Zelf ruimte geven aan Kant, Heidegger & Foucault

In de blog: De Neo-Cynicus reacties: 10 pdf print

Publiceren! Publiceren! Publiceren! Hoe? Altijd geredigeerd en louter mogelijk binnen een taalnormenstelsel dat liefst mathematisch meetbaar is. Hoe toch ruimte vinden voor jezelf? Lees maar!

Ik onderneem 3 stappen met u (kort: Kant-Heidegger-Foucault).

Eerst beschrijf ik de functie van het schematisme in Kants’ filosofie van de menselijke kennis.

Daarna toon ik hoe Heidegger I die functie uitbouwt binnen zijn filosofie van de zorg en hoe ook Foucault I deze beweging van Heidegger I’s filosofie herneemt binnen zijn filosofie van de geschiedenis. Verder geef ik aan hoe Heidegger II de rol van de ruimtelijkheid recupereert nadat Heidegger I deze onterecht had gereduceerd tot temporaliteit.

Tenslotte omschrijf ik hoe ook Foucault III deze recuperatie plaatst binnen een filosofie van de geschiedenis van de zorg voor het zelf. Ik besluit met de melding van nieuw onderzoek over hedendaagse zelftechnologiëen en hun autopoietische/repressieve rol ten aanzien van alternatieve zelfzorgtechnieken.

1. Het schematisme in Kants’ filosofie van de menselijke kennis

Kant verklaart de vorming van concepten aan de hand van:
• een visie op ruimte en tijd; en
• aan de hand van een schematiserend vermogen tot conceptualisatie.

Ruimte en tijd zijn de meest basale mogelijkheidsvoorwaarden van menselijke kennis. Deze stelling vormt één van de basisfundamenten van Kant’s filosofie. Omwille van deze stelling heeft Kant ondermeer nood aan een schematiserend vermogen dat het mogelijk maakt om spatiotemporeel geformatteerde, zintuiglijke data te schikken binnen correcte denkcategoriëen. Zo verschijnen bijvoorbeeld doorheen de zintuigen bepaalde indrukken, zoals ‘poot’ ‘pels’ ‘blaf’ en ‘bal’. Het is dankzij een schematiseringsvermogen dat Kant verklaart hoe deze zintuigelijke data zich laten categoriseren binnen bepaalde relaties die correcte concepten opleveren. Bijvoorbeeld: “een naar-een-bal-blaffende-hond”.

Kant verklaart de werking van het schematisme aan de hand van:
• sequentialiteit van de ervaring
• causaliteit van het gebeuren
• temporaliteit als correcte ordening van de ervaring

Hoe werkt dit schematisme? Kant benadrukt dat temporaliteit een cruciale functie heeft om de zintuiglijke data te kunnen schikken naar een correct concept. Men zou daarom beter kunnen spreken van vertijdelijking in plaats van schematisering. Deze nadruk volgt uit zijn gevoeligheid voor het verschil tussen de sequentialiteit van zintuiglijke data en de causaliteit ervan. Om te weten dat de ‘bal’ de oorzaak is van ‘het geblaf van de hond’ en dat ‘de hond’ de oorzaak is van ‘het geblaf’ meent Kant dat er nood is aan een schikking van de correcte opvolging doorheen de tijd. Er komen immers opvolgend, allerlei zintuiglijke data binnen: ‘poot’, pels, ‘blaf’, ‘bal’, .... Maar opdat er sprake kan zijn van een correct concept dienen de temporele relaties categorisch geschikt te zijn. Er verscheen eerst ‘de bal’, dan pas ‘het geblaf van de hond’. Evenzeer zou er geen ‘geblaf’ verschenen zijn, indien er niet eerst een ‘hond’ zou zijn verschenen. Causaliteit is in die zin volgens Kant slechts verklaarbaar als een correct getemporaliseerde sequentialiteit. Vandaar dat Kant deze temporaliteit als cruciaal ziet voor het vermogen tot schematisering.

2. Kant’s temporaliteit in Heidegger’s filosofie van de zorg

Heidegger stelt dat temporaliteit functioneert als de meest basale mogelijkheidsvoorwaarde van zorg. Hij baseert zich hiervoor op een dubbel gewijzigde versie van Kant’s schematisme.
• hij reduceert de schematische temporaliseerbaarheid tot de meest basale mogelijkheidsvoorwaarde van kennis. (complicatie: Heidegger II)
• hij vervangt kennis met zorg. (specificatie: Foucault III)

Heidegger I zal Kant’s schematische functie van de temporalisering hernemen binnen zijn eigen filosofie. Daarbij verliest hij echter uit het oog dat de formattering van de zintuiglijke data doorheen ruimte en tijd niet gereduceerd kan worden tot de temporele schematisering van deze spatiotemporeel geformatteerde zintuiglijke data. Dit is echter wel wat hij met Zijn en Tijd beoogt.

De eerste wijziging neemt Heidegger II dan ook terug: in plaats van temporaliteit spreekt hij later van ruimte-tijd, aangezien de meest basale mogelijkheidsvoorwaarde van kennis volgens Kant steeds een gemengde constitutie heeft inzake ruimte en tijd. Niet alleen wordt de menselijke perceptie gekenmerkt door een sequentialiteit, maar ook door een intuitionaliteit naar ‘buiten’ toe. Hierdoor kan men ruimtelijkheid niet louter afleiden van temporaliteit, een poging die Heidegger I ondernam en door Heidegger II werd ondergraven.

Foucault I heeft eenzelfde redenering gevolgd in de mate dat zijn werk de nadruk legt op de werking van de ruimtelijkheid ten aanzien van de mens en diens geschiedenis. Aangezien klassieke geschiedschrijving louter gericht is op de temporele aaneenschakeling van gebeurtenissen, verzet Foucault II zich tegen deze opvatting van geschiedenis door een geschiedenis van de ruimte en diens relaties tot macht te beschrijven.

Hierin zit dezelfde kritiek vermomd op historiografisch niveau als die van Heidegger I tegen Heidegger II. De mens en diens geschiedenis kan men niet louter beschouwen als een al dan niet logische aaneenschakeling van gebeurtenissen doorheen de tijd. Men dient de ruimtelijke uitwendigheden te beleven/beschrijven die gelijkoorspronkelijk zijn met het feit dat zij als een teken des tijds omschreven zijn geweest en hoe zij mede vorm hebben gegeven aan het heden.

3. Kant’s ruimtelijkheid in Foucault’s filosofie van de geschiedenis van de zorg voor het zelf

Foucault gaat ook in op Heidegger’s tweede wijziging van Kant’s schematisme: de zorg, als datgene dat in de plaats komt van kennis. Deze plaatsvervanging en de wijze waarop deze vergeten werd doorheen de geschiedenis is hetgeen het studieobject vormt voor de late Foucault III.

Foucault III stelt dat zorg voor het zelf vervangen werd door kennis van het zelf. Hij baseert zich hiervoor op een dubbel gewijzigde versie van Heidegger’s visie op zorg:
• hij kadert zorg niet vanuit de schematische temporaliseerbaarheid ervan, maar vanuit de ruimte-tijd-constitutie van zorg (cf. Heidegger II)
• hij reduceert de zorg tot zorg voor het zelf als een bundel localiseerbare technieken die de beleving van het zelf beïnvloedt

Heidegger’s aandacht voor de zorg in plaats van de kennis is voor Foucault een teken van verzet tegen een historische evolutie waarbinnen de kennis gaandeweg in de plaats kwam te staan van de zorg. Zo geeft hij bovendien aan dat kennis een gespecialiseerd deel is van de bredere zorg voor het bestaan, dat doorheen de geschiedenis als vervangend werd beschouwd voor de algemene noemer van zorg. Foucault III schreef daarom een geschiedenis van de zelftechnologiëen, dwz, de ruimtelijke uitwendigheden die mede vorm geven aan doorheen de tijd verschillende fenomenen van het zelf.

Ook in het heden beïnvloeden bepaalde ruimtelijke uitwendigheden onze beleving van het zelf, een beleving die bovendien van tijdelijke aard is. Doorheen Foucault’s beschrijving van de verschillende historische constituties van die beleving kan een aanwijzing worden gevonden voor hedendaagse constituties van onze beleving van het zelf.

Daarbij is het vooreerst duidelijk dat heden ten dage het zelf ‘iets’ blijkt te zijn dat slechts zou kunnen verschijnen binnen een wetenschappelijk verantwoord taalgebruik, dat liefst doorheen mathematiseerbare experimenten zichzelf kan legitimeren als ‘iets’ dat “iets” te zeggen heeft. Hoe deze locatie en constitutie van deze zelfbeleving tot stand kon komen, vindt men bij Foucault III.

Zelf te onderzoeken...
Men kan op basis van Foucault’s filosofie stellen dat een bepaalde hedendaagse zelfbeleving beïnvloed wordt door bepaalde mathematische schrijftechnieken en hun elektronische incarnaties. Deze zelftechnologieën:
• reproduceren een bepaalde tekstuele ordening van schematische temporaliseerbaarheid om legitieme kennis van het zelf mogelijk te maken
• onderdrukken een bepaalde zintuiglijke ordening van de spatiotemporele constitutie van de ervaring (vectorialiteit van de handtelact en intonatie van de stem)

Ten aanzien van de reproducerende versies door middel van mathematische notatie en schrift is het gevolg dat technieken ontstaan waarbinnen ons zelf beleefd wordt, maar waarin tevens de oud-europese zelfheid transhumanistisch in vraag wordt gesteld door een wildgroei aan op-wiskundige-principes-gebaseerde elektronische apparaten, enkel toegankelijk voor de wetenschappelijke, commerciëele klasse en enkel consumeerbaar door de burger.

Hoe deze locatie en constitutie van deze zelfbeleving technologisch tot stand komt, is evenzeer interessant. Opvallend daarbij is de cruciale functie van de mathematische notatie en de act van het schrijven. De wijze waarop deze mathematische notatie en de act van het schrijven immers toelaat om spatiotemporele versies te (re)produceren van zintuigelijke data en daarbij tevens bepaalde versies onderdrukt, is het onderwerp van onderzoek. Die onderdrukte versies betreffen de vectorialiteit van de handtelact en de intonatie van de stem.

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

aka

Andreas Lauwers

P.S.: ik vermoed dat u deze programmatische tekst niet echt vlot leesbaar acht, noch dat u bepaalde elementen compleet kan plaatsen in uw interpretatie, maar maak je geen zorgen: laat dit eerder een schets zijn van mijn bezigheden onderweg dan wel een representatie van 'mijn filosofie'. Wat betreft de laatste noties, inzake de vectorialiteit van de handtelact en de intonatie van de stem binnen de mathematische notatie en het schrift, mag u nog meer verwachten.


Reacties (10)

   

Beste Neo-Cynicus,

Interessante tekst, maar als pietje precies moet ik toch een opmerking maken. Je schrijft

"Altijd geredigeerd en louter mogelijk binnen een taalnormenstelsel dat liefst mathematisch meetbaar is."

Je zou het eens moeten checken bij echte wiskundigen, maar ik heb de indruk dat het meten waarnaar je verwijst op een fundamenteel niveau weinig te maken heeft met wiskunde. Jazeker, er worden getalletjes en wiskundige formules gebruikt om dat meten te doen en de meetresultaten uit te drukken, maar het feit dàt men dat doet en de manier waarop - daarvoor is de wiskunde niet schuldig.

M.i. is het niet zozeer het meten waarin de wiskunde een rol speelt, als wel in de metaforiek en de retoriek. Het vertrouwen dat een getal en een formule evoceren, zo je wilt. Men zou kunnen zeggen dat het meten waarnaar je verwijst misbruik van dat vertrouwen is.

Maar misschien was het dat wat je bedoelde.

Ik vind het ook vreemd dat je het woord "transhumanistisch" gebruikt. Ik vermoed dat het te maken heeft met het feit dat het overgrote deel van de wereldbevolking werkelijk helemaal niets snapt van wiskunde. Daardoor heeft het overgrote deel van de wereldbevolking (doch wellicht niet Kant) de indruk dat wiskunde echt iets heel raars is. Bovendien heeft wiskunde de eigenschap dat je niet zomaar kunt zeggen: "Jamaar, ik vind dit en dat." Er bestaat een strikte set van regels die de ruimte om "dit of dat te vinden" over wiskunde tot nagenoeg nul reduceert.

Dat is inderdaad niet des mensen - wij vinden graag dit of dat.

Maar dat neemt niet weg dat wiskunde een zeer menselijke bezigheid is. Het irritante voor mij is vaak dat het overgrote deel van de wereldbevolking dit niet wilt inzien, en graag suggereert dat wiskunde iets "transmenselijk" is. Waarom? Om zichzelf enig mentaal comfort te geven? Zo van "Ik ken geen reet van wiskunde, maar dat is niet erg, want ik ben een mens en het gaat om iets dat niet des mensen is?"

Vergeeft u mij de rant.

Mvg,

Aliaspg

   

"Ik ken geen reet van wiskunde, maar dat is niet erg, want ik ben een mens en het gaat om iets dat niet des mensen is"

Alles goed en wel, maar waarom zeurt men er dan zo over? Zie de discussies hier. Jan en alleman wil er zijn zegje over doen, terwijl men in veel gevallen eerlijk toegeeft er totaal geen verstand van te hebben.

Moet je als persoon met een exacte achtergrond eens iets kritisch durven zeggen over kunst. Alle daarvoor lustig onder elkaar kibbelende insiders keren zich collectief tegen je.

   

Je hebt een punt, maar misschien is het punt dat wil maken toch anders.
Mijn indruk - maar de Neo-Cynicus moet me corrigeren als ik me vergis - is dat wiskunde hier wordt ervaren als een "dwingend kader" voor een bepaald soort communicatie dat daarbovenop nog eens "transhumaan" zou zijn - waartegen een mens zich niet kan verzetten, met andere woorden.

Ik vind dat kort door de bocht, bij nadere analyse.

Maar zoals ik al opmerkte, misschien vindt Neo-Cynicus dat eigenlijk ook.

Mvg,

Aliaspg

   

Beste Aliaspg (en Kweetal),

Bedankt voor je opmerkingen. Ik zal de 3 door jou aangehaalde elementen (wiskunde, meetbaarheid en transhumanisme) verder toelichten ter verheldering van hun functie in dit artikel.

Eerst en vooral: het was niet de bedoeling om in deze tekst een waardeoordeel te vellen over wiskunde of over de wijze waarop 'men' wiskunde in onze maatschappij gebruikt. Ik probeer uit te leggen waarom niet en probeer daarna uit te leggen hoe je misschien tot die mening kwam.

Mogelijk heb ik twee associaties met wiskunde gemaakt die in de tekst schijnbaar in elkaar overlopen, ik probeer dit even te ontwarren.

1. Eerste associatie: wiskunde & "taalnormenstelsel dat liefst mathematisch meetbaar is"

Kort:
In jouw termen: "wiskunde wordt hier ervaren als een "dwingend kader" voor een bepaald soort communicatie".

Ik bedoel eigenlijk dit: een bepaald soort communicatie wordt hier ervaren als dwingend (zonder waardeoordeel) en wiskunde is toevallig deel van die communicatie.

