl je aan de andere kant niet kan ontkennen dat er in die portrettering ook een zekere waarheid over je onthuld wordt. Of dat moet gebeuren via de openbaarmaking van zeer intieme zaken, is een zaak waarover je twisten kunt. anders dan veel mensen in mijn omgeving was ik er niet boos over, maar pijnlijk was het wel. In 1986-1987 heb ik kortstondig een relatie met Connie Palmen gehad. We zijn samen naar Italië geweest en ik bezit van haar nog steeds een groot aantal brieven. Op het intieme, lichamelijke vlak bleef de situatie echter steeds heel dubbelzinnig. Voor mij was dat niet eenvoudig. Er is iets misgegaan tussen ons, ik weet niet wat. Het is uitgelopen op een vreemd hoofdstuk in een boek."

Bron: Ger Groot, "Dankbaar en aandachtig", 2013.

Wat betreft dat boek over Derrida van Ijsseling, misschien toch eens lezen dan :)

In elk geval bedankt voor je bijdrage,

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

aka

Andreas Lauwers

   

Toen ik de film van Lacan in Leuven bekeek, al weer wat jaren geleden, vroeg ik me af wat er van de mensen in het publiek geworden is. Wat hebben ze meegenomen van die bijzondere dag en vooral die jongeman met dat hilarische glas water.
Lacan heeft zijn liefhebbers en door het luchtledige fietsende tegen staander(s). Wat bezield zo'n F.B. om enkele jaren te werken aan zijn boek waarmee een Lacaniaan alleen maar meewarig en terecht zijn wenkbrauw even optrekt. Spinoza spreekt zelfs over het subject van de betekenaar! Voor de liefhebber Ethica deel twee stelling 17 toegift. En Sigmund haalt zijn herinneringspoor bij de daarop volgende stelling 18. IJzelings was ik een beetje uit het oog verloren hoewel ik laatst bij een opmerking van Ylem nog eens zijn kleine boekje over Mymesis doorbladerd heb. Zo zie je maar.
Bedankt voor het lange artikel.

   

Ach ... filosofie staat niet stil, het HIW ook niet, meningen botsen, modes komen en gaan, stijlen contrasteren ... het is toch mooi dat een F.B. nu ook tot het HIW behoort, hetzelfde instituut dat mee gemaakt is door IJsseling?

   

Juist, filosofie staat niet stil. Laten we toch opletten dat 'modes komen en gaan' niet betekent dat we wat er gezegd is niet meer moeten ernstig nemen. Dat 'deconstructie was mode in de jaren 80' niet wil zeggen dat we geen oog moeten hebben voor lees strategieën. Voor Lyotard betekent 'postmodern' zeker niet dat alles kan. Maar wie dat woord alleen via de architectuur leerde kennen is het een mode. Dat meningen botsen is niet erg.

   

Dag Ursula en Aliaspg,

1.
Je opmerking in verband met F.B. is best wel interessant. "For those who it may concern", reeds op 25/01/2008 probeerde ik een kritisch gesprek met F.B. aan te gaan (http://filosofie.be/blog/de-neo-cynicus/2373/een-kritisch-gesprek-met-filip-buekens/), al speelde/speelt mijn soms nogal intellectuele luiheid mijn betoog parten. En natuurlijk is een blog maar een blog.

Aliaspg was overigens toen ook al van de partij (7 jaar geleden dus, indrukwekkend :) ). Sindsdien heb ik mijn foucaultiaanse antwoord op Buekens' kritiek op Lacan hieromtrent overigens niet gewijzigd, ik heb mijn positie sinds toen - in alle bescheidenheid - alleen maar verstevigd.

Dat F.B. zijn visies aan het HIW kan verkondigen is in een bepaald opzicht inderdaad een vreemde zaak. Anderzijds is het beleid aan het HIW misschien ook een kwestie van 'dissensus communis', al bekijk ik dit waarschijnlijk nogal idealistisch. Daarnaast zal de historische insteek aan het HIW het modieuze ook wel overstijgen, vermoed ik.

Het is echter wel de vraag in welke mate academisch personeel, (oud-)studenten, burgers en bloggers die met zulke oppositionele bewegingsvrijheid minder voeling hebben, dit ook kunnen appreciëren, hanteren en respecteren. Natuurlijk speel het maatschappelijke klimaat ook diens rol. Maar dat is een ander verhaal :) .

2.
Ursula, je verwijzing inzake Lacan en Freud bij Spinoza vond ik uitermate interessant. Bedankt voor de tip!

In elk geval bedankt voor jullie bijdrage,

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

aka

Andreas Lauwers

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie