Kleine zingeving van de spatiotemporele (a)symmetrie

In de blog: De Neo-Cynicus reacties: 11 pdf print

Een korte schets van enkele terminologische kruisverbanden binnen de (vectoriële) fenomenologie en de moderne fysica inzake spatiotemporele (a)symmetrie. Indien U dit overigens onleesbaar saai vindt en U op zoek bent naar een filosofisch gesprek aangaande radicalisering en 'Je suis Charlie', men weze verwezen naar Vechten voor Syrië: hypocriete provocatie of mislukte symbolisatie?

1. Het intuïtieve onderscheid tussen ruimte en tijd

Maak een hypothetisch onderscheid tussen ruimte en tijd. Dit onderscheid rust op het mogelijke verschil tussen tijdelijke asymmetrie en ruimtelijke symmetrie.

Tijdelijke asymmetrie

We ervaren een pijl van het nu: we ervaren de tijd altijd als ‘een nu-moment (heden), waarin een oud nu-moment (verleden) overgaat in een nieuw nu-moment (toekomst)’.

Wat we niet ervaren is de omkeerbaarheid van die pijl van het nu: we ervaren de tijd niet als ‘een nu-moment (heden), waarin een nieuw nu-moment (toekomst) overgaat in een oud nu-moment (verleden)’. De tijd kent in die zin een asymmetrie: men kan deze richting niet omkeren.

Ruimtelijke symmetrie

We ervaren een bewegingsvrijheid van de ruimte: we ervaren de ruimte als ‘een er-moment (hier) dat in meer dan één richting in verband kan staan met een ander er-moment (daar)’.

Het er-moment (hier) kan, in termen van de tijd, begrepen worden als een moment waarop een oud er-moment (vanwaaruit) overgaat in een nieuw er-moment (naarwaartoe).

Echter, verschillend van de tijdsterminologie, kenmerkt ruimte zich ook als volgt: de ruimte kent wél een symmetrie, men kan de richting omkeren. Men kan van hier naar daar gaan en weer terug: van daar naar hier. Dat kan niet in de tijd.

Conclusie (1)

Op basis van diens directionele (a)symmetrie kan men dus een hypothetisch onderscheid maken tussen ruimte en tijd: tijdsrichting is onomkeerbaar (non-inversief), ruimterichting is omkeerbaar (inversief).

2. De contra-intuïtieve opheffing van het onderscheid tussen ruimte en tijd

Dit hypothetische onderscheid heeft intuïtieve evidentie. Hedendaagse fysica hanteert sinds Einstein een contra-intuïtieve opheffing van dit onderscheid. Er is geen sprake van tijd en ruimte, maar van tijdruimte of ruimtetijd, als één geheel.

Hoe zit het dan met het verschil qua directionele (a)symmetrie? Hoe wordt de pijl van de tijd en de bewegingsvrijheid van de ruimte heden ten dage fysisch verklaard?

De meeste wetten van de fysica blijven geldig ondanks dat de tijdsrichting omgekeerd wordt. Een tas koffie kan uit je handen op grond vallen, in scherven uiteen, met een koffieplas op de vloer. Onomkeerbaar, zo lijkt het.

Stel je echter voor dat je, met heel wat moeite, elke molecule kan traceren die in verband staat met die val van de koffietas. Om vervolgens op elke molecule een kracht te laten inwerken die de omgekeerde is van diegene waardoor die molecule op die tijd en plaats is terechtgekomen. Dan zou die koffietas zo weer compleet in je handen kunnen terechtkomen. Aldus de fysica.

Dit veronderstelt echter minstens drie opmerkingen:

  • het lijkt onmogelijk om elke molecule te traceren

  • het lijkt onmogelijk om op elke molecule exact de omgekeerde kracht te zetten

  • om te komen tot het moment waarop je de tas weer in je handen hebt, moet je tot in het kleinste detail weten hoe de moleculen georganiseerd waren op het moment dat ze nog in je handen was, voorafgaand aan de val, en deze totale kennis van de initiële toestand lijkt onmogelijk

Conclusie (2)

Ondanks deze drie opmerkingen, blijven de meeste wetten van de fysica echter nog steeds invariant qua tijdsomkering. Deze opmerkingen betreffen immers niet de kwestie of het fysisch (on)mogelijk is, maar veeleer of het fenomenologisch (on)waarschijnlijk is.

En ondanks dat het fysisch mogelijk is (gegeven de zeer grote moeite en onvoorstelbaar gedetailleerde kennis die nodig zou zijn om het mogelijk te maken), is het zeer onwaarschijnlijk dat dit fenomeen plaatsvindt. Het is bijgevolg zeer onwaarschijnlijk, maar niet onmogelijk. Althans, op onze ervaringsschaal (meso-schaal).

En zo krijgt de pijl van de tijd ook in de hedendaagse fysica een plaats: net zoals in de ruimte is ook de richting van de tijd in principe omkeerbaar, maar in feite is dit zeer onwaarschijnlijk.

3. Entropie als radicaal onzichtbare informatie

Deze onwaarschijnlijkheid is afhankelijk van de mate waarin er informatie onzichtbaar blijft bij de poging om een bepaalde omkering moleculair te duiden. De maateenheid van die onzichtbare informatie (de onmogelijke kennis tot in het kleinste detail van de moleculaire positie, bekrachtiging en initiele toestand) heet entropie. Omwille van deze onvermijdelijke entropie, kan er sprake zijn van tijdelijke asymmetrie, het resultaat van iets dat zich niet laat analyseren in termen van ruimtelijke symmetrie, waarin processen (van hier naar daar en terug) omkeerbaar zijn. Aldus de fysica.

Deze door entropie mogelijk gemaakte situatie van de tijdelijke asymmetrie binnen de hedendaagse fysica heeft enkele interessante gevolgen. Men kan deze situatie duiden aan de hand van een microschaal.

Onbeslisbaarheid door potentiële informatie

Stel dat je een foto neemt van planeten die in een bepaalde richting rondom een zon wentelen. Louter op basis van die foto kan je niet zien in welke richting die planeten rondom de zon gaan: in wijzerszin of tegenwijzerszin.

Net zozeer kan je, op een foto van elektronen die in een bepaalde richting rondom een atoom wentelen, niet zien in welke richting die elektronen zich bewegen. Ze kunnen zowel in de éne richting aan het bewegen zijn ofwel in de andere richting.

Louter gebaseerd op zulk een tweedimensionele foto kan je niet zien in welke richting ze bewegen. Er is evenveel kans - het is even waarschijnlijk - dat ze ofwel de éne, ofwel de andere richting opgaan.

Welnu, ook hier – minstens op micro-schaal - is entropie aan het werk. Er blijft door deze onbeslisbaarheid aangaande de draairichting van elektronen bij de meting informatie onzichtbaar. Bovendien kan je zo ook stellen dat net door het meten de draairichting potentiële invullingen krijgt, die het voorafgaand aan de meting niet had. Zo blijkt het onmogelijk om te checken hoe bepaalde elektronen gericht zijn zonder door de act van het checken zelf (meten) de richting van de electronenbaan potentieel om te keren. Zodoende kan de initiële moleculaire toestand nooit gemeten worden, aangezien je met het meten, een invloed uitoefent op hetgeen je wil meten.

Sinds de kwantumfysica wordt uitgegaan van deze in potentie bi-directionele elektronenbanen: elektronen draaien in feite zowel in de éne richting als in de andere richting tot op het moment dat ze gemeten worden. Dat is hun initiele toestand. Aldus de kwantumfysica.

Entropie in de holografie

Een andere implicatie van de door entropie mogelijk gemaakte situatie van de tijdelijke asymmetrie binnen de hedendaagse fysica, is de wijze waarop een tweedimensioneel vlak de informatie kan weergeven van een driedimensioneel object. Dit kan immers begrepen worden in termen van een hologram.

Holografie is een manier om een driedimensionale afbeelding van een object te maken, met gebruik van een plat, tweedimensionaal vlak in de vorm van een fotografische film of sensor, of een ingegraveerde structuur.

Vanuit een bepaalde hoek bekeken verkrijgt een holografisch vlak in zekere zin een driedimensionele vorm. Aan de hand van deze theorie kan men entropie ook een andere invulling geven.

Stel je voor dat entropie, begrepen als onzichtbare informatie - die het onmogelijk maakt om een bepaald fenomeen te analyseren in termen van ruimtelijke symmetrie, resulterend in het fenomeen van tijdelijkse asymmetrie –, vergelijkbaar is met onzichtbare aspecten van een driedimensioneel object.

Zodoende zou de foto van de planeten/elektronen - waarin niet vastgesteld kan worden in welke richting ze zich bewegen rondom hun kern – gekenmerkt zijn door een onzichtbaar aspect. Maar een foto is natuurlijk geen driedimensioneel object, het is er een afbeelding van.

Welnu, in de mate dat men een foto als een vlak kan begrijpen waarin een holografisch verband gemaakt kan worden met informatie die samenvalt met een driedimensioneel object, kan men ook hier, vanuit een bepaalde hoek, meer aspecten te zien krijgen van hetzelfde object, in casu, de afbeelding op de foto. Zodoende verandert de entropie door holografie.

De entropie is echter niet helemaal verdwenen. Slechts vanuit een bepaalde hoek kan men meer dan één aspect zien van het object. Die hoek bepaalt hoeveel en welke aspecten zich tonen. Er blijven nog steeds aspecten onzichtbaar, ondanks de grootte van de hoek.

Conclusie (3)

Ook bij holografie verdwijnt entropie niet helemaal. Toch is er een verschil opgetreden: er is dankzij holografie en diens hoekgrootte sprake van meer of minder entropie, dankzij meer of minder zichtbare aspecten van het driedimensionele object dat zich laat observeren in het tweedimensionele vlak.

Wat is de implicatie van deze holografie voor de situatie van de tijdelijke asymetrie?

Herinner, slechts door de onvermijdelijke entropie (de onzichtbare informatie die zich steeds onttrekt aan onze kennis) verschijnt de pijl van de tijd als een eerder waarschijnlijke richting van gebeurtenissen van wat in principe evenzeer omkeerbaar is in termen van ruimtelijke symmetrie.

Welnu, door de kijkhoek, waarin het hologram zicht toont, te vergroten/te verkleinen, verkleint/vergroot de entropie en daarmee vergroot/verkleint de reduceerbaarheid van de tijdelijke asymmetrie in termen van ruimtelijke symmetrie.

Kortom: de relatie tussen de hoekgrootte en het verschijnen van tijdelijke asymmetrie is omgekeerd evenredig.

Algemeen besluit

Hoe meer aspecten zich tonen in het hologram, hoe meer er sprake is van reduceerbaarheid van tijdelijke asymmetrie in termen van ruimtelijke symmetrie. Of nog: hoe meer aspecten zich tonen in het hologram, hoe meer er sprake is van omkeerbare fenomenen, dat wil zeggen, hoe meer de onwaarschijnlijkheid daalt dat bepaalde, niet-inverteerbare fenomenen toch omkeerbaar zouden zijn.

Totale aspectualiteit zou bijgevolg totale reduceerbaarheid van tijdelijke asymmetrie in termen van ruimtelijke symmetrie impliceren, en bijgevolg zouden alle fenomenen omkeerbaar zijn. Maar net omdat de toegang tot het hologram slechts mogelijk is doorheen een bepaalde hoek, die evenwel groter en kleiner kan zijn, is elke aspectualiteit, minstens in holografisch opzicht, getekend door een selectiecriterium en lijkt totaliteit onmogelijk.

Entropie blijft daarom altijd overeind. En zo ook de weerstand tegen de reduceerbaarheid in termen van ruimtelijke symmetrie, resulterend in de pijl van de tijd. In zekere zin is deze weerstand - dit onvermogen om bepaalde fenomenen te herhalen in de omgekeerde richting - ook de mogelijkheidsvoorwaarde van zoiets als de notie van ‘richting’, in termen van de fysica: een 'vector'. Of fenomenologisch verwoord: de notie van ‘zingeving’.

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

aka

Andreas Lauwers

P.S.:

Mijn beste wensen voor 2015 !


Reacties (11)

   

Volgens Kant zijn ruimte en tijd à priorismen in de geest ...:

-Argumenten, die tot een volstrekt idealisme kunnen leiden :
:::
Arg.1. Uitgangspunt was : 'Van immaterialisme naar idealisme' : een antinomie van de 'ruimte' .:
Processus ;
Stelling A. - 'De ruimte is eindig' : Als de ruimte in zijn, laat ons zeggen , gewone 'materiele' betekenis en zin zou 'bestaan', moet ze een bepaalde omvang hebben ; in principe meetbaar zijn ; een bepaald aantal kubieke km. of zelfs kubieke lichtjaren tellen ; anders 'is' ze er niet .
Stelling B . - 'De ruimte is on-eindig' : Indien de ruimte dan een bepaalde omvang moet hebben , moet ze wel begrensd en als het ware om-muurd zijn ...Vraag blijft dan echter : 'wat is er achter die muur of voorbij die grens ?' ..Ja, alweer ruimte ; anders kan men zich dat niet voorstellen .; dus een on-eindige ruimte .
De ruimte moet aldus zowel eindig als oneindig zijn ... Wat een contradictie is ...
Conclusie : De ruimte kan zodoende slechts 'ideëel' 'bestaan of zijn . ;en is ze ook samen met de 'tijd' slechts in de 'geest' bestaande ; hetgeen Kant zijn beroemde 'à priorismen' noemde ...
Gevolg alle 'substanties', die zich in de ruimte bevinden, kunnen aldus ook slechts een ideëel bestaan leiden ; en net als de à priorismen zelf, waarin ze zich voordoen, slechts in dé of in een geest bestaan .--Zie ook Berkeley .

Arg.2 : Ook had ik het over het 'stoffelijk' nihiliseren van zowel 'vormen' als 'inhouden' van alle substanties . Substanties als vormen zelf, geëvolueerd vanuit de punt, dat een 'niets' is, via de lijn, naar het oppervlak, en naar het lichaam (als vorm), waarvan elk element op zich alweer een 'nihil' is, moesten op hun beurten 'onstoffelijke nihils' zijn .; en slechts bestaan als 'ideeën' .

Arg. 3 : Hetzelfde werd gezegd van de inhouden van de dingen of substanties, die we ook volgens Kant niet kunnen kennen . Want bij het zoeken naar die diepere inhouden stuit men alweer op vormen en oppervlakten, die een materieel 'niets' zijn ; zelfs bij het splitsen van de kleinste partikeltjes kan men slechts nieuwe vormen waarnemen ; maar nooit geen 'innerlijkheden' . Die inhouden zelf blijven verborgen buiten alle empirisch onderzoek, en kunnen slechts ideëel begrepen worden als een soort energie, die men slechts een naam kan geven .

Arg. 4 : Ook de 'tijd' is gezien geworden, als bestaande uit 3 delen ; nl. het verleden, het heden en de toekomst. Het verleden, dat niet meer is, en slechts in een geheugen blijft bestaan . De toekomst, die nog niet is ,en slechts als een verwachting eveneens in de geest bestaat . En het 'heden' of het 'NU' is net als de punt zonder afmetingen, een moment dat op zich een 'nihil' is . Zodat ook het begrip 'tijd' als een 'ideêel' iets moet gezien worden ...Tijd is eveneens een à priorisme van Kant ...

Arg. 5 : Verder werd gesteld, dat enige vormen van 'intelligentie' in onze wereld zeker niet kunnen geloochend of ontkend worden . ; zie onze verstandelijke-, en wils faculteiten. Niemand gaat toegeven, dat hij geen verstand of geen eigen wil heeft . Is het bestaan of het hebben van een intellectueel- of wils vermogen dan een enig feit in onze cosmos ? Ook als men, net als de ziel, intelligentie op een materiele wijze zou interpreteren en begrijpen, dan nog moet men besluiten, dat in 'materie' een vorm van intelligentie of bewustzijn verscholen moet zitten , en er uit geëvolueerd is . Aldus moet men aanvaarden, dat zogenaamde 'materie' als inhoud een zeker energiek-onstoffelijk bewustzijn moet bezitten, insluiten ,of in potentie hebben ..

Arg. 6: Hetzelfde kan gezegd worden over causaliteit, finaliteit, en vrijheid, waarvan bij de mens zeker enige vorm van te vinden is . Zonder enige vrijheid is geen verantwoordelijkheid, geen moraal en geen intentionaliteit mogelijk. En vrijheid leidt ons ongetwijfeld buiten het empirische naar het 'transcendente' en het 'ideeële .

Arg. 7 : We hadden het ook dikwijls over dualismen, of pluralismen in de filisofie ; die dan volgens mijn opinie niet konden aangenomen worden . ;Dus geen 'denken en uitgebreidheid', geen 'lichaam en ziel', geen geest en stoffelijke materie samen mogelijk ...; daar geen enkele 'osmose' tussen meerdere grond- of basisprincipes kunnen aanvaard worden . Hoe kan geest op 'stoffelijkheid' inwerken, enz.? "Geest kan wel materie voorstellen ; maat materie op zich kan geen voorstellingen maken" .
Stoffelijke materie is aldus slechts een verschijningsvorm , een fenomeen van een ongekende, bewuste energie of geest ..; Bewustzijn zelf is echter niets anders dan voorstelling subject tot object...
---Verder heb ik nog aangehaald, van :
..Democritos en zijn a-tomen-leer .
Democritos stelde dat de atomen verder ondeelbaar waren .. Is alles wat stoffelijk-materieel is dan niet niet verder deelbaar ? Democritos poneerde hierdoor, dat de inhoud van die atomen niet echt 'stoffelijk' kon zijn ...; alhoewel hij de eerste materialist werd genoemd ...
..Kant stelde dat het 'innere der dingen' niet empirisch kon gekend of gezocht worden .
..Schopenhauer vulde dat innere in met een intellectuele Wil, als oorzaak en beweegreden van alles .
..Hegel zag alles eerder als een evolutie van de Absolute Idee ---
...Leibniz tenslotte begon zijn Monadologie als volgt :
1. De monade is een eenvoudig 'iets', een enkelvoudige substantie, dus zonder delen .
2. Er moeten eenvoudige of enkelvoudige substanties bestaan, omdat er samengestelde zijn ; want samengestelde zijn samengevoegde enkelvoudige .
3. Daar in de monade geen delen zijn, is geen uitgebreidheid, geen vorm of deelbaarheid mogelijk . En die monaden zijn werkelijk de atomen van de Natuur - in een woord de 'elementen' van alle dingen ...
Enz.....

Arg. 8: Besluiten voortvloeiende uit de relativiteits-theorie en de quantum-mechanica hebben aangetoond, dat de stelling van materie als mechanisch en stoffelijk, niet langer kan weerhouden worden ; gezien het enigszins gelijkschakelen van 'massa en energie' en vice versa ; en ook anderzijds met het terug invoeren in de wetenschap met een zekere 'creatio ex nihilo' een ontstaan of schepping uit het 'niets' ; namelijk door het waarnemen van sub-atomaire deeltjes die ontstaan en weer verdwijnen in het 'niets' , enz..
Materie is voor de quantum-theorie eerder een ideëel 'iets' of begrip dan een 'tastbaar' ding .

Arg. 9: Er bleef enkel nog een vorm van 'energie' over , die dan van een intellectueel, berwuste aard moest zijn . ; en op zich zelf niets meer dan de 'eeuwige logica' zelf kon zijn . De logica van de wiskiunde, de formele logica of de wetmatige natuurwetten , deze wetten waren dan het enige 'absolute' in onze cosmos ; en al het overige bestaande moest als 'contingent' worden gezien. Alles moest dus uit die eeuwige absolute Logos - logica geëmaneerd zijn .
Logica is zelf een 'moeten zijn', en intelligente wilsakt als het ware, die enigszins met de Wil van Schopenhauer kan vergeleken worden . Schopenhauer vond aldus ook een oplossing voor het 'ongekende innere der dingen' van Kant ...; hij noemde dit innere een 'Wille' ...

Arg. 10. Die enige energie was dan ook de voorstelling of bewustzijn, dat alles schiep als 'idee', en waaraan wij ook samen met alles deelnemen . Een bewustzijn, dat op zich, zoals reeds aangehaald, enkel voorstelling is; -een juxta-posering van 'nietsen' als punten en nu-momenten -.en waarin object en subject samen vallen ...zie Hegel-
Alles zien als 'ideeën', gedachten, voorstellingen of bewuste acten, uitgaande van een allerdiepst, onderbewust 'zijn', lijkt aangewezen .== Idealisme ... "Ken je zelf, dan ken je 'god', of dan ken je het 'principe' van alles" , wordt toepasselijk .
Wij zelf , allen en alles zijn dan als het ware, slechts 'moment-ideeën' van één Super -ego ; 'Het denken van het denken' zelf -..Zie Aristoteles .