Lang:
Heden ten dage leven we in een wereld waarin 'men' in alle evidentie quasi-verplicht wordt de waarheid (over ondermeer het zelf) vorm te geven binnen een welbepaald taalspel, het zogenaamde objectiviteitsdiscours (waarin men via - liefst mathematiseerbare - experimenten uitsluitsel biedt aan de significantie van hypotheses). Dit dwingend karakter heeft te maken met het feit dat onze maatschappij ingebed zit in een cartesiaanse moderniteitscultuur. Men kan bij Foucault droogjes (dus zonder waardeoordeel) de mogelijke scenario's lezen over hoe we in deze situatie terecht zijn gekomen.

Hierbij is het regel-gebonden karakter van wiskunde inderdaad zeker en vast niet de oorzaak van deze situatie. Die oorzaak is een complexe samenloop van omstandigheden binnen de westerse cultuur, aldus Foucault.

Wanneer ik me dus zou verzetten tegen deze situatie waarin het objectiviteitsdiscours waarheidsclaims vormgeeft (wat ik niet doe, ik stel het gewoon vast), verzet ik me niet tegen het feit dat wiskunde nu eenmaal een regel-gebonden praktijk is waarin symbolen procedureel gemanipuleerd worden. Je veronderstelling was dat ik anti-modern zou zijn en daarom anti-wiskunde. Ik ben noch anti-modern, noch volgt daaruit dat men anti-wiskunde moet zijn.

Kortom, wiskunde is toevallig een strategie geweest die zich met de moderniteit heeft verspreid in onze maatschappij als een manier om waarheidclaims vorm te geven. Dat ze dusdanig gebruikt wordt om te meten is niet de 'schuld' van de wiskunde. De dwang komt niet voort uit de wiskunde, men wordt veeleer onbewust gedwongen tot een bepaald discours waarin men moet rekening houden met mathematiseerbare afgemeten waarheidclaims. Ik geef je dus helemaal gelijk, maar zag mezelf ook niet in de fout gaan :)

Anderzijds zijn er welzeker invloeden merkbaar op de wijze waarop we wiskunde bekijken, net omdat ze sinds de moderniteit gebruikt wordt bij de maatstaf van waarheidclaims. Zoals je zelf aangaf wekken cijfers of bepaalde formules heden ten dage 'vertrouwen' op - in de zin van: als het becijferd is geweest, zal het wel kloppen en mogen we ervan uitgaan dat het de waarheid is (de slogan van de boekhouder: "de cijfers moeten kloppen"). Evenzeer bestaat er wantrouwen hieromtrent, bv. ten aanzien van statistieken in de krant ("met statistieken kan je alles bewijzen"). In elk geval is duidelijk dat wiskunde en waarheid in onze hedendaagse denkwereld verbonden zijn geraakt.

In andere tijden/culturen is dit niet evident (voornamelijk was/is wiskunde een kwestie van mystieke religiositeit, goddelijk mysterie en kunst als uitdrukking daarvan). Het grote verschil is dat cijfers heden ten dage 'bewijskracht' hebben, terwijl ze in andere tijden veeleer 'schoonheid' uitdroegen. Er is veel voor te zeggen dat die bewijskracht een verleidelijkheid kent die te maken heeft met die antieke esthetica van de wiskunde (denk maar aan zoiets als: "ronde" cijfers). Maar ik wijk af.

2. Tweede associatie: wiskunde & transhumanisme

We gebruiken twee verschillende invullingen van transhumanisme.

Ik vermoed dat jouw invulling meer aanleunt bij de notie van zoiets als de bovenmenselijkheid van experten die zich dankzij hun inwijding in de geheime taal boven het plebs plaatsen (de massa die wiskunde te moeilijk en nutteloos vindt). Zij leunt mijn inziens aan bij de omschrijving die ik hier net boven gaf van de pre-moderne functie van wiskunde en wiskundigen (een beetje zoals Plato's koningfilosoof die als enige zicht heeft op de Ideale Geometische Vormen oftewel de Ideeën). Hierdoor lijkt dit artikel, samen met de eerste associatie, te gaan over wiskundige expertdictators die ons dwingen wiskundig te denken en ons wiskundig te gedragen.