---Besluit : Geen egoïstisch solipsisme, maar een SUPRA-SOLIPSISME, als vorm van idealisme kiezen, blijft een redelijke keuze...

---Deze argumenten zijn transcendente 'richtingaanwijzers' ; Maar omtrent het 'transcendente' zelf moet men toegeven, dat het een 'Weten van niet-weten' blijft ..
.Maar zeker is : "Er is meer dan ..." ...
Het blijft echter META-FYSICA ...

   

Beste Valère,

zoals steeds ben ik dankbaar voor je uitgebreide commentaar en geniet ik ten volle van je argumentatie. Zelf verwijs ik iets minder naar klassieke metafysica, al kan je natuurlijk niet rond de 'klassiekers'.

Je notie van 'supra-solipsisme' vind ik een goede vondst, al zou ik er zeker altijd aan blijven toevoegen (zoals je doet) dat het een 'Weten van niet-weten' blijft. Ik vermoed dat bewustzijn volgens jou een groeiende participatie is aan een 'zelfgenoegzaam, richtinggevend niet-Weten'. Zou jij dit als een omschrijving van het 'transcendente' zien?

Tenslotte vraag ik me nog af of je in dezelfde redenering dan ook het 'immanente' zou omschrijven als een 'infra-solipsisme' ?

In elk geval bedankt voor je bijdrage,

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

aka

Andreas Lauwers

   

neo cynicus,

het transcendente is dat wat ook onze kennis overschreidt ,en daar is als een weten van niet-weten ...

   

Met sluitertijd = 0 kan je geen richting bepalen, maar zie je ook niets.
Met sluitertijd > 0 kan je richting bepalen, als je maar goed genoeg de vervorming van beeld of nabeeld bekijkt. Een nabeeld van een eerder moment is zwakker, maar natuurlijk alleen voor die waarnemer die ook in die richting beweegt. We zien alleen eigenbeweging. Ga je zelf naar links, dan gaat het universum naar rechts, dat noem ik symmetrisch. Het is aannemelijk dat het effect precies gelijk is, jij gaat precies zoveel naar rechts als het universum naar links gaat. Asymmetrie is relatief.

   

Relativitijdstheorie:-)

   

Dag Ylem,

Bedankt voor je notie van 'sluitertijd' en diens functie van meetbaarheid van beweging. Ik zou hier twee elementen bij opmerken die misschien je opmerking wat nuanceren. Ik probeer hierbij zoveel mogelijk in jouw termen te redeneren.

1. Ik vermoed dat je mijn notie van 'hoekgrootte' verbindt met jouw notie van 'sluitertijd'. En dat is zeker en vast vruchtbaar.

Ik moet hierbij wel vermelden dat ik in mijn artikel (à la Bergson's 'absolute duur') abstractie maak van de frequentieverhoudingen tussen de observator (het meetinstrument) en het observabele (hetgeen gemeten wordt). In een andere context ben ik hier echter sterk sterk sterk voorstander van. Maar in dit artikel niet. Waarom hier niet?

Omdat ik in dit artikel vooral wou inzoomen op het spatiotemporele verband tussen (a)symmetrie en de mogelijkheidsvoorwaarde van 'richting' en diens relatie tot zoiets als een pijl van de tijd, als 'vector' (moderne fysica), dan wel als 'zingeving' (fenomenologie).

Ik ben er ook enigszins van bewust (maar toch bedankt voor de 'reminder' :) ) dat men beweging kan definiëren in termen van de frequentieverhoudingen van observator (diens 'sluitertijd' en het observabele (diens 'impulssnelheid'). Het is echter wel de vraag of men richting kan definieren in die termen (is 'beweging' hetzelfde als 'richting'?). Wat vind jij van die laatste vraag?

2. Je schrijft 'Het is aannemelijk dat het effect precies gelijk is, jij gaat precies zoveel naar rechts als het universum naar links gaat'. Deze aanname lijkt me enkel gelegitimeerd wanneer je uitgaat van een gelijktijdigheid van de ontsluiting (de observatie door de observator) en de impuls (de observeerbaarheid van het observabele.

Anders gezegd: het effect geldt mijn inziens enkel wanneer bijvoorbeeld mijn ogen open zijn op het moment dat er gelijktijdig iets te zien valt waarop fotonen reflecteren in mijn ogen. Ik vermoed dat in die gelijktijdigheid van ontsluiting en impuls je vernoemde effect inderdaad legitiem lijkt.

Er zijn echter heel wat andere frequentieverhoudingen van observator en observabele formuleerbaar, naast de - voor ons - intuïtief bekende 'gelijktijdigheid'. Misschien heeft elk zingtuig; meetinstrument; medium wel een eigen matrix aan verhoudingen?

Maar dàt, is volgens mij een ander, zeer, zeer, zeer interessant verhaal, dat ik hier nu niet zal ontwikkelen ;-) . Als ik ooit meer tijd heb, wil ik wel eens een poging wagen. Ik kan je wel al verklappen dat de belangrijkste insteek hierbij, te maken heeft met een herdenking van de rol van 'tijdruimte' in termen van 'snelheid'. Een herdenking die je niet kan losdenken van de frequentieverhoudingen van observator en observabele.

Tot zover mijn mystieke antwoord :D

In elk geval bedankt voor je bijdrage,

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

aka

Andreas Lauwers

   

Hallo Andreas,

ik hoop op meer vruchtbare uitwisseling van kernbegrippen.

Ik zal een definitie geven van universum U zoals ik die hanteer. Universum U is een uitdrukking van de verhouding tussen E en m, E:m
Nu geldt dus volgens mijn "symmetrie" dat waarnemer w en Universum U logisch gezien dezelfde verhouding E:m hebben, zodat een constant blijven van w, een constant blijven van U is en een veranderen van w, een veranderen van U is. Het heeft wat mij betreft geen zin om U of w als oorzaak van de ander te benoemen, het geldt alleen in gepaardheid.

de consequentie van dit denken is dat waarnemer w kan reizen door verschillende universa, en dat dit simultaan is met de veranderingen van w. In zekere zin zijn alle waarnemers w een w' en alle universa U een U'. Gelijk ook een elektron e gelijk is aan e', of e1;e2;e3 ...en

Sommige universa U hebben een dusdanige verhouding E:m dat waarnemer w een beleving heeft. Deze "beleving" is asymmetrisch in die zin dat beleving B van waarnemer w (Bw) ongelijk is aan B'w'. Maar aangezien B relatief is aan w door U, en beleving B' relatief aan w' door U' is hier wel enige wetmatigheid in te ontdekken.

beleving B is de levensrichting voor w, en beleving en beweging is in zoverre hetzelfde dat een beweging symmetrisch te doen lijkt te zijn in de ruimte, maar een beleving niet, en feitelijk is elke beweging een beleving en niet wat anders, niet iets losstaand.

Frequentieverhoudingen zie ik dus los van frequentie wel als verhoudingen (E:m) en mogelijk dat de frequentie hierbij het belang van de E component aangeeft. Er is weinig mogelijk met een te grote noemer m. Teller E is van groot belang. Maar goed de extremen E-totaal en m-totaal staan wel tegenover elkaar als zijnde elkaars tegendelen. Ik meen ook alleen mogelijk in een verhouding U:w. Ben ik nog te volgen?

Gelijktijdigheid is als waarnemer w en waarnemer w' in zowel universum U als U' elkaar waarnemen, al betekent het "gelijk" dat ze eigenlijk zichzelf waarnemen in een andere verhouding, gelijktijdig gerealiseerd. De ruimte is vooral een deelruimte, dat is effectiever.

   

Heren staat u het mij toe om u te antwoorden met een blog van mijn hand? Toen ik hier nog maar pril aanwezig op dit uitgelezen forum?
De goegemeente alhier beloonde mij op 0 reacties.
Zulks is te begrijpen voor een beginneling. Ik bedoel: ik ga er niet mijn beklag over doen, of zo.
Intussen heb ik een heel klein beetje status opgebouwd. En met die vermeende status verwaardig ik het me om hetzelfde bericht nog een keer te plaatsen.
Omdat?
Omdat het qua actualiteit niets aan waarde en zeggingskracht heeft ingeboet. Sterker nog ...
Afijn, leest u maar.