Dit is eigenlijk helemaal niet wat ik bedoel (maar blijkbaar weekt mijn schets toch deze interpretatie los). Zoals gezegd, dit artikel is voor mij een update over mijn bezigheden, een logboek als het ware. Maar laat me eerst transhumanisme duiden.

Ik gebruik transhumanisme als een term uit de bio-ethiek. Deze vaak gebruikte term verwijst naar de stroming die de menselijkheid niet bedreigd ziet door artificiële substituten of 'enhancements' van het menselijk lichaam. Alles wat te maken heeft met sci-fi-cyborgs, robotlichamen, maar ook met doping en biochemische verlenging van het menselijk leven: de transhumanisten zijn hier voorstander van. Volgens sommigen van hen is de mensheid een volgende evolutionaire stap bezig richting de co-adaptatie van mens en machine. En we kunnen dit proces niet tegenhouden, maar alleen maar verwelkomen, we moeten het zelfs versnellen. Je ziet dat je duiding van transhumanisme een andere wending gaf aan de interpretatie van dit artikel. Ik was natuurlijk ook lui genoeg om dit allemaal niet op te nemen ter duiding in het artikel :)

In deze tweede associatie van wiskunde met transhumanisme heb ik het niet zozeer over de algemene situatie van het "taalnormenstelsel dat liefst mathematisch meetbaar is" (zie boven). Ik heb het vooral over de concrete wijze waarop "een wildgroei aan op-wiskundige-principes-gebaseerde elektronische apparaten" een transhumanistische invloed uitoefenen op "de oud-europese zelfheid". Als je wil weten wat ik daarmee bedoel, verwijs ik je graag door naar http://filosofie.be/blog/de-neo-cynicus/2398/1-robotten-in-je-huiskamer-een-niet-argumentatieve-analyse/ (onderaan ivm 'Esthetisering') e.v.

Tenslotte - en dit is onderzoek dat ik nog verder moet afronden - wordt bovenstaande ontwikkeling massief gevoed door de digitale revolutie die bestaat uit massa's en nog eens massa's programmeurs. Zij produceren immers door middel van code nieuwe structureringen van onze ervaring (e-mail, videogames, Facebook, Google Maps, ...) die een geheel eigen spatiotemporaliteit herbergen, getekend door de repressie van andere versies. Zoals ik schreef:

"Hoe deze locatie en constitutie van deze zelfbeleving technologisch tot stand komt, is evenzeer interessant. Opvallend daarbij is de cruciale functie van de mathematische notatie en de act van het schrijven (= bv. programmeren). De wijze waarop deze mathematische notatie en de act van het schrijven immers toelaat om spatiotemporele versies te (re)produceren van zintuigelijke data en daarbij tevens bepaalde versies onderdrukt, is het onderwerp van onderzoek."

Kortom, met Foucault kan je het ontstaan en de werking van objectiviteitsdiscours volgen, maar bovendien kan aangetoond worden dat binnen dit discours er in digitale termen nieuwe zelftechnologieën ontwikkelen die Foucault nooit gekend heeft, maar die dankzij zijn terminologie wel opvolgbaar zijn.

En laat voorspelbaarheid nu net één van die criteria zijn van het objectiviteitsdiscours ;)

Alvast bedankt voor uw steeds interessante bijdrage,

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

aka

Andreas Lauwers

P.S.:

Uiterst toevallig ga ik zometeen (binnen een uurtje overigens) naar de 'Studiedag 2013: Filosofie en de nieuwe media' van het Wijsgerige Gezelschap Leuven van het Hoger Instituut der Wijsbegeerte aan de KULeuven.

Iedereen welkom! Zie voor meer info: http://hiw.kuleuven.be/ned/agenda/wgl_studiedag2013

   

Iets van een paar jaar terug. Een boekbespreking van “het handwerk van de vrijheid” van een zekere Bieri. Wij vonden na ongeveer 100 bladzijden dat dat handwerk voornamelijk uit geleuter bestond. Pas toen zijn we het voorwoord gaan lezen. Daar staan een paar zinsneden die hier van pas zouden kunnen komen. Laat die Bieri zelf maar eventjes zitten.
Het betreft een tekst van een zekere Pedro Vasco de Almeida Prado uit Over illusie en zelfbedrog in de filosofie (Lissabon 1899).

Er zijn twee soorten filosofen die ik niet vertrouw. De eersten zijn de technici: zij nemen de nauwkeurigheid van de wiskunde als model en geloven dat de helderheid is gelegen in de formule. De anderen zijn de hagiografen; in hun handen wordt de filosofie tot het eindeloze uitleggen van heilige teksten. Als er werkelijk filosofisch inzicht bestaat, moet dat op een andere manier totstandkomen: door een denken waarvan de helderheid, nauwkeurigheid en diepgang bestaan in het nauwe contact met de ervaring die ieder mens met zichzelf opdoet, zonder die volledig te onderkennen en zonder die te begrijpen.

Het was voor ons duidelijk tot welke categorie Bieri zijn ruim 400 bladzijden filosofie wenst te rekenen. Bij de vrijbrief van het geleuter. We beseften dat de opmaat van Pedro Vasco de Almeida Prado bedoeld was om de leuterweg te bereiden, en de prietpraat met plaveisel te bestraten.
Dat doe je natuurlijk eerst door met je (vermeende) tegenstanders af te rekenen. Desnoods door er een karikatuur van te maken - hetgeen bijzonder onsportief is. Welnu, die Predo t/m Prado is onsportief.
Overduidelijk.
Want ik ken geen technici die de nauwkeurigheid van de wiskunde als model nemen. En Andries ook niet. Daar hebben wij nog nooit van gehoord. Nauwkeurigheid kan toch nimmer een model zijn? Nauwkeurigheid is pas aan de orde bij het “op elkaar leggen”, bij de “fit” van het representerende (het beeld, het model) met het gerepresenteerde (het afgebeelde, het gemodelleerde). En dan kan blijken - empirisch, natuurlijk - dat de representatie niet perfect is. Er moet gewrongen worden om de werkelijkheid in het gareel van het model te krijgen. Er is stress. Het is aan de praktische wetenschap om na te gaan welke mate van stress nog toelaatbaar is, om te bepalen of het model uit z’n sponningen knapt. Hetgeen ook weer afhankelijk is van de doelstelling, van wat je met dat model wilt. Wil je het losjes? Prima, dan doe je het losjes. Wil je het wat strakker? Prima, dan doe je het strakker. Wil je het strikt? Prima, dan doe je het strikt. Je hebt dichterlijke vrijheden (b.v. “het boek van de natuur is in wiskunde geschreven”), en je hebt statistische vrijheidsgraden. Voor elk wat wils. Toch?
En, ach, modellen zijn er in soorten en maten. Er zijn gelijkenissen, metaforen, paralellen, analogieën, maquettes ... t/m numerieke representaties. Een model kan m.a.w. variëren qua strakte, qua keurslijf.
Ja, en dan dat geloof van die technici. Ze geloven, volgens Prado t/m Predo, dat de helderheid is gelegen in de formule.
Zou ‘t?
Ik zou zeggen dat de helderheid gelegen is in de formulering. En de formule is er daar slechts eentje van. Naast andere. Bijvoorbeeld die van de poëzie. Maar ook die van de proplog. In het huidige ICT-tijdperk wordt het formuleren steeds meer overgenomen door of uitbesteed aan fomulieren. De cursief-vet-onderstreepte i die bij het formuleren is ingeplant toont aan dat het inderdaad om de informatie gaat van de ICT.

De rest van het verhaal is in deze context niet van belang.

   

Mooi woord " schematisme". Komt dat van jezelf of van een ander? Dat is me ueberhaupt niet duidelijk in deze tekst.

   

Geachte Ylem,

'Schematisme' wordt in dit artikel gebruikt als term die gebruikt wordt door Kant in zijn 'Kritiek van de Zuivere Rede'.

Vgl. KZR A141=B180-181, waar Kant spreekt van het "schematisme van ons verstand ten aanzien van de verschijningen en hun loutere vorm" als "een in de diepte van de menselijke ziel verborgen kunst".

Bedankt voor je bijdrage,

Met vriendelijke groet,

De Neo-Cynicus

aka

Andreas Lauwers

   

Hallo Andreas, bedankt voor de informatie.

Het lijkt me dat de chronologische opsomming; en toen... en toen... aan de basis ligt van het schematisme. In de functie van het jezelf iets herinneren is dat belangrijk, maar ook als anderen van je eisen dat je ergens verantwoording aflegt, ook al is dat misschien alleen naar aanleiding van een belangstellende vraag.

   

Beste Neo-Cynicus,

Dank je voor het omstandige antwoord. En mijn excuses voor de verhitte reactie; ik had het duidelijk niet allemaal goed begrepen.

Overigens wilde ik niet beschuldigen van anti-modern zijn. Ik had veeleer de (verkeerde) indruk dat je erg ver meeging in het accepteren van het moderne denken

Mijn al te geprikkelde reactie werd ook ingegeven door een recente discussie met academicus van de KULeuven - een computerwetenschapper - die een milde versie van het transhumanisme uitdraagt. Het is zijn overtuiging dat de natuurlijke taal uiteindelijk gevat kan worden in een strikt logische structuur, in een soort programmeertaal die gemanipuleerd kan worden door een computer. Daarbij heb ik zowel empirische als filosofische bedenkingen.

Empirische, omdat ik eerst nog moet zien of het inderdaad kan. Voor zover mij bekend is het succes op dat vlak nog vrij beperkt.

De filosofische bedenkingen zijn van dubbele aard. Ten eerste is er m.i. sprake van de verleidelijkheid van de schoonheid van logisch gestructureerde computertalen. Om het anders te zeggen: voor iemand met een hamer ziet alles er uit als een nagel, voor iemand met een computertaal is alles logisch gestructureerd. Ongetwijfeld kun je iets gelijkaardigs zeggen over Heidegger en Foucault :-).

De tweede filosofische bedenking, die jij trouwens ook aanraakt, is dat van deze opvatting iets normatiefs uitgaat - de computertaal als normerend model voor de natuurlijke taal. Ik vermoed dat het allemaal niet zo bewust is. De academicus in kwestie zal het wellicht ontkennen. Maar het is filosofisch interessant.

Mvg,

Aliaspg

   

Beste Aliaspg

Over die normering: de filosoof Bas Haring verwonderde zich er ooit over dat het chlorofyl in de bladeren van planten maar 1 % van de energie van het zonlicht omzet in nuttige producten. Zonnecellen halen tegenwoordig wel 20 %. Bas Haring vergeet dat het grootste deel van hert aardoppervlak is bedekt met die "inefficiënte" planten, dat we daar voor onze voedselvoorziening compleet van afhankelijk zijn, en dat we er in eerste instantie niets voor hoefden te doen. En wat we wel doen, is wat ordenen en ondersteunen, maar de natuur doet het nog steeds grotendeels zelf. En dat kun je van zonnecellen niet zeggen.

Alleen geregistreerde gebuikers mogen comments plaatsen

Aanmelden of Registreer plaats een reactie