"
Reve

In de blog: filosofie en literatuur zon, 24 november 2013 reacties: 0 pdf print bewerk verwijder

Van een tijdje terug.

Karel v/h Reve.

“Dames & heren, ik heb u een tafereel geschilderd van grote ellende. En wat het ellendigste van al is: ik geloof niet dat er de eerste halve eeuw verandering in deze ellende zal komen.”
Dat was in 1978. D.w.z. zo’n dertig jaar geleden. De halve eeuw is nog niet om, maar toch al wel een flink end op streek. Wat ons tussentijds, op 60% van de verstreken tijd, de gelegenheid verschaft om een soort tussenbalans op te maken. Koerst de voorspelling in de goeie richting?
Karel maakte zich kwaad om/over de volgende zin. Ik citeer het citaat. “Het huidige stadium van het wetenschappelijk denken wordt meer en meer gekenmerkt door het streven geen afzonderlijke, geïsoleerde levensverschijnselen, maar grotere eenheden te zien, te zien dat ieder op het oog eenvoudig verschijnsel der werkelijkheid bij nadere beschouwing een structuur blijkt te zijn, die uit meer eenvoudige elementen bestaat, en zelf weer deel uitmaakt van een ingewikkelder geheel.”
Heden ten dage, zo’n dertig jaar na dato, zouden we ons om zo’n zin niet meer zo kwaad maken als toend(t)ertijd. Waarom niet? Omdat de zin best wel meevalt. En omdat je veel ergere gedrochten kunt aantreffen; je kunt te kust & te keur. Wat toch wel wil zeggen dat Karel z’n voorspelling er intussen niet zo ver naast zit. Sterker: dat hij nogal mild heeft geoordeeld over de toekomstige ellende. Maar luister eerst eventjes naar het oordeel dat hij velt over de gewraakte zin.
“Van een zin als de daarnet geciteerde ... begrijp ik bijvoorbeeld twee dingen niet: ten eerste begrijp ik niet hoe iemand zo’n zin kan opschrijven, en ten tweede begrijp ik niet hoe iemand die zo’n zin opgeschreven heeft zich niet dezelfde avond nog verhangt.”
Da’s een hard oordeel van Karel. Maar als we met ‘m meelopen en derhalve conform zijn inzichten oordelen over het gehalte van de huidige zinnen, ja dan moeten we toch de huidige minister van Volkshuisvesting adviseren om de gemeente Galgenwaard een ruim bestemmingsplan te gunnen.

Een vriend van Karel v/h Reve, Rudy Kousbroek, trekt de onleesbaarheid een stuk verder. “Karel van het Reve heeft het gehad over de onleesbaarheid van sommige literatuurwetenschappelijke teksten: het is vreemd genoeg een verwante afstotelijkheid, die ook wordt gevonden in partij-jargon, in theoretische verhandelingen over marxisme, sociologie, linguïstiek. ...”

Laten we wel wezen, het terrein v/d literatuurwetenschap is qua omvang heel erg beperkt. In de geest v/d huidige tijd, zeg maar in de tijdgeest v/d ontlezing, zijn er niet zo veel lieden meer die literatuur lezen. OK, d’r worden nog boeken verkocht die in hoge torens bij de boekenmarkt zijn opgestapeld. Ze hebben vaak ook een heel mooi manteltje. Te mooi, zodat een goed verstaander er dadelijk al uit kan lezen dat ’t boeket in camouflagepak is. Maar ja, goeie verstaanders zijn in de zin van onze huidige tijdgeest ook reeds dun gezaaid. Dus kopen heel veel mensen, om de ontlezing tegen te gaan, een exemplaar uit zo’n stapel.
(enzovoort, enzovoort)
"

   

ik geloof niet dat onleesbaarheid iets over de tekst zegt...

   

Kijk 's, een kans voor open doel. Moet ik 'm er in schoppen, of kan ik 't aan jou overlaten?

   

Ik laat het aan de lezer over.

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie